Sha-la-lie

Nederland kan bogen op een eeuwenoude cultuur, die in de Gouden Eeuw haar hoogtepunt bereikte en ons Rembrandt, de VOC ( je krijgt het woord sinds Balkenende trouwens nauwelijks meer fatsoenlijk over je lippen ) , Frans Hals, Delfts aardewerk en andere hoogtepunten bracht. Grote geleerden heeft ons land voortgebracht, grote werken hebben we verricht, en daarmee onze naam in de wereld gevestigd. Naast wat al genoemd is, wil ik niet onvermeld laten de Deltawerken, de Nachtwacht, een grote dirigent als Bernard Haitink, en binnenkort het absolute hoogtepunt en de culminatie van vele eeuwen noeste arbeid en denkwerk , het liedje “Sha-la-lie”.
Straks gaan wij met dit liedje naar dat andere toppunt van Europese cultuur, het Eurovisie songfestival, waar wij de verzamelde volkeren versteld zullen doen staan met dit staaltje verfijnde muziek, in combinatie met diepzinnige tekst, die uitstijgt boven het grauw, als de Acropolis boven Athene.

Wauwel is dermate gegrepen en ontroerd door de verfijndheid van dit staaltje muze, dat ik de tekst hieronder even integraal plaats:

Ik ben vergeten waar ik dit liedje heb gehoord, in de zomerzon
Ik geloof dat het toen daar met jou op het strand was in Lissabon
Of was het daar toen in Parijs
Achter een coupe vers mokkaijs?
Het kan ook zijn dat het was met zijn tweeën overzee in die luchtballon

Shalalie shalala, shalalie shalala
Het gaat niet uit m’n kop
Shalalie shalala, shalalie shalala
Ik sta d’r ’s morgens mee op

Ik ben verliefd op jou
Daardoor vergeet ik alles gauw en weet ik het niet meer
Shalalie shalala, shalalie shalala
Zo gaat het ongeveer

Ik ben verliefd, ik ben verliefd
Ik ben verliefd, dat kun je zo zien

Het kan ook zijn dat ik hoog in de lucht in een vliegtuig naar Oslo zat
Of klonk het uit een café in zo’n straatje – ik was ooit in Trinidad
Of was het met een goed glas wijn
Op dat terrasje in Berlijn?
Misschien toen in de sneeuw op een arreslee in Leningrad?

Hoe kan ik dat, hoe kan ik dat…
Hoe kan ik dat, hoe kan ik dat…
Hoe kan ik dat nou vergeten?

Shalalie shalala, shalalie shalala
Het gaat niet uit m’n kop
Shalalie shalala, shalalie shalala
Ik sta d’r ’s morgens mee op

Ik ben verliefd op jou
Daardoor vergeet ik alles gauw en weet ik het niet meer
Shalalie shalala, shalalie shalala
Zo gaat het ongeveer.

Shalalie shalala, shalalie shalala
Het gaat niet uit m’n kop
Shalalie shalala, shalalie shalala
Ik sta d’r ’s morgens mee op

Ik ben verliefd op jou
Daardoor vergeet ik alles gauw en weet ik het niet meer
Shalalie shalala, shalalie shalala
Zo gaat het ongeveer
Shalalie shalala, shalalie shalala
Zo gaat het ongeveer

Als u na het lezen van dit mooie conterfeitsel niet reeds amechtig ter aarde bent gezegen, ga ik weer even verder. Er is namelijk wat beroering ontstaan bij de Tros, die omroep waar de grootste familie van Nederland zich thuis voelt, want als organiserende instantie is men wat ongelukkig met het woordje ‘Leningrad’, waar dichter des vaderlands Pierre Kartner het in een vlaag van helderheid van geest over heeft.

Hij heeft de achternaam en de leeftijd om een Oostfrontsoldaat te zijn geweest, misschien verlangde hij terug naar oude tijden, maar dat Leningrad ligt politiek gevoelig. De gemiddelde Tros-kijker zal daar geen benul van hebben, die denkt vermoedelijk dat Leningrad de naam is van een kroeg aan de Spaanse Costa Brava, maar tegenwoordig heet de plaats Sint Petersburg. Al weer sinds 1991 trouwens. Ja, weet die Kartner veel, die was in 1991 ook al reeds zo dement als een deur, dus hem kun je niks kwalijk nemen.

