Lost

doolhof

Onlangs verblijdde het het over ons gestelde gezag ons als eenvoudige docenten met een prachtig glossy boekwerkje, waarin werd uitgelegd hoe ons eerbiedwaardige onderwijsinstituut zich de komende jaren zal ontwikkelen. Een en ander werd gelardeerd met plaates van jonge, mooie en vooral hippe mensen ( de leerlingen ); hoewel, niet helemaal hip, want eentje bediende een mobieltje waar een enorme antenne uitstak. Een beetje hip en jong type gaat dan werkelijk af als een gieter. Waarschijnlijk een student uit de wat minder swingende opleidingen in ons onderwijsaanbod. Verder stond het werkje vol inspirerend taalgebruik; woorden als “stakeholders”, “kweekvijverprojecten”  gaven de lezer toch wel het warme gevoel zich in een uiterst dynamische en swingende leeromgeving te bevinden.

“De moderne docent is ook flexibel en mobiel”, wat blijkt uit het feit dat wij geregeld het land in trekken om onze stakeholders te bezoeken. Dat kan op allerlei manieren: een beetje knullig op de fiets, met het openbaar vervoer, de eigen automobiel of een huurwagen. Dat laatste ligt een beetje gevoelig. Net als banken moeten ook onderwijsinstellingen bezuinigen, en daarbij had men ook gedacht aan het gebruik van de eigen auto in plaats van een huurwagen. En wie geen auto tot de beschikking heeft, die moet er dan maar eentje lenen van een collega of ergens in de buurt of zo. Gaat de bel ’s ochtends om half zeven bij de buren: “Dag buurvrouw, mag ik even jullie auto lenen, want ik moet vandaag stakeholders bezoeken”….Hoe flexibel kun je zijn.

Maar goed, bij zeer hoge uitzondering en na veel heen en weer gekibbel mocht ik nog een auto huren, zo klein mogelijk, bij  voorkeur Trabant of zo, en dus reisde ik, voorovergebogen achter het stuurtje van een zilverachtig wagentje naar het zuiden des lands, naar oorden als Sint Oedenrode en Eindhoven. Uit hoofde van mijn beroep bezocht ik daar enkele dierenwinkels, waar leerlingen gedurende tien weken stage bezig waren met het wegen van zakjes voer, het vangen van ontsnapte vogeltjes en met het verkopen van een flesje neusdruppels aan mensen met een verkouden kat, om maar wat te noemen. Ze maken daar ook complete bedrijfsplannen en inventarisaties, dus zo’n stage is heel leerzaam en ze steken er in het algemeen heel wat van op, soms meer dan op school denk ik wel eens. De adressen waren dankzij mijn TomTom snel gevonden, de bezoeken verliepen allemaal vlot en uitstekend, de koffie was lekker en de stagebieders waren tevreden – dat kan ook niet anders met een kwaliteitsschool die wij zijn. Zo kon ik nog mooi in Eindhoven even de binnenstad in om snel wat te shoppen, en dan handig voor de file uit weer naar huis. Schrieperig als docenten tegenwoordig moeten zijn, parkeerde ik mijn voertuigje ergens in een klein zijstraatje nèt buiten de betaald parkeren-zone. Even goed de straatnaam en de markante gebouwen in het geheugen prenten en met gezwinde pas richting centrum.

Terug naar de auto. Het leven van de gemiddelde docent kan soms heerlijk zijn: tijdens je werk nog een stukje vrije tijd om in een vreemd oord als Eindhoven nog wat boodschapjes te doen en dan op je gemak naar de auto, dromend van stakeholders die de volgende dag weer op je bezoeklijstje staan. Ja, waar stond die auto ook al weer, en hoe heette die straat ook al weer? Iets met  “Musket” of zo, dacht ik. En wat voor type wagen was het eigenlijk?  Laat staan dat ik het kenteken wist.  Het kan dus gebeuren, in deze tijd van GPS en Tomtom. Lost! Een dolende docent, ver van huis, dwalend door een doolhof van onderwijsvernieuwingen en kretologieën, op zoek naar zijn Trabantje. Steeds vaker kwamen dezelfde straten en smoezelige kantoorpanden voorbij, en ik voelde als het ware de priemende blikken en naar mij wijzende vingers van mijn meerderen, die mij nog zó hadden ontraden om een auto te huren…. Het kwaad straft zich zelf. Had ik hun oneindige hogere wijsheid maar gezien en aanvaard. Ik zag mij al diep in de nacht door de krochten van Eindhoven dwalen, op zoek naar mijn wagen die in mijn steeds hysterischer rondtollende gedachten meer en meer op een Trabant begon te lijken. Mijn vrouw de garage laten bellen: “Mijn man heeft een auto mee maar hij weet niet hoe die er uit ziet en waar hij staat”. Blije gezichten daar bij de monteurs.
Even was ik bang dement te worden, niet geheel onmogelijk op mijn tanende leeftijd. Zo voelt dat dus. Je dwaalt en dwaalt maar rond, je weet niet meer of de plekken waar je langs komt op de oorspronkelijke route van auto naar centrum lagen of dat je daar tijdens je dooltocht al vaker langs was gekomen. Krantenkoppen. Opsporing verzocht. De politie van Eindhoven vraagt uw medewerking in de zaak van een verwarde, docent-achtige man.  In beeld een foto van een groezelig type met holle ogen en een verwarde baard. Wie is deze man?  U kunt ook anoniem contact opnemen.

