Jaloers

Een van de meest desolate en neerslachtig makende plekken op aarde is toch wel het station van Barneveld. Nou ben ik in mijn lange leven op veel afgrijselijke plekken geweest, maar deze plek, van alles en iedereen verlaten, spant toch wel de kroon.
Het station in kwestie -er zijn er in dit onooglijke dorpje op de Veluwe zelfs drie!- is hier Barneveld-Centrum. Creatieve lieden hebben in latere tijden nog een station Barneveld Noord en een station Barneveld Zuid aangelegd.
Het station is gelegen aan de zogenaamde kippenlijn, die Amersfoort met Ede-Wageningen verbindt. Kippen ( zo’n 3,2 miljoen stuks ) zal de reiziger in en om Barneveld overigens niet zien, want die zitten allemaal in enorme fokfabrieken hun fijnstof tot ver in de omgeving te verspreiden. De kippen die je wél zou kunnen zien, zijn meestal opgehokt.

Terug naar het station: als je via het enkelspoor vanuit het noorden of het zuiden Barneveld benadert, torent boven alles uit een soort enórme grijze Führerbunker, die de skyline van dit dorp al van verre domineert. Men praat al een paar honderd jaar over het verplaatsen van dit object, om het stationsgebied een “bruisend aanzien” te kunnen geven, maar het gebouw is een veevoederfabriek en dat overklast alle verdere belangen die iets met ethiek, natuur en milieu te maken hebben.
Toen ik hier in 1992 kwam wonen bezocht ik voor mijn werk (docent op een middelbare beroeps opleiding voor veehouderij en dierverzorging) als argeloze stedeling een happening waar het dorp jaar in jaar uit naar uitkeek de Gallinova. Dat was een soort kruising tussen een huishoudbeurs en de Kamasutra-beurs voor boeren en buitenlui, een uitje van formaat. Zo kon je je vergapen aan likstenen voor kalveren, mestschudders, snavelafbranders en opfokhekken voor drachtige vaarzen, maar je kon ook meedeinen op de dreunende klanken op hele noten die uit de stand van een reformatorische harmoniumbouwer opstegen. voor elk wat wils dus, sammaar zeggen.
Mijn school had daar een standje gehuurd om leerlingen te werven. Daar sprak mij een oudere collega aan van de Praktijkschool, waar wij nauw mee samenwerkten. In mijn argeloosheid merkte ik op dat ik de veevoederfabriek toch wel een erg lelijk en stinkend gebouw vond, en dat het ding wat mij betreft per direct gesloopt mocht worden. Dat heb ik geweten. De collega ontstak in schuimbekkende woede, reeg mij nog nét niet aan een hooivork en toog de maandag daarop ogenblikkelijk naar het over mij gestelde schoolgezag in mijn ontslag op staande voet te eisen. Wat denken die stedelingen wel niet.

Maar goed, ik dwaal wat af. Ik heb over mijn schoolbelevenissen daar al heel wat geschreven, en aangezien ik het gehele weblog van de oude plek www.wauwel.nl naar deze nieuwe plek heb verhuisd, bladert u maar wat terug als u er meer van wilt weten.
Het station dus, dat je vanuit bijvoorbeeld Amsterdam enkel nog kunt bereiken als je vandaar de trein van 18:30 uur ’s avonds neemt ( nou ja, misschien iets later, maar veel scheelt het niet ), en dan moet je het laatste stuk met de Valleilijn. In de de wagons hangt op diverse plekken een tv-scherm, waarin je een opgenomen VHS-video – zo lijkt het – van de gehele route kunt volgen.
Het is ook in hoogzomer op die video altijd winter: kale bomen en veel regen, veel regen, voortdurend gaan de wissers heen en weer en af en te vertroebelen druppels het beeld. En dan doemt daar in beeld uit de grauwe mist die fabriek op ( ook als je bijna in Ede bent ), want het filmpje loopt niet gelijk met de route.
Het grote voordeel van station Barneveld is overigens dat je er niet kunt verdwalen: er is een spoor 1 en een spoor 2, en de uitgangen leiden allemaal naar het bruisende centrum, wat bij eerste nadering bestaat uit een grote parkeerplaats op een verder verlaten plein. Er is ook een wachtkamer, maar daar heb je een beetje het gevoel dat je al tien jaar in een dodencel op het onvermijdelijke einde zit te wachten. Bij wijze van ontsnapping zou je even naar de dichtbij gelegen Albert Heijn kunnen wandelen.

