Duivenliefhebber

Nog meer weekendfilms. Goed te bekijken in volledig scherm. Radicale oplossing van het duivenprobleem in grote steden. Met dank aan @EddeBu op Twitter.

[youtube]http://www.youtube.com/watch?v=jEjUAnPc2VA[/youtube]

Hoe zo druk bij de NS?

Het is weekend, dus de filmpjes-afdeling mag even open. Onderstaand hilarisch filmpje kreeg ik via Twitter van @Schaduwschrijvers. Het heeft iets van Sumo-worstelen, vooral die ene meneer in dat zwartige  jack die zich er nog eens even stevig op stort na eerst rustig zijn tas ingepakt te hebben. Hier zou hem dat een kopstoot opgeleverd hebben. We hebben dus bij de NS nog één en ander in het verschiet. Ook leuk voor Rover. Wat zeuren die nu helemaal?

[youtube]http://www.youtube.com/watch?v=sVeMpbQ0_aQ[/youtube]

The Return of Dr. Hannibal Lecter

Ik heb een fantastische baan op de meest fantastische school van Nederland. Wat wil je dan nog meer? Nou, een Open Dag bijvoorbeeld, om nóg meer fantastische leerlingen naar die fantastische school te krijgen. Ik lieg niet. Wij zijn gewoon heel erg goed. De leerlingen zeggen het, de oud-leerlingen zeggen het, het bedrijfsleven zegt het. Al jaren zijn wij een begrip. Bij ons geen vernielingen, vechtpartijen, geen bewakingspoortjes, geen diefstallen. Er is geen afgunst, geen groepsvorming, geen pesterij. Bij ons overheerst de gezelligheid. Je kunt gewoon de kamer van je kantoortje open laten staan.  Op welke MBO-instelling in Nederland vind je nog zoiets?  Wel bij ons dus.
En toch willen we meer leerlingen, want er zijn namelijk andere scholen op ons vakgebied, die vanzelfsprekend ook in onze vijver vissen. En wij willen voor onze leerlingen het beste, dus we willen dat ze allemaal bij ons komen.

Wat leren ze dan bij ons? Wel: “Iets met dieren”  Dat is wat de meesten zeggen als ze bij ons op intake-gesprek komen. Iets met dieren, met paarden, met koeien, met varkens, met tractoren, vogelspinnen, dolfijnen of wurgslangen.  Dat trekt een apart publiek, wat vredelievender denk ik.  Op schoolfeesten zijn er natuurlijk best een stel die zich een slag in de rondte zuipen, en er zullen er best wel enkelen zo af en toe een blowtje en een pilletje nemen, en ze hebben allemaal last van gierende hormonen en ze zijn best niet altijd even braaf, zoals ze daar soms in de bank hangen met dikke jassen aan, terwijl de verwarming op 21 staat, met petjes op het hoofd, spelend met de mobieltjes, gapend, geeuwend, slungelend of lawaaiierig.  Het hoort er allemaal bij.

Op zo’n open dag trek je dus als school alles uit de kast om ze binnen te krijgen en binnen te houden. Tot voor kort deden we dat altijd zelf, en zochten we ze op op beurzen, in scholen, en sinds vorig jaar ook op internet op Hyves en Google. Want dáár vind je jongeren: online, niet meer suffig in een advertentieblaadje of het lokale krantje.
Dit jaar moet dat allemaal anders, want nieuw en buiten de deur is altijd beter, en als het veel geld kost helemaal. We hebben dus als school een duur wervingsbureau ingeschakeld wat een frisse kijk op jongeren heeft, een kijk die wij met jarenlange onderwijs- en jongerenervaring blijkbaar niet hebben. Dat heeft geresulteerd in een prachtig glossy rapport met mooie kreten over de Generation Y ( noooooit van gehoord ), en met termen als SWOT ( Strengths, Weaknesses, Opportunities, en Threats ). Veel Engels doet het altijd goed bij de over ons gestelde overheden en machten.
Daar is dus nu ook een website voor ontwikkeld en een postercampagne met een thema. Op die posters zie je hokken en kooien van divers formaat.  Hier is er eentje ( althans het grootste stuk ervan ):

  