Nèt toen ik besloot de politie maar daadwerkelijk in te schakelen, en nèt toen het batterijtje van de afstandsbediening bijna leeg raakte door het vele vergeefs klikken naar allerlei soortgelijke Trabantjes, ontwaarde ik dan toch weer mijn gouden koets….. orgasmische gevoelens van blijdschap, u kent dat wel. Of je tijdens een pop-gesprek van je manager hoort dat hij of zij tevreden is over je 360 graden feedback. 

Hoe heerlijk was het in de file, daar op de rondweg bij Eindhoven. Naar huis, niet meer verdwaald, en morgen weer veilig naar school!

Waarom Starbucks eigenlijk vies en duur is

schaapWat bezielt een mens om in een rij van 15 wachtenden te gaan staan  om uiteindelijk een exorbitant bedrag neer te tellen voor een scheut smakeloze koffie in een kartonnen bekertje met een plastic deksel er op?

Wanneer Wauwel morgen op de hoek van de straat voor een fractie van de prijs kopjes echte Senseo of Douwe Egberts in een porceleinen kelk gaat aanbieden, gaat zoiets geheid niet lukken. Ik doel natuurlijk op Starbucks; op Twitter las ik over iemand die vanuit Rotterdam even naar Schiphol treint – vermoedelijk met de nieuwe Fyra – om daar een bakje koffie bij Starbucks te doen.  Alleen die laatste worden al: bij Starbucks doe je geen bakje koffie; daar onderga je een unieke, ultieme coffee-ervaring.  En dan maar hopen dat iemand jou daar ziet met dat stukje karton in je hand, want anders heb je daar voor niets een half uur rond gehangen, hopend dat je het slappe kartonnen bekertje niet teveel plet want anders krijg je het kostbare goedje nog over je Van Gils beleving heen ook.

Petje af voor firma’s als Starbucks en Apple en al die andere die een ster zijn in het manipuleren van mensenmassa’s , of juist van hen die daar denken boven uit te steken, en in het verkopen van grote delen gebakken lucht. Ik heb nu ruim een jaar een dure MacBook Pro, die ik na lang zeuren van mijn baas heb gekregen. De sensatie van het openen van de maagdelijk wit kartonnen doos, het strelen van het materiaal, voelend als de huid van een ongerepte maagd. Bijna het idee hebben dat je witte stoffen handschoentjes moet aantrekken bij het uitpakken van je iPhone, om toch vooral dat goddelijke apparaat daar in het binnenste maar niet te bevlekken…. Geestelijk klaarkomen in optima forma, daar gaat het om in de Belevingseconomie.
Je loopt natuurlijk niet in een ONDERBROEK van de Hema of de Scapino; daarvoor kies je met zorg uit de men’s underwear-lijn van Bjorn Borg, tot het moment waarop je die ook op een slechte dag in de rekken bij de Wibra ziet hangen. Dan is je belevings-zeepbel wreed doorstoken en moet je weer op zoek naar een nieuwe unieke experience.

Ik vind die MacBook eigenlijk een rotding, het toetsenbord typt erbarmelijk, ik mis allerlei handige windows-trucjes, maar ja, het blijft natuurlijk wel een Mac, en als je zo losjes met het ding onder de arm  – het verlichte logo naar het publiek gekeerd –  een zaal binnen wandelt, dan voel je een eerbiedige stilte neerdalen over die eenvoudige zielen: “Kijk, hij heeft een Mac….”

