Bloed

 

Vandaag moest ik even wat bloed laten prikken, en dat kan hier in het dorpje B. op een centraal punt, waar alle zieken, gekwelden en mismaakten uit de wijde omgeving naar toe komen strompelen, lopen of rijden
Het heeft iets van een middeleeuwse markt: in een kamertje met veel glas bevindt zich de chirurgijn, in de gedaante van een in het wit geklede zuster. De deur staat in het algemeen wijd open. Voor de ingang en achter de ramen verdringen zich de nieuwsgierige dorpelingen, bloedprikbriefje in de hand, en leveren commentaar op de gebeurtenissen.
Dit commentaar geven gebeurt in een redelijk onverstaanbaar dialect, waarschijnlijk ook nog de orginele middeleeuwse variant.
“Ja, wie volgt!” roept de chirurgijn. Men stopt even met het bespreken van elkaars kwalen, die variëren van hevige aambeien tot gordelroos – ik mis eigenlijk nog de pest – en kijkt elkaar aan wie aan de beurt is. Ik blijk naar binnen te mogen, en doe snel de deur achter mij dicht.
“Wilt u de deur open laten!” klinkt de medicus dreigend. Iedereen geniet mee van mijn geboortedatum en of ik nog iets bijzonders heb te melden. Ik voel mij honderd jaar oud. Half en half verwacht ik een bakje met bloedzuigers aan te treffen voor het aderlaten, en en passant zal met een roestige tang ook nog wel een kies getrokken worden, waarbij hulpvaardige dorpelingen mij eerst wat brandewijn in de keel gieten ter verdovinghe ende bedwangh.
“Jaoh, noe hè’k loast auk nog een poar kippe op terf laupe. Die bint so allemaagtig aon de lèg.”
“Jaoh, zegt ie!”  klinkt het achter mij.  “Kiek, die meneer es auk al weer kloar!”

Het regent weer eens als ik buiten kom. Waar is de brandewijn.

Weg van hier: Carnaval

 

Het verschrikkelijkste feest ter wereld is zonder twijfel carnaval. Nog erger wordt het, als de viering plaats vindt in dorpen als Tweede Exlooërmond of Barneveld ( voor de UVA-studenten: beide dorpjes liggen bóven de grote rivieren, en die op hun beurt liggen weer in midden-Nederland). Kijk, met carnaval in het zuiden van Nederland heb ik niet zo veel moeite. Brabanders en Limburgers bezitten nu eenmaal – jah , laat ik het niet te kwetsend zeggen – flink minder hersencellen dan personen uit het noorden en midden des lands, hetgeen zich uit in het praten met een zachte  ‘g’  en wereldvreemd taalgebruik als “ons mam” en “ons pap”. Begrijpelijk dat men dan troost zoekt in het als Bokito verkleed rondhupsen en het slaken van fijnbesnaarde kreten als “Heja, hoja, jahaaaa!!” . Men kijkt daar een heel jaar naar uit, en m’neer P’stoor doet misschien ook wel mee.

De festiviteiten in de in het begin van mijn stukje genoemde plaatsjes en soortgelijke gehuchten bestaan in het algemeen uit een “feest” in de plaatselijke kroeg, de dag daarop gevolgd door een optocht van enkele versierde trekkers met aanhanger. Een en ander wordt meestal in de gietende regen en snijdende wind gadegeslagen door een tiental kleumende dorpsgenoten, die de volgende middag blijkbaar nog in staat waren zich van de barkruk te laten vallen om met rode neuzen van drank en kou naar de openbare weg te kruipen. 
Op de praalwagen- een enigszins schoongeveegde aanhanger waarin normaal varkens naar de slacht worden vervoerd- bevindt zich een tiental corpulente en jolige heren van middelbare leeftijd. Ze hebben vaak een brilletje met goudkleurig montuur ( Hans Anders ), bijna allemaal zo’n James Last-ringbaardje, een bierbuik en een slecht zittende smoking met een wittig overhemd, wat ontsierd wordt door vlekken eigeel en schroeigaatjes van gemorste as. Bij een enkeling staat de gulp nog open ( ze plassen natuurlijk allemaal staand en hevig spetterend ). Op hun hoofd een soort muts waarop wat uit de vogelpest-crisis overgebleven verlepte veren, en om hun nek hangen wat onbestemde versierselen van goudkleurig plastic, uit de zomeruitverkoop van de feestwinkel in de grote stad.  Met enige moeite houden zij zich in de gure wind staande en af en toe roepen zij iets van “Alaaf!”, maar niet te hard want je staat natuurlijk behoorlijk voor joker op zo’n kar en je bent ook niet meer zo helder bij je hoofd na de afgelopen nacht, dus elk geluidje doet zeer.