Het wordt nu dus Moskou, en een keur aan Nederlandse artiesten, behorende tot de groten die ons land heeft voortgebracht, zal een favoriet bandje of favoriete zanger coachen en promoten , in de hoop dat die dan het liedje in Oslo mogen vertolken. zo hebben we Marianne Weber ( wie kent haar niet ), die iets of iemand die ‘Sieneke’ heet zal begeleiden. Grad Damen, die volgens eigen zeggen ‘niet goed in zijn vel zat’,  zal een zanger aansturen die zich de naam ‘Vinzzent’ heeft aangemeten ( “We noeme ons soontje Vinzzent”), Albert West  ( na 45 jaar nog een goed gehoor en goed ter been ) zal tussen zijn drukbezette optredens in bijvoorbeeld de feesttent Hoek of het Vismijnbedrijf  te Breskens ( je zal er naar dat personeelsfeest moeten )  pogen ene ‘Peggy Mays” tot de toppen van roem te loodsen, en niemand minder dan Frans ‘Ochtendjas’ Bauer zal iets wat “LOEKZ’ heet  aan een carrière in verlopen feesttenten en kermispodia in de Peel helpen. Vroeger was er ook iemand die Corry Konings heette en die een liedje zong over huilen. Zij koos voor het meisje Marlous, en hieronder staat een filmpje met een mooi diepte-interview:

[youtube]http://www.youtube.com/watch?v=pq-GU9uT1-c[/youtube]

De Tros ziet het helemaal zitten. Leningrad wordt veranderd in Moskou, en we gaan het helemaal maken. Eigenlijk denk ik ook dat de Tros er verstandig aan doet de registratie van het liedje ook mee te laten dingen op het filmfestival van Cannes, een gooi te doen naar een aantal Oscars, voor beste songtekst, beste acteerprestaties, beste make-up, beste hoofd- en bijrol, ik noem maar wat.
Mogelijk kunnen de koppen van Pierre Kartner en de vertolkers van het liedje worden uitgehakt in de Vaalserberg, om een en ander voor het nageslacht te bewaren en zo ook op zijn minst Mount Rushmore te evenaren. Ik zie ook wel wat gelijkenis tussen de kop van Lincoln en die van Vader Abraham. Op toekomstige gymnasia zal men met ontzag Sha-la-lie behandelen, een tekst die de schrijfsels van Homerus doet verbleken. We hebben het hier wèl even over Nederlandse cultuur hè! Als ik een beetje door fantaseer acht ik Kartner nog wel een kanshebber voor de Nobelprijs voor de Vrede, want er gaat niet boven gezellig in een polonaise met z’n allen meedeinen op “Uche, uche, uche, uche, uche, het stikt hier van de mugge!” 

Wanneer archeologen over enige duizenden jaren opgravingen verrichten op de plek waar eens de Tros-Studio stond, in een reeds lang verdwenen land waar niet veel meer van bekend is, dan zullen zij daar stuiten op de wonderbaarlijke goed geconserveerde mummie van Vader Abraham, die daar, om hem op zijn laatste reis te vergezellen, een aantal exemplaren van zijn hoogstaande oeuvre heeft meegekregen, waaronder het reeds lang verloren gewaande heldendicht “Sha-la-lie”. En ons volk, onze cultuur zal dan weer een passende naam krijgen;  net zoals wij nu spreken over bijvoorbeeld de Klokbekercultuur, zal men dan vol ontzag spreken over “de Smurfencultuur”, als kenmerkend voor het Nederlandse gedachtengoed in de 21e eeuw……

“Sha-la-lie, sha-la-la, het gaat niet uit mijn kop”….. mag ik nu even in de badkuip braken? En doen we allemaal gezellig mee! Allemaal! Jaaaaaa!

Stilte

Echte stilte bestaat eigenlijk niet meer. Waar je tegenwoordig ook bent: je hoort altijd wel ergens lawaai. Mijn kantoortje wordt bijvoorbeeld begrensd door twee lokalen. Wanneer daar twee klassen zitten, kun je de leerlingen zo ongeveer horen ademen. Bleef het daar maar bij. Een moderne scholier kan zich ongeveer een kwartier lang op iets concentreren, zonder al te veel herrie te produceren, zo is uit onderzoek gebleken. Daarna verwordt de adolescent tot ongeveer een geestelijk en lichamelijk kwijlend wrak. Wie als docent dus de onuitsprekelijke eer bezit om aan vijfentwintig van dergelijke lieden iets onoverkomelijk ingewikkelds uit te  moeten leggen – eenvoudige spelling of de grondbeginselen van het rekenen, ik noem maar wat – voelt zich dus na afloop van zo’n les lichtelijk verhit.