Hoe gek zijn we geworden. Coffee Latte klinkt natuurlijk oneindig veel interessanter dan een kopje koffie met melk, een wanneer je goed zichtbaar voor het keukenraam staat te klungelen met je duur aangeschafte  glimmende pasta-machine heeft dat natuulijk vèt impact op de rest van de buurt, want daarmee toon je dat jij geen loser bent die bij de weekaanbiedingen van de Aldi ook de spaghetti niet versmaadt.

Ik vind Starbucks duur en smakeloos, op de Caramello Frappucino na, maar dat kun je dan ook geen koffie noemen. Ik vind mijn Apple MacBook Pro eigenlijk niks bijzonders en soms regelrecht onhandig in het gebruik. Mijn shirts van Ralph Lauren verkleuren in de was ( dat komt vast doordat ik een goedkoop wasmiddel gebruik ).  Ik eet net zo lief een frikandel in plaats van Carpaccio. Of visstick voor forel.  En ik wacht wel tot ik mijn favoriete merk een keerje bij de Bentex tegenkom.

Een tip: Neem een thermoskan met koffie mee van huis en ga naar Schiphol of  Utrecht Centraal. Vis daar de gebruikte starbucksbekertjes uit de prullenbak. Giet de inhoud van je thermoskan in het bekertje en ga wat interessant met je verlichte MacBook Pro aan zo’n sta-tafeltje staan typen.  Succes verzekerd……nog nooit zo’n hoge eigenwaarde gevoeld….

Een mens is soms een schaap, wat denkt voor de kudde uit te hollen, maar wat toch elke keer weer die dam tegenkomt. En het kan heel vermoeiend zijn om elke keer weer op zoek te moeten naar een nieuwe dam. Ik zou zeggen, graas nu eens een keertje rustig in de eigen wei, ook daar kan het gras heel lekker zijn en het scheelt een hoop gestress. En ook van dichtbij gezien lijkt het ene schaap toch wel heel erg op het andere.

(Lees)voer voor schapen: De Belevenis-economie, van Pine en Gilmore 
( Interessanter: “The Experience Economy, from Pine and Gilmore )

Klusjesman

ikeaEr zijn van die klusjes die dus nooit afkomen. Wij wonen hier nu bijna 20 jaar en nog steeds zie ik ergens in een achtergesteld hoekje een randje vloerbedekking van de vorige bewoners. Achter de bank moet nog steeds een stukje plint tegen de muur bevestigd worden.
Ik zou al een half jaar een handdoekrekje aan het keukenkastje maken. Ik moet al drie maanden de keukenlevenrancier bellen over iets wat niet in orde is.  Op zolder ligt een groeiende stapel overhemden en sokken die ik zelf in mijn eigen kast moet opruimen omdat het vrouwvolk hier tot muiterij is gekomen.

Ik mag rustig stellen dat ik heel aardig kan klussen. Zoiets wordt natuurlijk ook ingegeven door valse zuinigheid, want de klussen stranden meestal in de afwerking. Zelden wordt iets afgemaakt. Huur mij dus nooit in, tenzij u mij een jaar over de vloer wilt hebben voor het aansluiten van een wasmachinekraaan of iets dergelijks. Klussen is leuk, ware het niet dat ik voortdurend alles kwijt ben. Ik leg een centimeter naast mij neer, en als ik hem een halve minuut later nodig heb, is het ding verdwenen en kan zoiets je tot dolle woede brengen. Of ik zaag iets met veel geploeter en gemeet, om dan te ontdekken dat het net een halve centimeter te ruim uitvalt, en de Karwei is natuurlijk al dicht dus ligt zoiets iets weer een halve dag stil, wat makkelijk uitmondt in één of meerdere jaren. Het boortje is weer nèt te dik, het plankje nèt te dun, de houtlijm nèt een paar dagen geheel verdroogd.

Wat ook zo vreselijk is: de rommel om je heen tijdens het klussen. Zaagsel op de vloer, schroefjes waar je met je knie bovenop gaat leunen, en dan moet je met je gebroken rug als alles enigszins klaar is ook nog opruimen. Laatst parket gelegd, wat in een impulsaankoop was aangeschafd. De eerste vierkante meters vliegen er op, maar dan de rest. Er komt een moment dat je na elke plank tien minuten op de bank gaat zitten kijken naar het resultaat.  En dan nog die plinten dus.