Na tien minuten is de tocht voorbij en kan men het etablissement weer in. Dat was dan weer het carnaval in B., voor de gelegenheid omgedoopt tot “Kiependaarp” of zoiets. De toeschouwers gaan weer verder met de boodschapjes bij de plaatselijke super en knabbelen wat aan hun Hema-worst. Ja, doe mij maar de lunchroom van de Hema eigenlijk, dat is pas ècht feest!

Wauwels Oudejaarsoverdenkingen

 

Wel, beste lezertjes, op deze laatste dag van het jaar past het ook Wauwel om nog enige overpeinzingen in de avond van het leven op te rispen. Terwijl ik dit schrijf is mijn woning in het dorpje B, ergens op de Veluwe, gehuld in dichte kruitdampen, die veroorzaakt worden door irritante buurjongetjes van een jaar of negen, waarvan de ouders het blijkbaar goed vinden dat hun kroost mogelijk een oogje of wat vingertjes gaat missen. Een stuk mond of stemband zou trouwens ook een aardige optie zijn.
Vuurwerk is toch zóóó 2007, iets voor paupers. Hopelijk vliegt er zo’n onbeduidend rotpijltje tegen mijn raam, dan kan ik schuimbekkend van razernij als een soort Boze Buurman de politie bellen. Niet dat die zal komen natuurlijk, maar het idee geeft veel voldoening. Een peloton ME, wat van drie kanten het huis binnenvalt ( ook met bijlen via het dak ), de knaapjes in kwestie plat op de grond liggend met gespreide ledematen ( als die er nog aan zitten ), als lekker brokje ten prooi aan verscheurende politiehonden, de beide ouders jammerend en handenwrijvend afgevoerd in een politiebusje. Explosieven-opruimingsdienst erbij, want mogelijk zware explosieven in de woning, SBS 6 filmt vanuit de lucht, en vanavond zal Milika Peterzon ons haarfijn verslag doen van de sensationele ontwikkelingen naast mijn huis. Wordt het toch nog een gezellige oudejaarsavond.
Want ja, wat moet je. Drie dochters, en alledrie weg naar onbestemde feesten die ongetwijfeld zullen uitdraaien op een orgie van geweld, drank en drugs op een tijdstip waar beide ouders al lang met een mooi boek in de hand onder het leeslampje in bed liggen, nog nagenietend van de Oudejaarsconference van Wim Kan die ze twintig jaar geleden op video hebben opgenomen. Neem jij nog een oliebol, schat. Nee dank je, ik heb er al twee op. ’t Is al tien over twaalf, is het niet eens bedtijd?
De hele avond TV-kijken is dus not done, hè? Niets vreselijkers dan allerlei “bekende” Nederlanders die mekaar weer eens dikke veren in de al zo volgeprikte kont steken of Paul de Leeuw die ons uitzinnig schreeuwend en blèrend door de klok van twaalf moet hijsen. 2008: Het jaar van het Kwetsen moet kunnen. Het jaar van Je ding willen doen. Het jaar van Schijt aan iedereen. Het jaar van Weg met ouwe zakken. Het jaar van Ik-eis-respect! Het jaar van Milieu, wat is dat? Het jaar van Patjepeeërs, Tokkies, Bumperklevers en VVD-ers met dikke varkenskoppen die het nog eens extra opnemen voor de autolobby en de bonusregelingen voor topmanagers. Het jaar van nog meer onderwijsvernieuwingen.
Wauwel is een beetje somber dit keer. Het wordt dus tijd voor alvast een eerste oliebol, dat brengt de stemming er alvast wat in.
En misschien wordt het ook wel een jaar van wat meer vrede op aarde, en van wat verdraagzaamheid, van mekaar de ruimte geven,  van wat minder nemen, van eens luisteren naar elkaar en van respect verdienen in plaats van eisen. Misschien smelten de ijskappen wel wat minder hard, misschien blijven we komend jaar kerngezond, misschien slanken we wel af, hoewel vandaag het blijde nieuws in de krant stond dat mannen met een buikje gemiddeld anderhalf jaar langer leven. Als dat geen goed begin is, dan weet ik het ook niet meer. Nòg maar een oliebol dus.
Ik wens alle lezers een gezond en gelukkig ( van het één komt vaak het ander ) 2008. 