Ja, en de titel van dit blogje verpest de onbevangen blik natuurlijk al weer een beetje.  Wat zien we hier? In een hard en onbarmhartig ligt staat hier een kooi in een morsige omgeving die associaties oproept met de kelder van Fritzl persoonlijk: is dat gestold bloed daar links op de vloer? Gaat hier een doodvonnis voltrokken worden? Is het nertsenbevrijdingsfront langs geweet? Is dat een mensenbot in die kooi? Is zojuist Dr. Hannibal Lecter ontsnapt en staat die nu stilletjes achter onze rug te hijgen? Ik mis nog wat zwepen en andere SM-werktuigen aan de muur. Om ons heen horen wij angstkreten en gerochel, rammelende kettingen, heimelijk geritsel. een gure tocht trekt over de vloeren van deze bedompte  en klamme ruimte.  Wat voor soort lieden kom hier op af? Weg gezelligheid, weg sfeer.  Wie nog andere associaties heeft ( ik wil tenslotte niet alle gras voor uw voeten wegmaaien ) mag hieronder van harte  reageren !

En die Open Dag, komt dat wel goed?  Jawel, wij hebben een naam en reputatie hoog te houden. Het gaat ongetwijfeld weer heel erg druk worden. Laten we het er maar op houden dat de poster een idee geeft van hoe het er op andere scholen aan toe gaat. Niet zo goed als op de onze. 🙂

Ferienpark im Regen

Zo af en toe bekruipt Wauwel en een deel van de zijnen de onweerstaanbare drang om oud en nieuw uitstedig door te brengen, dus zo kan het gebeuren dat dit stukje vanuit een door mist en regen omhuld half leeg vakantiepark in de Hunsrück tot u komt, middels een verbinding die nog via flinke scheppen alt-Deutscher Braunkohle tot stand lijkt gebracht ( misschien dat daardoor ook niet alle umlautjes en naamvallen lijken te kloppen ). Tel daarbij op het steeds onwilliger toetsenbord van mijn akelig dure MacBook Pro ( gelukkig heeft de baas betaald ), en u begrijpt de desolate gemoedstoestand waarin Wauwel zich bevindt. Wij hebben de kinderen thuisgelaten ( ” ja wij gaan daar een beetje de hele oudejaarsavond tegen elkaar aan zitten kijken’ )  en zijn samen met vrienden afgereisd; zij hebben wèl enkele kinderen meegenomen, en die brengen nu in de praktijk waar de onze juist voor vreesden.
Vroeger bivakkeerden wij in voormalige boswachterswoningen, zo ver mogelijk in de middle of nowhere, vaak nog met gasverlichting, van internet nog nooit gehoord. Nu zijn die allemaal opgekocht door Staatsbosbeheer, en ingericht volgens design van gerenommeerde architecten en meubelontwerpers, alle gemakken voorzien, magnetron, satelliet-tv, high-tech keuken en krankzinnige huurprijzen; hoever kun je als grote organisatie de plank misslaan. Het heet nu “buitenleven”, nou, dan weet je het wel.

Zo zitten wij nu dus in een wat goedkoper  vakantiepark, tientallen bungalowtjes met eenheidsinterieur, een zwembadje, en een restaurant waar ik nu zit te internetten.  Om mij heen wat verpieterde gezinnen, en her en der heeft men pogingen gedaan met gekleurde lampjes iets van een kerstsfeer te creeëren. Natuurlijk kun je in Duitsland flink aan de vuurwerkbak, dus de eerste kindertjes in de omgeving doen al weer ernstig hun best wat vitale lichaamsdelen te verliezen.  Straks de warme maaltijd, die in heel Duitsland uit schnitzels en patat lijkt te moeten bestaan. Hoe zeg je voorzichtig dat je niet zo’n gebakken paneermeel-fan bent? En dan volgt de lange avond tot twaalf uur, er is hier helaas Nederlandse televisie in het huisje, alle commerciële zenders bovendien, en er ligt een stapel van 21 (!) dvd’s klaar. Dat wordt vanavond dus – en nu ga ik weer een hoop mensen tegen de schenen schoppen – Youp van ’t Hek, met Paul de Leeuw het grootste braakmiddel wat de Nederlandse televisie ooit heeft voortgebracht. Daarna zal de rest van de avnd vermoedelijk gekeken worden naar vrienden van een biermerk, met de onvermijdelijk doses bekende Nederlanders en verlopen buitenlandse sterren die misschien nog een nummertje mogen playbacken. Na afloop zal in de vroege uren van het nieuwe jaar eenmaal in bed op fluisterende toon de stand van zaken nog even worden doorgenomen. Ondertussen gaan de pubers van Wauwel thuis waarschijnlijk op hevige wijze uit hun dak bij diverse nieuwjaarspartijen, die mogelijk ook in huis gegeven worden.