De hele week hingen er in huis overal briefjes, die mij er op dringende wijze aan herinnerden dat er in totaal nog zo’n drie meter plint gelegd moest worden. Dat heb ik vandaag dus gedaan; enorme voldoening, gevoelens van stoere mannelijkheid, een ongekend tempo want drie maanden na het parket liggen nu ook de plinten. Maar nu heb ik nog een kiertje ontdekt, waarvoor ik drie maanden geleden nog een opvulkit gekocht heb. En ja hoor, dat is dus nu verdroogd.

Het houdt nooit op. Straks maar eens horen wat het gezin nu weer voor vervelende klusjes bedacht heeft.

Spooktocht

spookbos

Een mens kan tegenwoordig nauwelijks meer ouderwets griezelen. Bang zijn kan wèl, te vaak zelfs. Doodsangsten kan iemand uitstaan; maar griezelen, nee, dat is niet meer van deze tijd. We weten alles al, we kunnen alles verklaren, we vinden het antwoord op Google, en als we verdwaald zijn hebben we GPS op ons mobieltje. Overal is bereik, de donkerste bossen worden gereduceerd tot een klein verlicht schermpje waaruit een zachte vrouwenstem ons de weg toespreekt.

Griezelen lijkt enkel nog voorbehouden aan kinderen, en dan ook nog in afnemende mate. Wauwel mocht daarin vanavond een bijdrage leveren in de vorm van een spook tijdens een spooktocht. De combinatieklas van de basisschool waar mijn vrouw werkt, is drie dagen op schoolkamp in de bossen bij Otterlo. Tien (!) kindertjes, van groep zes, zeven en acht. Een dorspsschooltje, maar wel een heel bijzondere, want dit zijn soms kinderen die angsten hebben meegemaakt waar een volwassene in zijn ergste nachtmerrie nog niet aan toe komt.

Het kampgebouwtje  is een omgebouwde veeschuur, met hufterproof meubilairvan het soort wat je op grote rommelmarkten gratis mee mag nemen. Zwakke, kille lampjes aan het plafond, en ouderwetse ijzeren bedden in zaaltjes die door de openstaande ramen een waar paradijs voor muggen vormen; het kan echter zijn dat deze levende have bij binnenkomst dood neervalt door de verpestende stank van zweetsokken.

De tien kinderen weten enorm veel lawaai te produceren; een argeloze passant zou hun aantal op vijftig schatten. De zenuwen voor de op handen zijnde spooktocht spelen ernstig mee. Wauwel begeeft zich met zijn spookattributen, vergezeld door enkele ouderspoken, in het werkelijk aardedonkere bos. De spoken installeren zich, halen zich de benen en nek open aan scherpe takken, en na enige tijd daalt de rust opnieuw in het struweel neer. Hier en daar schijnt heel vaag een lichtje.
Wauwel heeft zijn spookbenodigdheden strategisch geïnstalleerd: een lang stuk elastiek, één eind aan een boom aan de overkant van het pad gebonden. Zelf zit ik aan de andere kant tussen de struiken, en hou het andere eind vast, waaraan ik enkele plastic zakken heb gebonden. Op het moment dat de eerste huiverige groepjes langslopen, zal het elastiek losschieten en zullen de witte zakken rakelings en ritselend voor hun voeten langs bolderen.

Ik wacht. Het is doodstil nu, tussen de takken zie ik myriaden sterren, die een stadskind nog nooit gezien heeft en ook nooit zal zien zolang het niet tussen de woonblokken vandaan komt. Zulke kinderen bestaan. Nooit in een bos geweest, nooit echt in het donker geweest.
Het bos ruikt sterk, een vochtige aarde-lucht, met een vleugje paddestoel. Het is zwoel. Ik zou languit op de bedauwde bladeren willen gaan liggen, de kevertjes en herfstdraden over je huid voelen lispelen. Hoe ik ook probeer, ik word niet bang, er is niets griezeligs. Scharrelde er maar iets groots en gruwelijks door de duisternis op mij af, een sterke muskusgeur verspreidend. Was er maar een gesticht voor levensgevaarlijke boeven naast het terrein gelegen.  Vloog er maar een duistere schaduw voor de maan langs. Trok er maar een grondmist op die alle bomen op verkrampte gedaantes met knoestige armen en gezichten deed lijken.