Een leerling wil ook altijd discussiëren, onderhandelen, en vooral: uitspelen. “Meneer Jansen heeft voor de dag na de vakantie geen huiswerk opgegeven, en u als enige wel!” Straks krijgt meneer Jansen precies hetzelfde verhaal te horen.  Wie als docent brult dat ze dit of dat voor morgen uit het boek moeten leren, die wordt niet gehoord. Fluister je echter dat ze morgen het eerste uur vrij hebben, dan blijkt iedereen over een uiterst scherp gehoor te bezitten. Ik ben sowieso ernstig voor fluisterend lesgeven. Heel zachtjes beginnen, op samenzweerderige toon begin je een nietszeggend verhaal tegen de stuudjes op de voorste banken, de schreeuwers acheraan worden dan vanzelf nieuwsgierig naar waar het over gaat en houden dus ook hun mond dicht, ook al duurt het wat langer.

Maar echt stil, nee, dat is een zeldzaamheid. Mensen kunnen er ook niet meer zo goed tegen, lijkt wel. Een test: vijf minuten lang iedereen in doodse stilte laten noteren wat voor geluiden er nog geproduceerd worden. Zoiets gaat na een paar minuten al mis. Geheid gaan er een stel giechelen. anderen MOETEN met die pen klikken. Er MOET iets vastgehouden worden waarmee je kunt friemelen, kreukelen, tikken of klikken.
 Lawaai lijkt ook nog eens op de meest ongelegen momenten voor te komen. Altijd wanneer ik eens het nieuws wil horen op de radio, begint de klok in de kamer te slaan. Zin om dat ding dwars door de muur heen te rammen. Daarbij komen dan ook nog soms gezinsleden die zich minder lijken te interesseren voor wat zich in de wereld afspeelt en die dus bewust of onbewust ( ik denk bewust )  met stoelen gaan schuiven, met borden gaan rammelen, mobieltjes laten afgaan en hele gesprekken met elkaar voeren.
Een stilte-coupé in de trein is ook een plek bij uitstek om eens flink herrie te produceren. De enige manier nog om je daar van lawaai af te sluiten is koptelefoontjes in je oor te proppen en het geluid op maximum te zetten.

Over een tijdje is de helft van de Nederlandse jeugd grotendeels doof, zo heeft onderzoek aan getoond. Althans, tegen de tijd dat ze veertig zijn. Gevolg van de mp3-spelers. Als je ze daar nu voor waarschuwt, dan horen ze je niet. De beste leerlingen die ik ooit heb gehad, waren stokdoof. Hoe komt zoiets. Doordat ze totaal niet afgeleid werden door enige vorm van omgevingsgeluid, konden ze zich volledig concentreren op de kern van het lesgeven: een docent die iets uitlegt. Door de aanwezige doventolk misten ze geen woord van wat gezegd werd, en ik meen dat doventaal ook nog eens de essentie van zinnen in gebaren omzet. De perfecte lessituatie dus. Door stilte te ervaren kom je dus soms weer tot de kern van allerlei zaken, zou je kunnen zeggen.

Toch, stilte valt niet mee. Ik ben allergisch voor geluiden die ik niet zelf produceer of waar ik niet zelf bij betrokken ben. Mijn vrouw vindt trouwens dat ik zelf altijd enorme herrie produceer, in haar mening ijverig gesteund door onze drie dochters: ik mag niet snuiven, niet kuchen, niet schrapen en ook op mijn manier van ademen krijg ik geregeld commentaar. “Als je achter de computer zit maak je ook geen geluiden!” . Wij mannen hebben het zwaar, wij mogen nooit wat.

Jarenlang hadden wij enorm luidruchtige buren. Diep in de nacht radio aan, herrie. Of een buurjongetje wat er genoegen in leek te scheppen om de halve dag met hamertje tik in de weer te zijn, totdat ik het idee kreeg dat hij uit pure verveling enkel nog met zijn kop tegen de muur aan het bonken was. Was het dan eens een enkele keer stil, dan kwam je niet tot rust, maar dan zat je gespannen als een veer de hele avond te wachten op het eerste geluidje, om vervolgens woedend te kunnen verkondigen: “Zie je wel, het is hier ook nooit eens stil!!!”

Het buurjongetje aan de andere kant, ik schat een jaar of zes nu, beschikt over de stem van een misthoorn. Zijn zusje van enkele jaren ouder zit sinds kort op saxofoonles. En van de zomer krijgt het jongetje van zijn ouders, die blijkbaar ook niet goed tegen stilte kunnen, een drumstel met bijbehorende drumles.  Ik ga dus denk ik maar eens emigreren. Naar Antarctica of zo. Hoewel, dat druppen van die smeltende poolkappen kan nog wel eens tot een irritant geluid verworden.