Barneveld moet het dus doen met het meeste desolate station op aarde. Dat is niet eerlijk. Wat is namelijk het geval: het eindpunt ( of beginpunt ) van de Valleilijn is namelijk station Ede-Wageningen. En hier begint nu het zuur. Ede heeft een nieuw station, en dat is deze week geopend. collega blogger MO uit Ede schreef daar vandaag een mooi stukje over.
Ik vind dat niet eerlijk. Station Ede-Wageningen was al die jaren dat ik hier nu woonde bijna net zo desolaat als station Barneveld Centrum, en nu doet men zoiets; kosten nog moeite worden gespaard, en wij, wij moeten het doen met een grauw optrekje, 2 perronnetjes en zicht op een enorme veevoederfabriek en een grote parkeerplaats. En als wij naar de echte grote wereld willen moeten wij altijd of via Amersfoort óf via Ede. en ze hebben in Ede ook nog eens meer kippen: 3.6 miljoen.
Die veevoederfabriek moet écht weg. En een directe spoorverbinding met Wenen, Kopenhagen, Gstaad of Dubai . Dat zal ze leren in Ede. En ik wil ook meer kippen. Of nee, toch niet. Laat die liever allemaal maar vrij

Doe mij maar een trapharmonium

In dorpje B. op de Veluwe zijn de gemoederen de laatste dagen ernstig verhit. We leven in een tijd die gekenmerkt is door ik-gerichtheid. Dat wordt natuurlijk ook wel een beetje gestimuleerd door het over ons gesteld gezag, waaraan we ons natuurlijk dienen te onderwerpen, en wat we ook enigszins zelf over ons hebben afgeroepen. Ook de Veluwe ontkomt daar niet aan: we moeten steeds meer zelf ons hoofd boven water houden wanneer we niet in de gelukkige positie van VVD , CDA of PVV-stemmer ( “Ingrid, doe mij nog drie blikkies bier!” ) zijn. Er wacht ons dan de dreiging van uitzetting ( wanneer we bijvoorbeeld voor het milieu opkomen of anders denken dan rechts ) of van het totaal inhouden van subsidie of geldelijke steun ( wanneer we iets voor de medemens in onderontwikkelde landen willen doen  ). Heb je zoals ik ook nog de pech om in het onderwijs te werken, dan mag je ook nog de opvoedkundige taak van ouders overnemen en de verzorgende taak van instanties die zich tot voor kort met “rugzakleerlingen” bezig hielden.
Van dit kabinet mogen vrijwilligers allerlei taken overnemen. En zijn die er niet, dan is dat jammer, maar er is helaas geen geld meer om dat soort economisch niet interessante zaken te ondersteunen. Bedrijven en banken hebben dat geld tenslotte méér nodig, want anders komt volgens de logica van onze regeerders onze economische positie in gevaar. Dat gezeur van die chronisch zieken, dementerende bejaarden, psychische gestoorden en andere niet-winstgevende types ook. Die zijn hinderlijk aanwezig. Typisch gevalletje van mandje met aandelen verkeerd beleggen en te eerlijk zijn om zwart geld bij elkaar te sprokkelen.

Toch zijn er nog lieden die zich het lot van de ander aantrekken en zonder eigenbelang anderen helpen. Ook in dorpje B. op de Veluwe. Zulke mensen zouden dus wel eens een aardigheidje verdienen, dacht men daar. Geen geld naturlijk, maar wanneer je ze nou eens allemaal tracteerde op een leuke circusvoorstelling in het plaatselijke theater; zoiets schept toch een band en houdt de sjeu er een beetje in. Men zocht en vond, en kwam uit bij het Wintercircus van ene meneer Martin Hanson: goochelaars, gedresseerde honden, wat mensen die op elkaars schouders leuke dingen doen, en tamme eenden die een aardige act opvoeren vóórdat ze met de kerst in een driedubbele salto achterwaarts gehoekt geheel zelfstandig in de braadpan springen. Muziekje erbij, beetje feestverlichting, een avondje gezelligheid voor jong en oud. Geen sex, geen gevloek, het hoogtepunt van erotiek mogelijk een juffrouw in een strak glitterpakje die met kegels jongleert. De avond raakte al snel vol geboekt, want gratis en cultuur, en ook nog eens iets met elkaar en voor elkaar doen, dat zijn begrippen die tegenwoordig nog maar moeilijk samen gaan.