Staakt, makkers!

Rellen op het dorpsplein

Het ondenkbare is dan toch gebeurd. Ook in het immer zo voortsluimerende dorpje B. op de Veluwe hebben zich vandaag tafrelen afgespeeeld die een weldenkend mens alleen maar in de achterbuurten van Amsterdam, die grote stad, zou hebben verwacht. Wat begon als weer een dag op het verstilde platteland ontaardde in een nachtmerrie van dolgeworden scholieren die ons zo geliefde gemeentehuis met EIEREN ( ja Barneveld, hè? ) bekogelden. Inderhaast opgetrommelde veldwachters zullen vermoedelijk met de blanke sabel de verhitte gemoederen uiteen hebben geslagen, en ik heb vernomen dat ook tanks uit de omliggende legerplaatsen zijn opgerukt om op het plein voor ons gemeentepaleis strategische posities in te nemen. Boven het dorp cirkelen helikopters en kolken donkere rookwolken van brandende autowrakken, schoolgebouwen en gemeentewerken, en uitzinnige bendes scholieren trekken plunderend en verkrachtend door de Dorpsstraat op weg naar de chips- en breezerafdeling bij Albert Heijn. Gelukkig bleek de directie van een  technische school alhier door krachtig en onvervaard optreden de woedende meute binnen de hekken te kunnen houden: men schijnt zichzelf aan de hekken te hebben geketend zodat deze niet konden worden geopend zonder enkele managementleden te vierendelen, en dat schijnt de bloeddorstige horde toch wat te machtig te zijn geweest, zeker als je net een kroketje uit de kantine op hebt.
De plaatselijke krant toont ons vanavond door een angstige verslaggever genomen wazige – want van grote afstand gekiekt – foto’s van  groepjes pubers die hevig overleggen over verder te ondernemen acties.  B. in rep en roer!

En dat alles over de 1040-urennorm van verplicht op school zitten, maar wat dat is, dat moet je de scholieren niet vragen. Zo’n lekker tussenuurtje en een beetje rellen moet kunnen. 1040 uur? Nooit van gehoord. Staken? Uitstekend, maar niet op vrijdagmiddag, want dan loop ik mijn krantenwijkje of moet ik indrinken of moet ik vakkenvullen.
Gelukkig wordt de norm een beetje aangepast. Er mogen ook wat uurtjes voor persoonlijke begeleiding in ondergebracht worden, en een aantal uren maatschappelijke stage, zoals vastgekoekte eieren verwijderen van de ramen van een gemeentehuis, erg leerzaam en vormend allemaal. Haast elke leerling heeft tegenwoordig ADHD, het syndroom van Asperger, Borderline, is autistisch, dyslectisch of dyscalculisch, is manisch depressief, vertoont tekenen van agressief gedrag, heeft papier-allergie of geregeld last van Gilles de la Tourette. Je maakt het allemaal mee tegenwoordig, in die 1040 uur dat je ze voor je neus hebt.
1040 uur is wel wat veel ja. Straks moet ik ook nog staken.