Wilders voor schut

Via de collega-bloggers van Goedgelovig.nl werd ik geattendeerd op onderstaand reclame-filmpje, waarmee je je onze volksverlakker nummer 1 eens goed te kijk kunt zetten. Je bedenkt een leuke anti-Wilders domein-naam, even aan het eind klikken op het filmpje, de URL invullen en Wilders zèlf ( met perfect gelijkende stem ) maakt er een mooie promotie van:
KLIK  HIER

O ja, zelf zit ik trouwens bij Flexwebhosting. Nooit storing gehad, dat mag ook wel eens gezegd worden.

Ramp

Dit jaar is er – naar ik meen – voor 65 miljoen euro aan vuurwerk verstookt. Mijn euro’s zitten daar niet bij. Sinds lang geleden gillende keukenmeiden tussen mijn broekpspijpen doorschoten heb ik een gezonde angst voor vuurwerk ontwikkeld, die nog eens stevig werd aangewakkerd door mijn moeder, want die was werkelijk overal bang voor. Wilde je op een avond in november nog even langskomen met de auto, dan was het steevast: “O nee, doe maar niet, in Rusland ligt al een dik pak sneeuw en hier kan het ook dus ook  zo maar glad worden!””  Mocht er mogelijk ergens een boom of een beer op de weg staan, dan werd die ook direct gesignaleerd. Overal bang voor dus, als kind. Daar kom je maar moeizaam van af. Nog steeds maak ik mij veel meer zorgen over allerlei zaken dan mijn vrouw; die is in mijn ogen ronduit roekeloos, waar een ander haar niet anders dan voorzichtig zal vinden.
IJs is ook zoiets. Nooit op het ijs lopen na een paar dagen vorst!  Stel je voor dat je er door zakt! Die enkele keer dat ik het nog deed, toen er na dooi al weer een aardig laagje water op stond, ging het dan ook prompt mis: ik speelde, samen met een vriendje, op de eendenvijver bij ons in de buurt, dat ik de ijsbreker “Dr. Vedemius” was. Dat was de naam van een schooldokter, en die vond ik wel toepasselijk klinken voor een reusachtige ijsbreker die zijn rondjes op de eendenvijver voer. Het staat op mijn netvlies geschreven. Plotseling zakte ik met één been tot aan mijn lies door het ijs. Gruwelijke momenten, begrafenissen  en huilende ouders schoten door mijn hoofd. In ontreddering mee naar het huis van mijn vriendje, die een moeder had die – voor zover ik mij kan herinneren – eeuwig aan het wassen en strijken was, dus daar kon nog wel een natte broek bij. Mijn ouders hebben het nooit geweten, dat ik daar de rest van de middag Donald Ducken heb zitten lezen tot mijn broek weer droog was. Waren ze er wel achter gekomen, dan had ik waarschijnlijk alle andere winters gedurende de rest van mijn leven binnen moeten blijven vanwege het gevaar van mogelijk door het ijs zakken, mogelijk uitglijden en een pols breken ( ook gebeurd trouwens ) , of vanwege mogelijk lawinegevaar in Overveen.

Enge dingen zijn dus niet aan mij besteed, en in pretparken zal men mij niet aantreffen in toestellen die zich meer dan één meter boven de grond verheffen. Wat een overbezorgde opvoeding met het plezier in je leven kan doen. Ik kom daar nog wel eens op terug, op zo’n dagje pretpark. 

Nu weer naar naar de titel van dit stukje, want we dwalen af. Dat geld voor dat vuurwerk, wat heeft dat met de ramp in Haïti te maken. De nationale hulpactie heeft op het moment van schrijven  een moeizame € 6,5 miljoen  opgebracht. Daar gaat nog wat bij komen met de onvermijdelijke tv-avond, waaraan vermoedelijk weer een groot aantal – veelal uitgerangeerde of in de nadagen van hun carrière –  bekende Nederlanders “geheel belangeloos” zal meewerken. Ik verwacht Jody Bernal, Ben Cramer, Peter Koelewijn, wat sporters, de Toppers ( Koop onze nieuwe single!) , mogelijk zal Patricia Paay haar rollator even loslaten en voor het goede doel een stukje nipple-gate doen, Chiel Beelen natuurlijk, de cast van GTST, Brigitte Kaandorp, en een afvaardiging van het kabinet: Balkenende en Bos zullen een duet ten gehore brengen. Veel herrie, veel popmuziek, veel sms-sen , en alles wordt gepresenteerd door Tooske of zoiets. We sluiten af met polonaise op de tonen van een nieuwe carnavalskraker: op “Haïti”  kun je heel wat rijmen.