Als kind riep ik vaak ’s nachts om mijn ouders: “Mama, gaat de stoel niet bewegen?” Wekenlang ging ik angstig slapen, omdat ik – het is echt waar – pal voor mijn gezicht in een grote opening in het behang een reusachtig, kronkelend en gelig glimmend weerwolfachtig wezen had zien kronkelen, na het voorlezen door mijn moeder van een verhaaltje van Annie M.G.Schmidt.

Er knapt een tak. Eindelijk! Zou het dan toch? Maar nee, een medespook gaat verzitten, het wachten duurt lang.Verderop in het zwart klinkt nu rumoer: de eerste groep heeft zijn eerste spook ontmoet. Gekrijs en gegil, zenuwachtig gelach. Daar komt mijn clubje aan, ze zijn inderdaad nauwelijks te onderscheiden. Nu voel ik toch die ouderwetse spanning van het bijna betrapt worden, dat heerlijke gevoel wat je had toen je als kind, als indiaan, in de struiken de cowboys langs je hoorde lopen, in het schemerige plantsoen. Je moest je bedwingen om niet schreeuwend overeind te springen, en je hoopte dat de avond, die zo heerlijk eindeloos leek te duren, nog lang niet voorbij was. Als je om negen uur naar je bed moest.
Een kind van nu beleeft, als het pech heeft, zijn avonturen binnen, aan de beeldbuis gekluisterd, tot elf uur ’s avonds. “Genieten” van de avonturen van bekende Nederlanders of hippe stellen, die omringd door camera’s, iets griezeligs moeten doen op een zogenaamd onbewoond eiland.  

Daar is de volgende groep, ik hoor mijn vrouw die een smartelijk huilend kind aan haar been geklemd weet. De juf als laatste houvast in de griezelwereld. Zo’n meisje wat een half uur geleden nog het hoogste woord voerde; hoe camoufleer je je angst- door stoer te doen. Een marteltocht is het voor haar. Zo snel mogelijk terug morgen, naar de stad en de televisie, weg van het bos. Ik laat het elastiek toch maar weer schieten. Hysterische uithalen zijn het gevolg.

Als we terug zijn, bij de limonade, de knakworstjes en het brood, is alle leed geleden. Ze voeren allemaal het hoogste woord, ogen op steeltjes, te groezelig om met een tang aan te pakken. Boswezentjes haast. Morgen is het weer voorbij, dan fietsen ze naar huis, vol met sterke verhalen. En dan gauw de tv op Jetix en de computer aan. Met chips op de bank.
Hopelijk denken ze er later aan terug, aan die momenten van heerlijke angst, van griezelen om een plastic zak aan een elastiek. Later, als je geen kind meer mag zijn, want dat is niet stoer.

Wat zegt u?

Een handig hulpmiddel voor de selctief horende puberEen beetje middelbare scholier is natuurlijk doof op de momenten die daarvoor geschikt zijn. Dat begint dus ’s ochtends bij het wakker worden; de wekker wordt niet gehoord. Ik zeg wekker, maar dat moet natuurlijk zijn : ’t mobieltje, want een wekker is natuurlijk voor trieste mensen uit de oudheid.
Daarna worden aan tafel allerlei belangrijke aanwijzingen die de hulpeloze ouder aan het kind poogt mee te geven natuurlijk ook niet gehoord. Het gaat dan om je pakketje brood niet vergeten ( je gaat toch ongelooflijk af als daar in de les de conciërge binnenkomt met je pakketje brood in de hand. Brood gooi je sowieso in de prullenbak want je koopt liever een familiepak chips ). Het gaat ook om je jas, dat je die dicht moet doen of zo en dat je iets op je hoofd moet doen, want het regent dat het giet. Ja het is wel goed. een beetje met dichte jas over straat gaan.