Hoe sneu nou toch dat in dorpje B. er lieden zijn, die in een gezellig ongedwongen avondje genieten de hand van de duivel himself zien. De lokale SGP maakt bezwaar tegen dergelijk werelds vermaak, want de muziek en het licht roepen een uitbundige sfeer op, en dat mag natuurlijk niet wanneer je in God gelooft. Stel je voor zeg, een beetje lachen om iets leuks, klappen om iets moois en dat ook nog eens onder een verlichting die als “feestelijk” te omschrijven is, dat kan onze lieve Heer nooit bedoeld hebben.  Of je al met één been in de hel beland bent. Tot overmaat van ramp treden er ook acrobaten op, die daarmee “hun leven in de waagschaal stellen”. “Acrobaat dodelijk getroffen door neervallende gekleurde sjaal”, zou wel eens de sensationele krantenkop de day after kunnen zijn. Zo moet het dus niet. Wanneer er in dorpje B. al überhaupt iets te vieren valt, dan doen we dat met stemmige samenzang bijvoorbeeld, onder begeleiding van een amechtig trapharmonium op hele noten. Dat vinden alle vrijwilligers vast leuk. Het is vét uit je dak gaan tegenwoordig, daar in dorpje B. op de Veluwe. Komt allen!

Noot: Volg de discussie in de lokale krant hier.

Cultuur

In een westelijke uithoek van de Veluwe ligt dorpje B. Het leven kabbelt daar al eeuwen rustig voort en temidden van kippen, eieren, aardappelen met jus gaan de bewoners door de weeks naar het werk en  op zondag naar de kerk. De tand des tijds en de vaart der volkeren hebben ook in dorpje B. niet stil gestaan, en zo komt het dat men nu niet alleen zondags ter kerke kan gaan, maar bijvoorbeeld ook naar een stukje werelds vermaak in de vorm van een optreden van een big band in – nog wereldlijker- een nieuw gebouwd muziektheater.  Daarbij is men niet over één nacht ijs gegaan. Jaren strijd is er aan voorafgegaan, maar deze zomer was het dan eindelijk zo ver en kon het nieuwe theater zijn deuren openen
Was er eerst sprake van een kier, de laatste maanden staan ze redelijk voluit open en dus kon Wauwel genieten van een optreden van de Big Band van de plaatselijke harmonievereniging. Dat laatste roept associaties op met lieden  op klompen en in een blauwe kiel, waar men in dit dorp te pas en te onpas patent op lijkt te hebben, maar niets is minder waar.

Een afgeladen ruimte en vette stampende jazz waren het resultaat. Het publiek had zich eerst wat onwennig in een keurige kring op stoeltjes rond de muziekstandaarden geschaard, mogelijk in afwachting van de preek en de collecte. Toen de bandleider met gevolg dan ook neerstreek in de zaal daalde een ernstige stilte neer in afwachting van de eerste tonen. Gelukkig wist hij de aanwezigen er aan te herinneren dat een jazzoptreden vergezeld moest gaan van omgedraaide of liefst helemaal geen stoelen, van een luidruchtig pratende en drinkende menigte, van de geur van bitterballen, en alles gedompeld in een ondoordringbare mist van sigarettenrook. Op dat laatste na lukte het heel aardig deze sfeer te creeëren, en werd de bevrijding uit de culturele barbarij waarin dorpje B. eeuwenlang verkeerde, duidelijk zichtbaar.
Het drinken ging nog wat zuinigjes, want met exorbitante prijzen van € 3,50 voor een bodempje wijn uit twee verschillende flessen moet je ongeveer miljonair zijn om aangeschoten te raken. Gelukkig waren de bitterballen dan weer gratis, en het concert zelf natuurlijk ook.
Met jazz heb ik altijd de associatie van dertigers in een coltrui met een ringbaardje, een sikje en meekleurende brilleglazen, waarschijnlijk is dat ingegeven door de hilarische sketches uit The Fast Show. Vroegâh had je op de radio ook altijd zo’n jazz-programma met een presentator die heel erg zijn best deed om ook zo “cool” mogelijk te klinken. Dat heeft me een jarenlange afkeer van jazz opgeleverd. Het luisteren naar dit soort muziek was sowieso een redelijk illegale bezigheid, want ik werd op zondagmiddag altijd groot gebracht met het opre- en belcantoprogramma van Radio Brussel, wat altijd met de zelfde dreunende melodie begon, ik geloof iets uit de “Barbier van Sevilla”. Hoe gruwelijk toen, terwijl ik nu heel goed klassiek kan waarderen en bewonderen, op dat ene stuk na dan.  Ook altijd weer die associatie met inderdaad die aardappelen met jus, en doorgekookte brusselse lof erbij, waarin klontjes maizena dreven, en een stuk vlees met lillende zeentjes die vreselijk tussen je tanden knersterden. “Het beste van het beste”, merkte mijn vader daar altijd bij op.  Ach, je zou er nu wat voor geven weer dat moment mee te mogen maken.