In de baas z’n tijd nog wel

Met dank aan Peter de Wit : http://www.sigmund.nl/ 

Bij het nagaan van wie er zo allemaal een bezoekje aan dit boeiende weblog van mij brengen, stuitte ik op de dag dat onderwijsminster Plassterk als een “vrolijk mens” in de krant stond, op een ernstige ongereimdheid in de arbeidsethiek van bepaalde collega’s.
Tot mijn verbijstering ontdekte ik dat om 12.53 uur, een collega van het Johannes Fontanus College in het plaatsje Barneveld op de Veluwe ( van die zwijnen, ja ) mijn site heeft bezocht en deze ook nog als bookmark heeft toegevoegd.
Dat kan een aantal oorzaken hebben:

  1. Deze collega heeft pauze. Tijdens de pauze hoort een docent beschikbaar te zijn om vragen van leerlingen of verontrustende ouders te beantwoorden. Als die vragen er niet zijn, dan is de docent gerechtigd om in de personeelskamer zijn of haar boterhammetje met tevredenheid te nuttigen. De pauze is zeker niet bedoeld om een beetje voor privé te gaan rondsurfen naar onbeduidende sites zoals deze en als daar vaak ook nog zulk ongunstig taalgebruik ten opzichte van allerlei mooie onderwijsvernieuwingen wordt gebezigd dan is het al helemaal mis.
  2. Deze collega is 52 jaar of ouder en heeft zojuist  uit de krant vernomen dat de Minister van Onderwijs heeft besloten de salarisverhoging van docenten te bekostigen uit het langer laten doorwerken van ouderen en het halveren van vrije dagen van deze groep. Deze persoon ziet zich dus op zeventigjarige leeftijd nog voor de klas staan of hangen, overeind gehouden door een infuus en allerlei kabels die via de door school verstrekte rollator naar zijn gehoorapparaat of wat voor vitaal lichaamsdeel dan ook lopen. Deze persoon is door dat denkbeeld dermate van streek geraakt, dat hij of zij besloten heeft de pijp terstond aan Maarten te geven, en opruiende websites te bezoeken in de baas z’n tijd, in de hoop dat zo een arbeidsconflict ontstaat waardoor hij of zij het tot zijn pensioen thuis achter de geraniums kan uitzingen.
  3. De collega is jonger dan 52 en gewoon bezig met de les volgens de methode waarbij leerlingen zelf hun leervraag bepalen. Maar aangezien het vrijdagmiddag is bezit de leerling naar alle waarschijnlijkheid geen enkele behoefte meer om wat voor leervraag dan ook te stellen, en is de leerling reeds lang vertrokken om de competentie “zelfredzaamheid in lastige maatschappelijke situaties” in de Mac Donalds uit te proberen. Gevolg is een lege leertuin annex uitdagende leeromgeving, waarin alleen de docent als coach nog een beetje zit te internetten  op zoek naar een zinvolle aanvulling op zijn Persoonlijk Ontwikkelings Plan. Een link naar Wauwel doet het daarin natuurlijk altijd goed. 
  4. De persoon is geen docent maar leerling die niet aan de 1040-urennorm voldoet en dus op vrijdagmiddag al vrij is maar die nog wat in de leerwerkruimte wil MSN-nen en nog wat Googlen op zoek naar een leuk kant-en-klaar werkstukje.

Maar goed, in alle gevallen draag ik de onverlaat voor schorsing voor en ik verzoek de persoon in kwestie dan ook eerlijk voor zijn of haar daad uit te komen middels het klikken op “Reacties”, en vervolgens te vermelden wat hij of zij hier eigenlijk zocht.  Ik zou trouwens van alle vaste bezoekers wel eens willen weten wie ze zijn en waarom ze hier komen. Reageren dus maar.