Waarom kunnen we wel 65 miljoen aan zinloos en milieuvervuilend vuurwerk de lucht in knallen, waarom kopen we wel een recordbedrag aan staatsloten, en waarom gaan we pas serieus geven als er eerst een nationale actie wordt gorganiseerd en we door een stel derderangs artiesten worden opgepept?
We hebben het niet zo op die derde wereld. Het past niet zo bij ons luxe leefpatroon. Als wij een paar duizend euro spenderen aan een luxe zomervakantie, een borstvergroting, een luxe stereo-installatie met  3D-entertainment, dan willen we niet herinnerd worden aan slachtoffers van burgeroorlogen, aids, een tsunami of een aardbeving.  Alleen als zoiets via een actie kan , dan kunnen we er ook tijdens de koffie of bij de kapper of  de uitgaansavond met anderen over kletsen zonder voor geitenharen-sokken-milieufreak uitgemaakt te worden. “Hee, heb jij ook al gegeven? En gaan jullie deze zomer weer door de USA toeren?”

Die derde wereld, die narigheid, herinnert ons pijnlijk aan onze overdaad-cultuur, aan onze drive-in gewoonten. We willen doorgaan met vuurwerk af steken, met botox-behandelingen, met roken, drinken en excessief uit ons dak gaan. Prima ! Moet kunnen. Nationale tv-actie is ook goed. Het levert geld op, het is een mooi initiatief. Maar het vergroot niet onze betrokkenheid bij hen die al die luxe moeten missen. Het is slechts een moment van betrokkenheid, en morgen hebben we weer andere, belangrijker zaken aan ons hoofd.

Op een pakje sigaretten wordt belasting geheven, op muziekdragers wordt belasting geheven. Soms staat er een sticker op: Roken  is dodelijk.  Misschien wordt het tijd om op meer producten, zoals sigaretten, drank, vuurwerk, theaterkaartjes, staatsloten, Mona-toetjes, auto’s, vliegvakanties,  noem maar op, een andere sticker te plakken, de ramptax-sticker : “Een deel van het aankoopbedrag van dit product is bestemd voor een betere leefwereld voor hen die het allemaal veeeel minder hebben dan wij”. Zo worden we dagelijks betrokken en sparen we mee voor een potje  voor bijvoorbeeld Haïti. Een beetje eerlijker zullen we alles delen. Heal the world, spread the word.

Schoolfeest

“Meneer, staan de foto’s van het schoolfeest al op de website?”… “Eh.. nee, nog niet meisje, ik ga dat van de week doen”. Met enige regelmaat krijg ik op de Day After van enthousiaste lieden foto’s aangereikt. Die zijn dan genomen op het schoolfeest van de vorige avond. Gedurende een bepaalde tijd deed ik dat zelf, totdat ik na weer een nacht met gillende en fluitende oren besloot dat het nog niet mijn tijd was om bij Beter Horen aan te kloppen, al doet Willeke Alberti nòg zo haar best.

Hoe gaat zo’n schoolfeest  voor zeventien-, achttienjarigen? Wie denkt dat er gezellig stukjes worden opgevoerd en bakjes chips worden leeggegeten, heeft het ernstig mis. Reeds dagen voor zo’n orgie van herrie en lichtflitsen lopen de verwachtingen hoog op en wordt driftig gepiekerd over de aan te trekken garderobe.  De meesten hier op school wonen op kamers of in omgebouwde kippenhokken in de regio. Dat is fijn, want zo hebben bezorgde ouders geen idee wat je uitspookt en hoe je er bij loopt, en gelukkig ook niet hoe je je op het feest zelve na enige tijd gedraagt.  Meestal heeft de organisatie een ’thema’  bedacht, waarbij men dan  – wegens blijkbaar groot succes – geregeld terugvalt op het”Fout” dit of  “Fout” dat. Foute Après Ski bijvoorbeeld. In de praktijk komt het er op neer dat het ook Foute Strandfeestkleding had kunnen zijn, de hoeveelheid aangebracht textiel  is in het algemeen niet al te uitbundig. Ergens is dat ook weer raadzaam, want naarmate de avond vordert stijgt de temperatuur tot tropische waarden.

Uren van te voren brengen grote groepen meiden reeds gezellig samengeklonterd de tijd door op het toilet ( waarom gaan vrouwen altijd met twee of meer naar de wc? ), om te schikken en te verven en bij elkaar nog wat ooglijntjes te trekken. De aard van onze opleiding heeft er voor gezorgd dat wij een overschot aan meiden hebben, maar dat lijkt geen bezwaar te zijn: men danst vrolijk de hele avond met elkaar. Dat jongens meisjes vragen is natuurlijk niet meer van deze tijd. Men hangt wat slungelig en onzeker langs de kant ( voornamelijk jongens )  en laat zich zonder plichtplegingen leidzaam meevoeren, de dansvloer op, om op te gaan in de hossende menigte. Of men wijst er quasi achteloos eentje aan, zo van: nu mag jij meekomen, of men mengt zich gewoon in een reeds dansend groepje.Van een goed gesprek kan geen sprake zijn. De conversatie kan enkel bestaan uit het in elkaars oren toeteren van belangrijke  mededelingen als bijvoorbeeld “Wat een sukkel zit daar langs de kant!” of – heel poëtisch – “Ik ga effe pissen!”