Morgenochtend is het dan Nieuwjaarsdag. Op zo’n dag hoort het te misten, te dooien, en bij de wandeling naar het parkwinkeltje zal ik vermoedelijk weer stuiten op die dame in peignoir, die, schuilend onder haar paraplu, naar haar kakkende hond staat te kijken.  Want regenen kan het hier goed. Overmorgen weer naar huis, kijken of de boel weer een beetje aan kant is.

Kerstwensen en zo

De kerstman is een vreselijke kerel, een hinderlijke dronkaard, een combinatie van Frans Bauer, Gordon, René Froger en Gerard Joling in het kwadraat ( die komen ook nooit verder dan het equivalent van “Yo, hoho!”). Diens kleding leent zich dan ook uitstekend voor het potsierlijk uitdossen van  huisdieren, die er allemaal ook niets aan kunnen doen en die met kerst gewoon wat Aldi-brokjes te verorberen krijgen, net als alle andere dagen van het jaar, in plaats van een copieus vijf-gangenmenu. Daar zijn ze tevreden mee, wij kunnen daar nog wat van leren.  Blijkbaar heeft een van mijn katten een voorgevoel, want hij loopt hier nu hinderlijk om mij heen te schreeuwen, onwetend van het feit dat hij hier weer middels een foto belachelijk gemaakt wordt.

Als onze huisdieren eens konden praten of denken. Die vogels bijvoorbeeld, de hele week ploeter je op je pantoffels door de sneeuw om wat stukjes brood of kaas in het huisje te strooien, en toch kan er geen bedankje af. Ook mekaar gunnen ze het licht in de ogen niet. Zo’n roodborstje, die heeft een hoogst onverdraagzaam karakter. Drukker met wegjagen van anderen dan met fatsoenlijk zich vergrijpen aan het voedsel. Het heeft iets van AH op de laatste dag voor kerst, zo’n vogelhuisje. Van heinde en verre komt een grote diversiteit aan kopers hun laatste hapjes bijeensprokkelen, mekaar verdringend en duwend en elkaar het licht in de ogen niet gunnend, want dat ene laatste kaaskorstje heb ik mijn zinnen opgezet en oprotten dus maar.  Wij mensen hebben nog iets van vrede op aarde , bij dieren geldt dat principe niet. 
Spreeuwen zijn het meest brutaal, dat zijn de patjepeeërs die hun grote PC-hoofdtractoren op de invalide-parkeerplaatsen vlak voor de ingang zetten, in aanloop naar het grote vreten. Er is natuurlijk ook een kleumende reiger, dat is de verkoper van de Daklozen-krant, beetje onaangenaam op zo’n moment, want zo word je met je volgeladen kar wel heel erg geconfronteerd met hen die het wat minder hebben.  Geef je zo’n man een euro, terwijl je net voor tweehonderd euro aan overdadig voedsel hebt ingeslagen? Bovendien heb je je handen vol en ben je al zo gestressed als een deur. Dan wil je niet gestoord worden in je kerstgevoelens.

Als we nou morgenavond uit getafeld zijn, en amechtig hikkend achterover hangen, een bak Rennies binnen handbereik, dan hoop ik dat we nog wat kliekjes overhebben voor onze fauna, die er elke keer met kerst weer zo bekaaid afkomt.

Om mijn kat niet alléén belachelijk te maken, heb ik nog een paar foto’s van lotgenoten opgezocht.

 

 

 