Zwijn

Ik woon zo’n beetje op de Veluwe en daar heerst een zwijnenplaag, zegt men. Elke ochtend kijk ik dus vol verwachting uit mijn raam in de hoop dat een fikse kudde mijn grasveld heeft omgeploegd, maar het enige wat ik zie is de kat die naar binnen wil en in de verte wordt de horizon tegenwoordig verpest door ambitieuze bouwsels, die nu niet direkt ronddolend bosgedierte doen vermoeden. De zwijnen houden de gemoederen hier ernstig bezig. Hadden wij hier jaren geleden Sneeuwvlokje, een albino-zwijntje wat net als ijsbeertje Knud de harten van velen veroverde, daarna scheen er een dolgeworden poema rond te waren en zich verdacht in mijn achtertuin op te houden en nu dan dit weer. Nietsontziende evers overvallen argeloze kampeerterreinen, botsen tegen automobilisten op en spitten volkstuintjes en boerenakkers om ver.  Wij gaan duidelijk terug naar de natuur en naar de oertijd. Straks nog wat wolven erbij en de echte ouderwetse wintergedachte is weer compleet.
Men beraadslaagt hevig over hoe de beestjes te decimeren. Ik stel een leger-excercitie voor. Men wil inkrimpen, waarom dan niet het spul even degenlijk inzetten: gewoon een stel F16’s en dan met napalm die bossen bombarderen. Niks drukjacht, dat is voor mietjes. Iedereen gebraden zwijn in het kerstpakket, want dat zit er ook weer aan te komen.

Nachtmerrie

 

Er zijn van die momenten waarop het lijkt dat ineens alles zich tegen jou keert. Ik ging net even boodschappen doen in mijn geliefde dorpje B. Even naar de AH. Zodra ik de winkelstraat inliep had ik de indruk deel te nemen aan de Torenbouw van Babel, kort nadat de beruchte spraakverwarring had toegeslagen: het was vrij druk en toch hoorde ik alleen maar Pools of andere onverstaanbare talen om mij heen. Van alle kanten schampten gesprekken in exotische talen langs mijn oor, en even dacht ik te dromen. Je kreeg ook de indruk dat mensen je probeerden te rammen of ineens een schichtige uitval naar je deden.
De hemel was grijs en naargeestig, de atmosfeer kil en toch drukkend. En ik moest alleen maar wat lof, ham en kattenbrokjes hebben.
De lof was uitverkocht. De ham was haast onbereikbaar doordat mensen her en der hun winkelwagentjes onbeheerd lieten staan of er mee tegen je schenen stootten. Ook zo wat: een gezin met drie kinderen, die alledrie nog eens zo nodig zo’n klein kinderkarretje moesten rondrijden, als dolgeworden horzels tussen de menigte door. De hele supermarkt leek gevuld met Tokkies, Sjonnies en Anita’s. Vóór mij enorme rijen bij de kassa’s. Eindelijk bijna aan de buurt, het geduw achter mij negerend en onopvallend hard terugduwend, wat woedende blikken opleverde.
“Deze kassa is gesloten meneer!”. Een nieuwe rij dan maar. Enkele klanten voor mij een bejaarde, die zeker drie verschillende tassen bij zich had waarin twee portemonnees zaten.  Uit de ene werd papiergeld gehaald, uit de andere muntgeld.  Eindeloos natellen en nog eens tellen. Abrupt stilhouden om de bon nog eens te controleren en daar vragen over te stellen. De volgende klant: één produkt was niet geprijsd, daar moest over gebeld worden. Als ik in een rij sta, gaat de andere rij altijd sneller. Ga dus nooit in mijn rij staan. De kassarol was leeg. Moest vervangen worden.
Eindelijk stond ik verhit weer buiten. Recht op mij af kwam vervaarlijk slingerend een vreemd misvormde vrouw aanzetten. Ook dit liep goed af. Gelukkig, daar was de auto. Snel ingestapt.
Bijna thuisgekomen, begon een verpestende stank het auto-interieur te vullen. U raadt het al: ik was in een enorme hondendrol gestapt, welke zich nu fijn in het profiel van mijn bergwandelschoenen had genesteld. Leuk, snel even boodschapjes doen.