De cultuur heeft dus nu ook dorpje B. op de Veluwe, als een der laatste bastions, geslecht. Wauwel hoopt ernstig dat het niet bij één ker per maand op zondagmiddag blijft, maar dat we de komende gure winterzondagmiddagen wat vaker kunnen genieten van geroezemoes, de lucht van bitterballen en de swingende tonen van een (big) band. Het is weer eens wat anders dan een legpuzzel van 1000 stukjes of een leerzaam boek over de geschiedeins van het kantklossen..

[youtube]http://www.youtube.com/watch?v=DMBHkntOMtk[/youtube]

Dierendag in dorpje B. op de Veluwe

Een reformatorische maraboeTijdens mijn dagelijks fietstochtje naar het eerbiedwaardige onderwijs instituut waar ik mijn centjes zuur verdien, passeer ik geregeld een geheel in het zwart geklede man, die met peinzende blik zijn ook geheel zwarte hond aanschouwt, terwijl dit dier zijn behoefte doet in het aanpalende plantsoen. Dit is dus een reformatorische hond, waarvan er in dorpje B. op de Veluwe vele zijn. Een buitenstaander zou denken dat zo’n hond een wat tobberig, somber en drukkend leven leidt: je wereld gaat niet verder dan het nabij gelegen perkje, waar een enkel grassprietje tussen de drollen door een hopeloze strijd voert. Misschien twee keer op een dag het rondje om de kerk, dat wel. Als reformatorische hond kom je een enkele keer een lotgenoot van de andere sexe tegen, maar dan is het nog maar even afwachten of dit ook een reformatorisch exemplaar betreft, want anders kan van enige ontmoeting geen sprake zijn,  laat staan dat andere, waaraan honden zich soms te buiten willen gaan, ongeacht hun kerkelijke achtergrond. De  verschillen in geloofsbeleving strekken zich dus ook tot de dierenwereld uit. Wat doet de doorsnee reformatorische hond verder? Ja, wat heen en weer wandelen van de mand naar het plantsoen, wat ruiken aan een lantaarnpaal, en op zaterdag een wandelingetje door het buurtbos.

Men zegt wel eens dat dieren op hun baas lijken en omgekeerd. Texelaars lijken op schapen, boxers hebben een bokser als baas, dat werk.
Religies zijn er in ongelooflijk veel variëteiten, en in de meeste religies houdt men huisdieren. Ieder zoekt het dier wat bij hem of haar past. Zo zie ik dus reigers, maraboes, gnoes als typisch reformatorische dieren: een beetje kleumerig, treurig, schuwig. Donker verenkleed of vacht, zich statig verplaatsend. Een reformatorische kanarie zal niet gaan. Je leert zo’n beest eenvoudig niet om op hele noten te zingen. Evangelischen houden weer een ander slag dieren; daar zou je een kanarie kunnen aantreffen, maar die heeft toch meer iets rooms-katholieks, iets van het goede leven. Nee, ik vind de spreeuw een typisch evangelische vogel, en bijvoorbeeld het stokstaartje een typisch evangelisch dier. Blij, kwiek, in grote groepen druk geluiden makend en bij elkaar hokkend, een luchtig en vluchtig bestaan. Kijkend naar de hemel. Zou er eigenlijk een dierenhemel bestaan? Daar zou je toch wel in moeten geloven, als je tenminste een beetje van je dier houdt.

De gewone doorsnee gereformeerden doen het weer wat rustiger aan: ik zie daar goudvissen ( twee, in een kommetje met een plastic plantje ). In zo’n aquarium heb je alle tijd voor momenten van stilte en bezinning, door het glas zie je de wereld aan je oog voorbij trekken. Bij gewoon gereformeerden horen ook wandelende takken en bijvoorbeeld  zo’n kaalgeplukte grijze roodstaart papegaai, met zo’n roze, veerloze nek, knabbelend op een nootje ( pepermunt-smaak ).
Ja, en dan onze islamitische medemens, die is volgens mij niet zo huisdierderig…het schaap is ook zo’n dooddoener.  Een valk zou kunnen, of zo’n dromerig ezeltje in een zonovergoten landschap, de hoeven schrapend in het zand.