Aan zoiets heb ik traumatische ervaringen. Ik was als jongere een schuchter typje, en natuurlijk behept met een ongunstig puber-uiterlijk: flaporen, stomme bril, beugelrestanten en vreselijke kleren die ik van mijn moeder alleen maar bij de HEMA mocht kopen, want de rest was “voor nozems”. Geen indruk op de meisjes dus, ook al droomde je daar in hopeloos eenzame momenten hevig van. 

Toch kwam er een moment dat ik mijns inziens redelijk hip was uitgedost. Ik zal de lezer een beschrijving besparen, maar het was een ensemble met opzichtige blauwe kleuren en schreeuwende bloemmotieven, waar ik als een worst in was geperst. Was afgeprijsd, dit keer – dat kon nog net – bij C&A,  ook tegenwoordig niet bepaald een toonbeeld van vooruitstrevendheid. Er was dus enige kans op indruk maken op één der meisjes, die mijn steelse aandacht had getrokken.  Bij de garderobe ging het al mis. Daar was zij, Esther, met een vriendin, en ik, als toekomstig Casanova, en trots op mijn nieuwe outfit, drentelde wat schuchter bij de jassen heen en weer, zodat ik haar heel duidelijk tegen haar vriendin kon horen zeggen: “O, daar heb je dat ei ook weer!”

Tussen mij en schoolavonden heeft het daarna lange tijd niet geboterd. Beelden op mijn netvlies gebrand van Yvonne, op wie ik in stilte al maanden hopeloos verliefd was, innig ineengestrengeld tijdens het slijpen met een of andere wildvreemde gozer uit de hogere klassen. In mjn radeloze dromen sloeg ik hem z’n kop in, onder de smachtende blikken van mijn zojuist herroverde geliefde. Het leven van de gemiddelde puber kan een hel zijn.

De kwelling nu is van andere aard: de decibellen doen mij nu de das om. Snel wat foto’s schieten, waarbij alle gefotografeerden ogenblikkelijk de neiging hebben om mekaar met de bier- of frisglazen in de hand lallend om de nek te vallen, in elkaars oor te likken, de armen geheven en schaamteloze enorme plekken okselzweet tonend. De dag daarna ben je ook nog een half uurtje bezig met het wegwerken van alle rode flitsogen en rode pukkeltjes, die genadeloos in het onbarmhartige flitslicht dat mooie meisje en die mooie jongen ontsieren. Ook de zo zorgvuldig aangebrachte make-up is hevig gaan vlekken onder al dat zoen- en lebber-geweld.  Hoe kun je als puber ooit verliefd op zoiets worden. Toch gebeurt het. Er is geen potje zo raar of er past wel een dekseltje op. Al die schoolavonden weer. Een liefdesverklaring – of verbreking- gaat via een sms-je. ‘Tisuit tusse ons. Greetz’ . Heel makkelijk allemaal. Leve het schoolfeest, leve de liefde! En ook voor eieren is er hoop. Voor zolang als die ook duren mag.

Feestje

We waren op een feestje; een zaaltje in een chique etablissement was afgehuurd voor een koffietafel ter ere van een jarige. Het feestvarken was 90 jaar geworden, een leeftijd om even bij stil te staan. Daar arriveerde hij, dik gekleed in jas, das en baret, wankelend en zwaar leunend op rollator en stokken, aan twee kanten ondersteund door naaste familie. Hij had er nogal tegenop gezien, toen we hem van de week belden. Gekweld door pijn in botten en rug, gekweld door blaasproblemen, gekweld door beverigheid, kortademigheid, gekweld door het leven, want in de oorlog was het een verzetsheld geweest, en die oorlog droeg hij verder al die jaren als een extra last met zich mee.