Ook de schoolbel wordt niet gehoord, en als men dan eindelijk in de les is gearriveerd en men zich met veel rumoer heeft geïnstalleerd, hoor je weer niet wat die leraar daar voorin de klas roept, want je hebt je mp3-speler nog aanstaan op maximum volume, en het is maar raar dat die vent schijnt te willen dat je hem uit doet, maar misschien heb je hem verkeerd verstaan.
In de pauzes zitten scholieren gezellig met z’n tweeën om de muziekspeler geschaard, allebei één oortelefoontje in en een Mars-reep in de hand. Huiswerk? Nooit van gehoord. Moet de juffrouw maar niet zo fluisteren.  Het aardige is nu, dat als je als docent fluistert dat ze morgen het eerste uur vrij hebben, dan hebben ze het ineens allemaal gehoord.  Toch sterk, als je je gehoor zo selectief kunt ontwikkelen. Het ligt er ook maar aan waar je interesses liggen. Tijdens een rumoerige les, waarbij alles door elkaar kakelde, had ik geen zin om met een lineaaltje op de tafel te slaan en ook geen zin om heel lang te wachten en niets meer te zeggen, wat altijd heel aardig effect heeft.  Ik riep toen heel hard door de klas : “SEX!”. Op slag was alles en iedereen stil en kon je een speld horen vallen in de golf van aandacht die mij ten deel viel.  Je dient je als docent dus een beetje aan te passen aan je publiek.  Wat trouwens ook patent werkt als het wat druk is: heel zachtjes beginnen te praten, nadrukkelijk tegen de stuudjes die vlak vooraan zitten. De rest, die van nature nieuwsgierig is, houdt dan vanzelf stil om toch maar vooral niets te missen. Zo spaar je je stembanden; zeker aan het begin van het schooljaar hebben die zwaar te lijden.

Waarom nu dit verhaal?  Wel, uit onderzoek onder 1500 jongeren van 12 tot 19 jaar is gebleken dat daar steeds meer gehoorschade voorkomt, vooral door het toenemend gebruik van mp3-spelers en mobieltjes. Die hebben betere accu’s, gaan dus langer mee, en kunnen ook steeds meer liedjes bevatten. Op mijn eigen iPhone tors ik momenteel iets van 32 uur muziek met mij mee.  4 op de tien jongeren gaan volgens het onderzoek problemen ondervinden, en één op de tien krijgt ernstige gehoorschade.  Een jongere kan blijkbaar niet meer zonder lawaai. Je kunt zeer  natuurlijk voor waarschuwen, maar dat is letterlijk en figuurlijk aan dovemansoren gericht. Ook het groepsgedrag speelt daarbij een belangrijke rol: je bent een sulletje als je je muziek op halve kracht zet, en ik moet de eerste puber nog tegenkomen die in de groep vraagt of de muziek wat zachter mag, tenzij het een liedje van Jan Smit is natuurlijk. Bovendien gaat de achteruitgang heel sluipend. Je merkt pas iets als je in de veertig bent, en als je eigen kinderen je toe brullen dat je gulp nog open staat maar dat je niet hoort wat ze bedoelen.

Dat gaat nog wat worden in de klas. Ik zie daar een docent die in een gecapittioneerde ruimte ( je moet tenslotte ook aan je collega’s denken ),versterkt door enorme Bose-boxen een biologie-lesje over het binnenoor staat te geven. De klas hangt voorover geleund in de bank om met behulp van gehoorapparaten op stand 10 nog iets van de les op te vangen. De helft weet niet waar hij of zij het over heeft. Neem nog een Fisherman’s Friendje meneer, want uw stem lijkt het te begeven.  In de ochtendpauze zit het halve personeel al amechtig aan de zuurstof. Mijn beste leerlingen trouwens waren steevast de doostomme leerlingen, die ook op onze school een plekje hadden. Zij hoorden alles wat ik zei, doordat ze gespecialiseerd waren in liplezen, en geholpen werden door een tolk. Straks standaard in de klas

Misschien tijd voor een totaalverbod op mobieltjes en muziekspelers op school, als bescheiden bijdrage in de bestrijding van de te verwachten problematiek. Of horen we zoiets liever niet? En hieronder nog een rustgevend muziekje. Ik geloof dat het Frans Bauer of Andre Rieu is.

[youtube]http://www.youtube.com/watch?v=tlNAxko12rc[/youtube]

Weer weekend, nummer zoveel

[youtube]http://www.youtube.com/watch?v=XZ8_81Qy9kg[/youtube]

’t Is nog steeds even weekend, dus weer tijd voor een aardig filmpje wat ik vond na een tip van collega edu-blogger Pierre Gorissen. ’t komt uit Denemarken, en per definitie is bijna alles goed wat ze in de Scandanavische landen aan film produceren. Deze is dus ook heel sterk.