Verder hebben we  hier wat atheïsten. Eigenlijk ook een geloof: de één gelooft dat er Iets is, de ander dat er Niets is. Atheïstische dieren zie je in dorpje B. op de Veluwe niet veel. Hier en daar een verdwaalde pitbull of een Deense dog, en laatst lag er nog een platgereden egel langs de weg, vlakbij de inrit van een enorm groot kerkgebouw aan één der invalswegen.

Ik heb twee katten. Die zijn een beetje eigenzinnig, soms onvoorspelbaar, bewandelen geregeld een weg die je niet verwacht. De eigenaar lijkt op zijn dier, ja. Die gaan dus op Dierendag, verwend worden, hetgeen inhoudt dat ze restjes taart krijgen van de afgelopen verjaardagen hier in huis. Alle dieren zullen op die dag verwend worden, alleen voor de reformatorische exemplaren is het wel een beetje sneu. Deze keer geen feest voor hen. Dierendag valt namelijk dit jaar op een zondag. Eens kijken of ik voor de buurkat niet stiekum een schoteltje taart kan neerzetten. Zo’n beest mag ook wel eens verwend worden. Het is van harte gegund.

Piemel (of: De Wraak van Mulisch )

In het dorpje B. op de Veluwe, is deze week iets vreselijks gebeurd. De lokale krant berichtte er al over. Het dorp praat er over in bedekte termen. Er is een man geweest, die heeft zijn piemel laten zien. “Schennis gepleegd”. Heel vervelend allemaal, want hij deed dat bij een groepje kinderen op een plek waar je dat al helemaal niet zou verwachten, namelijk de plaatselijke bibliotheek. Dat is dezelfde bibliotheek die de landelijke pers haalde door ongeveer als enige in Nederland het boek “Twee Vrouwen” van Mulisch niet gratis aan de lezers uit te delen, wegens het “aanstootgevende karakter” van sommige passages in het boek. Dat zoiets nu uitgerekend in die bibliotheek moet gebeuren.  Die bibliotheek waar in de boeken woorden als “piemel” direkt worden doorgestreept door een hele schare geschokte lezers.  Piemels en soortgelijke lichaamsdelen bestáán gewoon niet meer in deze bibliotheek. Die worden vernietigd.

Men heeft de beelden van de bewakingscamera geobserveerd, maar helaas was het gezicht van de dader niet herkenbaar. Het móet Mulisch zelf wel geweest zijn. Als wraak. Want waarom zou je je gezicht onherkenbaar maken als je geen bekende Nederlander was.  Het personeel van de bieb heeft beloofd de komende tijd mogelijke piemels scherp in de gaten te houden. Je moet toch wat als alles al doorgestreept of weggescheurd is.

Je bent ook wel een beetje zielig als je juist in die bibliotheek met je piemel gaat lopen zwaaien. Het lijkt me ook zo’n gedoe trouwens, zeker in de winter, met al die jassen en dikke broeken aan. Een mens zit gelukkig perfect in elkaar. Alles is redelijk verborgen. Want stel je voor dat wij geboren waren met onze geslachtsdelen – ik noem maar wat – boven op ons hoofd? Dan waren de sociale contacten heel wat moeizamer verlopen. Je kon als man je hoed niet meer fatsoenlijk voor een dame afnemen. Of iemand lekker over z’n bol aaien. Schaamhaar op je hoofd. Niet meer jezelf eens even vragend op je hoofd krabben. Al die shampoo-reclame op tv in één keer verbannen naar de later avonduren. En kappers en kapsalons, heel onsmakelijk allemaal.  Iedereen met zo’n Unox ijsmuts op. Ziet u het al voor zich. 

Ik draaf weer door. Ik ga maar even een wandelingetje maken. Het is koud, dus muts op.

Lelijk

De allerlelijkste plaats ter wereld is zonder twijfel het dorpje B. op de Veluwe. De diverse gemeentebesturen hebben het in een rap tempo voor elkaar gekregen om dit dorp vol te stouwen met monstruositeiten, en wat nog maar enigszins naar vroeger riekte werd rücksichtloos tegen de vlakte gegooid en vervangen door lelijk beton, al dan niet extra opzichtig verlicht door bijvoorbeeld blauwe tl-buizen; dat laatste in het geval van een transferium, bedoeld om auto’s naar een iel stationnetje te lokken. Door de verlichting heeft het in de avonduren iets van een mistroostig leegstaand sexparadijs.