Hij was de vriend van mijn moeder geweest, toen zij nog leefde. Samen op de gang van de flat, temidden van andere strompelende en beverige bejaarden hadden zij elkaar gevonden in hun gezamenlijke interesses: de oorlog, een hartgrondige afkeer van het koningshuis en van ieder die het land sinds de bevrijding aan niksnutten verkwanseld had. Duitsers waren nog moffen, Prins Bernhard en Prins Claus natuurlijk ook, Aantjes was een moffenvriend en Van Agt was roomser dan de Paus. Verbittering loert dan om de hoek.
Zo becommentarieerden zij in hun laatste jaren samen de wereld en de politiek, bespraken zij het nieuws en spelden zij de Trouw van voor naar achter en van achteren naar voren, met op zaterdag ter afwisseling en voor het linkse de Volkskrant. “Wil jij nog een kopje Nescafé?”, “Heb jij die puzzel al opgelost?”, “Zet je je pet wel op als je straks naar buiten gaat?”, “Wat zucht je, voel je je wel goed?”; de conversatie bij het tikken van de klok en het loeien van de tv, die door toenemende doofheid steeds harder aan moest staan.

Beiden gebogen over hun kranten en hun boeken, lezend met bevende handen en turend door een loep, en wachtend op de zuster van de thuiszorg of de meneer met de maaltijd van Tafeltje Dekje.  Toch nog met z’n tweeën, in dommelige stiltes mijmerend over vroeger en zich afvragend hoe die tijd toch zo enorm snel voorbij kon gaan. Wroeging over wat je mogelijk allemaal verkeerd had gedaan in de opvoeding van je kinderen. Wroeging over wat je je partner, die nu hopelijk in de hemel of in iets daarboven was, misschien had aangedaan of voorgelogen. Oud worden, elke dag een stukje minder lucht en zicht, en elke dag een stukje minder wereld om je heen. Een kring van vrienden die steeds kleiner werd. “Het heeft de Heere behaasgt tot Zich te nemen…”  gunst, die óók al, ik had hem laatst nog aan de telefoon, maar hij hoorde mij zo slecht en ik beefde zo dat ik telkens de verbinding verbrak.

En dan zelf alleen. Mijn moeder dood. Geen kopjes koffie meer, enkel nog die zuster voor nieuw verband, en misschien één keer in de week of maand een kind. De overbuurman  brengt nog wel de krant, maar die man is twintig jaar jonger, die heeft de oorlog niet meegemaakt… Alleen nog met de oorlog, met herinneringen, en wachten, ja waarop. Om negen uur wordt je in bed geholpen, en dan begint zo’n lange nacht, de worsteling van het ’s nachts naar het toilet moeten, de onmacht als je valt en je de volgende morgen pas gevonden wordt. Je wilt je kinderen niet bellen. De pijn die al je botten kwelt, de adem die die zich gierend door je dichtgeknepen longen perst.

Een mens zit wonderlijk in elkaar. We kunnen ons van alles voorstellen, maar eigenlijk niet hoe het is om oud te zijn. Oud worden is te doen, maar oud zijn een hele opgave. Er naar toe vliegt de tijd, en is het eenmaal zover, dan lijkt hij wel te kruipen. Je komt tot stilstand in een wereld die steeds razender om je heen tolt, in een steeds hoger en ongrijpbaarder tempo.

De jarige zit nu moeilijk in zijn stoel, leunend op z’n stok, temidden van het feestgedruis. “Gaat het een beetje?”…. “Ach, ik ken ze niet allemaal meer”.. De gesprekken glijden langs hem heen, hij zit daar aan het einde van de tafel, dicht bij het toilet. Een heel klein hapje van dit, een heel klein brokje van dat, een slokje slappe thee. Niemand die met hem over de oorlog praat.

Dan is het feest voorbij. Men neemt afscheid van elkaar, zwaait nog even, dag opa, en dan zit hij daar even een moment helemaal alleen, iedereen is weg, men haalt de auto voor hem. Hij probeert op te staan, maar nee, dat gaat niet. De rollator is niet bij de hand, en ik haast mij zijn kant uit. Het gaat allemaal nèt goed. En nu is iedereen weer thuis. Gezellig, bij het gezin, met man en kind, vriend, een hapje en een drankje bij de buis. Een drukke week voor de boeg. Veel afspraken, de agenda puilt uit, we zouden willen dat de dag twee keer zoveel uren telde.

Ook hij is weer thuis, daar op zijn flat. De zuster heeft hem denk ik net in bed geholpen. “Hebt u een leuke dag gehad, meneer?”.  “Jawel meisje, tot morgen..”. Daar ligt hij nu, nachtlampje aan, alleen. Negentig. En als hij straks even onrustig slaapt, dan is daar weer die oorlog. En toch, er is één voordeel aan: in de twintig is hij daar. Nog zeventig jaar te gaan.