Schilderen is ook een kunst

In Neurenberg zijn wat aquarellen van Hitler geveild  (voor de hedendaagse moderne student/scholier : Hitler was een hele nare man en die leefde in Duitsland in een oorlog, en die was weer ergens in de vorige eeuw of zo).
De velingmesster had het over het niveau van een dorpsschilder, maar toch; voor de drie kunstwerken werd uiteindelijk nog € 42000 betaald. Alles bij elkaar schijnt hij ruim 700 schilderijen en schetsen te hebben gemaakt.  Wat doe je met zo’n aquarel? Hang je dat aan de muur boven de eetkamertafel?  “Mag ik even het vlees en wat vinden jullie van dit schilderij van Hitler?”. Het schijnt dat meer beruchte lieden uit de geschiedenis zich aan kunstwerkjes van het niveau “Ik kan schilderen” hebben schuldig gemaakt. Uit deze opmerking spreekt natuurlijk enige jaloezie, want ik schilder zelf ook.
Stalin schijnt geschilderd te hebben, ik heb horen fluisteren dat ook Balkenende zo nu en dan naar het penseel grijpt, Saddam Hoessein, Djengis Khan, en de Noord-Koreaanse leider Kim Yong Il, om maar eens wat te noemen.
Iedereen die meent een druk bezet leven te hebben, die meent bekend of beroemd te zijn grijpt ook maar naar het penseel. Dan maakt het ook niet meer uit of je talent hebt of niet. Het is zoiets als het verplicht feesten en partijen bezoeken en zorgen dat je in het Stan Huygens-Journaal of de Privé komt. Wil je echt meetellen als BN-er, dan dien je toch ook een paar maal geëxposeerd te hebben. Ben je dus acteur of zanger, dan is het slechts een kwestie van tijd of je opent je eerste overzichtstentoonstelling in een yuppen-galerie.  Vanaf volgende week de bekende en begenadigd kunstenaar/zanger Jan Smit met collages van palingresten, lijntjes  coke en verscheurd ondergoed van Yolanthe.

Het omgekeerde gebeurt echter zelden: een goede schilder wordt nooit een bekend zanger of acteur. Maar ja, die heeft ook niet zo veel connecties in het artiesten-wereldje. Het kan toch niet zo zijn dat goed kunnen zingen een kunst is, of is goed schilderen soms geen kunst?
Op tv wordt hersenloos Nederland momenteel onthaald op het programma Popstars. Daarin bepaalt een jury van uitgerangeerde trieste BN-ers wie wel en wie niet kan zingen, daarbij geholpen door het tokkie-deel van het Nederlandse volk, wat dan sms-jes stuurt, hoe meer hoe beter graag. Eén van de onderdelen, zo zag ik in de voor mij eerste en laatste aflevering, was een zogenaamde ‘Mystery Popstar’, en dat moet natuurlijk weer een kind van een bekende  Nederlander zijn. Die kan dus fantastisch zingen, want je wilt als jury zo’n bekende Nederlander natuurlijk niet tegen de schenen schoppen en aangezien je allang weet wie dat is  en je van je baas zo je opdrachten hebt gekregen speel je het spelletje mee; je zorgt er voor dat de Mystery Popstar wel elke keer een beetje kritiek krijgt, maar doorgaan moet ze natuurlijk wel. Ik weet honderd procent zeker dat dit de dochter van André Hazes moet zijn. Een patje-peeër-programma moet dergelijke lieden natuurlijk promoten en alles draait om de pegels. Gaat het toch niet lukken, dan gaat ze gewoon schilderen. 

Zo gaat dat dus: wanneer het niet meer zo vlot met je artiesten-loopbaan, dan pak je een kwast, je volgt wat oude afleveringen van Bob Ross en vervolgens begin je wat te klodderen, succes verzekerd. Dikke prijzen voor je werkjes, en je mag aanschuiven in de rij van Hitler, Saddam Hoessein en Stalin.

Ik kan niet zingen, maar ik kan wel goed schilderen. Het klopt dus helemaal. Om weer even terug te komen bij Hitler en zijn denkbeelden: hieronder een afbeelding van een schilderij wat ik ooit eens aan het Herinneringscentrum Westerbork heb geschonken ( voor de moderne student/scholier : Westerbork is een alleraardigst dorpje in Drenthe ). Het is gebaseerd op wat ik zag in een barak van hetvoormalig concentratiekamp Majdanek in Polen. Ik geloof niet dat ze het hebben opgehangen, trouwens. Gelukkig weet ik wel hoe je bepaalde gevoelens op doek kunt verbeelden.

Majdanek