Aan de andere kant van het dorp staan twee inmiddels in Nederland beruchte bastenen kerk-kolossen, die door hun omvang alleen al het licht uit de hemel aan de niet-gelovige lijken te willen ontzeggen. Niet iedereen vindt B. lelijk. Zo is er een enthousiaste hotelier, die op het industrieterrein van B., gekenmerkt door al jaren leegstaande kantoorkolossen, een luxe hotel wil bouwen, want “je hebt daar zo’n mooi uitzicht op B. en het is een ideale plek voor toeristen die de Veluwe willen bezoeken.” . Dan ga je als toerist dus naar een van de mooiste plekken van Nederland toe, en dan ga je logeren in een hotel wat uitkijkt op het terrein van een autoveiling, gelegen naast een blauw verlichte hoerenkeet. Hoe verblind, of hoe optimistisch kun je zijn.

Nu heeft de gemeente besloten om op alle invalswegen van B. ruim 800 lichtbakken met reclame te plaatsen, geheel tegen de wens van de bevolking in. Maar ja, die bevolking, dat is inderdaad lastig, die is hinderlijk aanwezig als je plannen hebt om een metropool van je dorp te maken. In stilte droomt het bestuur ongetwijfeld ook al om delen van de Olympische Spelen naar B. te halen. Tegen die tijd zal de dolgeworden bevolking wel gedecimeerd en gedeporteerd zijn. Ik zou zo in deze Sinterklaastijd willen zeggen: komt allen niet naar B. want daar is het bestuur nooit tevree!

Kabul op de Veluwe

Temidden van kaalgeploegde maïsakkers, onder een neerdrukkend apocalyptisch verduisterend zwerk, ligt Kabul op de Veluwe. Als het ergens somber kan, dan hier altijd nog somberder. Het is een dunbevolkte streek, de eenvoudige bevolking ploetert op het land en de dorpsraad poogt de inwoners tegen de grote boze buitenwereld en haar kwalijke invloeden zo goed en zo kwaad mogelijk te beschermen. Een dag per week – en als dat zo uitkomt liefst nog wat vaker voor een begrafenis of een andere geestelijke vermaning – legt men de landbouwwerktuigen neer en volgt men de dwingende roep van de lokale imans, die hier niet zozeer vanaf de minaretten klinkt, dan wel via overlevering van generatie op generatie, van gemeentelid op gemeentelid, waarbij geen ruimte is voor een afwijkend geluid.

Men kleedt zich overeenkomstig het harde werken in het zweet des aanschijns. Geen tijd en plaats voor fleur of frivoliteiten, en al helemaal niet voor frivole tieten. Dat is de wereld, dat is Kelly of het boze oog, en dat is dus slecht. Dat is sinds heden ook Mulisch, een geperverteerd schrijver uit de grote stad.
Die heeft een onwelgevoeglijk boek geschreven over dingen die hier niet gebeuren. Hier niet. Niet in Kabul op de Veluwe. Het boek gaat over twee deernen, die iets met mekaar hebben. O, gruwel.

Gelukkig wonen er hier een aantal hoeders over de plaatselijke zeden. Zij beschermen ons tegen het kwade, ook hen die eigenlijk wel eens wat meer van dat kwade zouden willen lezen of horen. Een der hoeders bestaat uit de plaatselijke OPENBARE bibliotheek, gevestigd in wat ooit een poel des verderfs, namelijk een schouwburg, was. Kan het treffender. Het goede overwint het kwade. Het goede, dat is: streekromans, grote letterboeken, familieromans over oude, boerengeslachten. Boeken van schrijfsters met dubbele namen, boeken over frissche jongelui die op zaterdagavond een mooie legpuzzel onder het gelige licht van de gaslamp maken. Over meisjes, die gezellig in een clubje borduren of ander verstelwerk voor moeder doen. Over een lekker recept voor aardappelen met jus, spruitjes en een dik stuk doorregen vleesch. Dat zijn nuttige en leerzame boeken. Daar past geen Mulisch bij, geen vieze woorden; die strepen we door of we gebruiken die bladzijde om straks de boekverbranding weer een beetje verder aan te wakkeren. Wij koesteren hier in Kabul onze oude tijden. Wij weten wel wat goed voor ons is…….