De leefwereld van de leerling

Dit ben ik, in een tijd waarin de wereld nog klein was, en waarin die wereld enkel nog tot je kwam via de radio, een kostbaar apparaat wat na lang sparen en veel wikken en wegen werd aangeschaft ( natuurlijk door je vader, want moeder deed de huishouding ): twee knoppen, eentje voor het aan en uit zetten en het geluid, en de andere voor dat wonderlijke zoeken naar de zenders, die fluitend en tikkend langs je oor streelden. Zenders met wonderlijke namen: Beromünster, Lahti, Bayreuth, Budapest, en natuurlijk Hilversum. Dat was de wereld buiten de straat waar je woonde, buiten de Jan Bontelaan in Overveen. Een tochtje naar oma in Zwolle was een enorme reis, een vakantie naar Texel een regelrechte expeditie. De toestand in de wereld werd je uitgelegd door meester G.B.J.Hilterman en de onlangs overleden commentator Henk Neuman. Een commentator; wie luistert er nog naar een commentator? Wij becommentariëren de wereld tegenwoordig zelf. Direct, á la minute, bijvoorbeeld via Twitter.

Die wereld zonder twitter, die wereld van Hilterman en Neuman, was een kleine wereld, als een warme deken om je heen, ondanks dreiging van Koude Oorlog. Die wereld was jouw kleuterschool, jouw basisschool en jouw HBS of MULO of Middelbare Meisjesschool, ik noem maar wat.  Eerst via de radio, later via de televisie, een enorme lompe kast waar op woensdagmiddag alle kinderen uit de buurt op dat ene uitverkoren adres om heen geschaard zaten, ademloos luisterend en kijkend naar de Verrekijker, die ons een blik gunde op de wereld die al wat verder dan ons eigen stad of dorp lag. Wij kregen die wereld van de volwassenen, en namen hem gretig tot ons. Lessen op het schoolbord, het schoolreisje naar Artis, met de Spido door de haven van Rotterdam en uitkijkend vanaf de Euromast. Tienertoer.  In je vrije tijd las je een spannend boek,  je bestudeerde het album met ansichtkaarten van je moeder uit verre landen ( Duitsland, België , Luxemburg ) voor de zoveelste keer, en als je tot de kapitaalkrachtige gezinnen behoorde keek je op zaterdagavond naar die ene zender op TV.

Binnenkort mag ik een presentatie ( over Twitter ) verzorgen op een conferentie over onderwijsvernieuwing en ICT. Het thema van die bijeenkomst is: “De leefwereld van de leerling”.  Die wereld is drastisch veranderd sinds de tijd dat ik zelf leerling was. Een jongere nu krijgt in één dag van z’n leven meer informatie te verwerken dan een middeleeuwer in zijn hele leven. In de tijd waarin de bovenstaande foto werd genomen, kreeg je denk ik per dag net zoveel informatie binnen als een middeleeuwer in een week te verwerken kreeg. Vooral via de enkele zender op de radio. Via de ene krant die ’s avonds op de deurmat lag. En na een tijdje via het NTS-journaal. Vijftien minuten per dag. Altijd via een trechter, altijd een selectie. Een wereld die voor ons door volwassenen geschapen was. Daarna weer rust, tijd voor lezen en spelen.

De leerling nu moet een expert zijn in filteren van nieuws wat steeds meer ongefilterd binnenkomt. De leerling leeft in een voortdurend informatiebombardement, waar hij zich zappend, vierentwintig uur per dag, schijnbaar met luchtig gemak door heen baant. Steeds meer informatie, steeds sneller, steeds heftiger en steeds indringender, binnenkort ook nog in 3-D.
Die leerling nu leeft in een wereld die de hele aardbol omvat, hij vliegt er in razende vaart rondjes om heen via Google en sociale netwerken, en naast onze wereld leeft die leerling ook nog eens in diverse andere werelden, de Cyberwerelden van World of Wacraft en andere buitenaardse omgevingen. Hij maakt nu zèlf zijn wereld en richt die in met wat voor het grijpen ligt en met wat aangeboden wordt. De nieuwe wereld kent geen grenzen meer, en bestaat uit een steeds verder samensmeltende reële en virtuele wereld. De school, vroeger toch naast de huiselijke omgeving het belangrijkste deel van je leven, is nu haast verworden tot een hinderlijke onderbreking van de echte wereld. De leefwereld van de leerling is steeds meer een BELEEFwereld geworden

De leerling van nu zal nooit meer lijken op de leerling van toen, en zal veel meer weten dan de leerling van toen, maar weten en ook nog eens tòt je nemen zijn wèl twee verschillende dingen. Daar heb je namelijk tijd voor nodig. Dáár moeten we ons op school maar eens op gaan focussen.
Eigenlijk ben ik vijftig jaar te vroeg geboren. Dan had ik zéker anders op de foto gestaan: