Vandaag moest ik even wat bloed laten prikken, en dat kan hier in het dorpje B. op een centraal punt, waar alle zieken, gekwelden en mismaakten uit de wijde omgeving naar toe komen strompelen, lopen of rijden
Het heeft iets van een middeleeuwse markt: in een kamertje met veel glas bevindt zich de chirurgijn, in de gedaante van een in het wit geklede zuster. De deur staat in het algemeen wijd open. Voor de ingang en achter de ramen verdringen zich de nieuwsgierige dorpelingen, bloedprikbriefje in de hand, en leveren commentaar op de gebeurtenissen.
Dit commentaar geven gebeurt in een redelijk onverstaanbaar dialect, waarschijnlijk ook nog de orginele middeleeuwse variant.
“Ja, wie volgt!” roept de chirurgijn. Men stopt even met het bespreken van elkaars kwalen, die variëren van hevige aambeien tot gordelroos – ik mis eigenlijk nog de pest – en kijkt elkaar aan wie aan de beurt is. Ik blijk naar binnen te mogen, en doe snel de deur achter mij dicht.
“Wilt u de deur open laten!” klinkt de medicus dreigend. Iedereen geniet mee van mijn geboortedatum en of ik nog iets bijzonders heb te melden. Ik voel mij honderd jaar oud. Half en half verwacht ik een bakje met bloedzuigers aan te treffen voor het aderlaten, en en passant zal met een roestige tang ook nog wel een kies getrokken worden, waarbij hulpvaardige dorpelingen mij eerst wat brandewijn in de keel gieten ter verdovinghe ende bedwangh.
“Jaoh, noe hè’k loast auk nog een poar kippe op terf laupe. Die bint so allemaagtig aon de lèg.”
“Jaoh, zegt ie!” klinkt het achter mij. “Kiek, die meneer es auk al weer kloar!”
Het regent weer eens als ik buiten kom. Waar is de brandewijn.

Joh, je hebt het bepaald niet naar je zin in het dorp B. Wat voor geestelijk niveau heb jij eigenlijk als je dan niet gewoon verhuist?
Groeten!