De dood van de sprookjesverteller

Vandaag, 38 jaar geleden, was ik bij de begrafenis van Godfried Bomans op het Adalbertus Kerkhof in Bloemendaal. De tijd en de plek konden niet mooier gekozen zijn. Kerstavond, in de schemering, de lichtjes van de huizen tussen de eeuwenoude bomen aan de duinrand, de kaarsen bij de kapel, in de verte wist je de zee: alles werkte mee om de uitvaart tot een haast feeëriek gebeuren te maken, geheel passend in de stijl van de verhalen die hij zo prachtig schreef. “De dood van de sprookjesverteller” was één van die titels, en wie dat leest heeft moeite de ogen droog te houden. Ik tenminste, elke keer weer, want ik vind het een van de mooiste verhalen die ik ken. Dat onderscheidt literatuur van lectuur: het vermogen om met woorden iets te beschrijven wat uitstijgt boven het gewone, wat anderen kan beroeren of ontroeren.  Daarmee wordt het kunst.  Godfried Bomans, één van mijn grote voorbeelden, was een meester in de taal. Meesters zijn er nu nog steeds, en er wordt nog steeds literatuur geschapen, maar de verfijning en het zachte zijn weg, geheel passend bij de huidige maatschappij, dat weer wel. Er is nu geen plaats meer voor sprookjesvertellers, voor nuance, subtiliteit of mildheid. Het gaat nu om het onverbloemd hakken, kwetsen, dingen bij de naam noemen en vooral niet meer nadenken vòòr je iets zegt.  Dingen die Godfried vreemd waren.
Enige honderden meters verderop woonde in die tijd Anton Pieck, de Godfried Bomans van de illustratiekunst. Zoals Bomans verhaalde, zo tekende Pieck. En beide vaardigheden komen weer samen in het werk van Marten Toonder; een driemanschap van verfijning en nuance, en alle drie getuigend van een wereld die helaas is verdwenen. Een wereld die past bij Kerstavond, waarop we allemaal nog één keer per jaar iets van die vergeten tijd en sfeer proberen te reconstrueren. We zijn nog niet alles kwijt dus, en we mogen nog een beetje hopen.

Hieronder het verhaal:

Er was eens een sprookjesverteller en die ging dood. Hij had zijn hele leven lang over kabouters verteld en nu wilde hij, voor zijn dood, nog een kabouter zien, een werkelijke kabouter. Hij zocht in de provisiekast, in de ontbijttrommel, onder het buffet, maar er was nergens een kabouter te vinden. Nu begon de sprookjesverteller te wenen: ‘Ach, lieve God,’ sprak hij, ‘ze zijn op. Er is er geen eentje meer! Ik heb mijn hele leven vast geloofd dat er kabouters waren, maar nu zie je wat je er van denken moet. Hij heeft toch gelijk gehad, de kruidenier van hiernaast die mij altijd zo uitlachte. Nu heb ik niets meer van het leven te verwachten.’

En de sprookjesverteller kroop in bed, blies de kaars uit en wachtte op de dood.
Doch de dood kwam niet; hij was de verkeerde weg ingeslagen en liep nu te mopperen om het huis heen. ‘Woont hier de sprookjesverteller?’ riep hij door het raam. ‘Ja, Dood!’ antwoordde de sprookjesverteller van uit de bedstee, ‘kom er maar in! Maak het kort! Alle aar digheid is er toch voor mij af. Pas op voor de drempel, daar zit een plank los.’
‘Je bent een rare.’ hernam de Dood, zich over het bed buigend, ‘verlang je naar mij? De mensen zijn altijd bang als ik binnenkom. Vind je het prettig, dat ik er ben?’
‘Jawel,’ antwoordde de sprookjesverteller glimlachend, ‘ik vind het heel prettig, Dood, de kabouter wil niet komen en daarom ben ik blij dat jij komt. Of het een, of het ander.’
‘Wat zit je nu toch te praten van een kabouter?’ sprak de Dood verbaasd, ‘je bent toch een echte sprookjes verteller, waarlijk. Onderzoek liever je geweten, denk eens aan je zonden en aan de eeuwigheid. Dat zijn nut tige gedachten. Ik zal zo lang wat in de tuin rondlopen. Je roept wel als je klaar bent.’

De sprookjesverteller lag nu op zijn rug naar de zoldering te kijken en deed wezenlijk zijn best aan zijn zonden en aan de eeuwige straf te denken. Maar het vlotte niet erg; telkens kwam de gedachte aan de kabouter er tussen.
‘Lieve Heer,’ bad hij tenslotte, ‘ik ben maar een arme sprookjesverteller met weinig verstand. Wees niet boos om die ene wens, de enige die ik heb: laat mij toch een kabouter zien!’ Maar de kabouter kwam niet.
De sprookjesverteller wachtte en wachtte; toen draaide hij zijn hoofd om en keek door het tuinraam; de Dood stond daar, naast het rozeboompje, en knikte hem toe.
‘Kom maar,’ riep de sprookjesverteller, ‘kom maar, Dood!’
En de Dood kwam. En hij nam hem in zijn armen en legde hem voor Gods voeten.
‘Wie is dat?’ vroeg God. ‘Dit is een sprookjesverteller,’ antwoordde de Dood, ‘hij is zojuist gestorven.’ ‘Wat was zijn laatste gedachte?’ vroeg God. ‘Hij wilde een kabouter zien,’ antwoordde de Dood verlegen. God glimlachte. ‘Dat is een zeer goede gedachte,’ zeide hij, ‘laat hem derhalve binnen.’