Op naar de Conferentie en de bitterballen

Enkele docenten op weg naar het informatica-congres
Enkele docenten op weg naar het informatica-congres

Zo af en toe heb je als eenvoudig onderwijsgevende de eer om eens even het dwingend keurslijf van de school te mogen verlaten voor het bezoeken van een leerzame conferentie. Wel, daar offer ik graag een Bapo-dagje voor op. In de praktijk komt van die Bapo-dagen toch al niet veel terecht, want elke keer betrap ik mij er weer op dat ik tòch weer voor school aan het werk ben.  Een gunstig teken, want dan vind je het werk wat je doet, blijkbaar leuk. Wat doe ik dan voor werk? Nou, dat is een baan die ik zelf bedacht heb: ict-coach. Wij zijn maar gestopt met het bijbrengen van de beginselen van bijvoorbeeld Office 2007 aan pubers die vaak op de docenten al een mijlenverre voorsprong hebben. Geen informatica-lessen meer. Stop daar maar mee, collega’s.  Wat we dus nu doen is op afroep de fijne kneepjes bijbregen gedurende korte cursusjes of workshopjes, want soms krijg je gruwelijk in elkaar geknutselde stageverslagen binnen, en dan is het wel handig als ze eerst eens een fatsoenlijke inhoudsopgave kunnen maken. Of we gaan gedurende een pauze eens Twitteren, of webloggen, of en de slag met Google Maps. Allemaal leuke dingen.
Ook collega’s zijn een dankbaar lesobject. Je merkt dat de digitale kloof tussen leerlingen en docenten in een razend tempo groter wordt: veel docenten zijn enorm trots waneer ze voor het eerst een Powerpoint-presentatie in elkaar hebben geploeterd, met als resultaat her en der over het beeldscherm stuiterende teksten en plaatjes, bij voorkeur begeleid door allerlei geluidjes als applaus en ontploffende bommen, waarbij het publiek met stekende hoofdpijn amechtig achterover tolt.
Je moet zo’n enthousiasteling dan voorzichtig aangeven dat het allemaal wel wat minder kan, waarbij je moet oppassen het prille genot niet te laten omslaan in haat jegens alles wat ook maar enigszins met computers te maken heeft. Er zijn scholen waarbij docenten blij de whiteboard-marker ter hand nemen om daarmee het dure digiboard vol te kalken met wiskundige formules of spellingsregeltjes.

Gisteren mocht ik een groep collega’s inwijden in de geheimen van een electronische leeromgeving, in dit geval It’s Learning. Het is bijna aandoenlijk om te zien hoe leuk men het vindt om een lesje niet alleen in te typen, maar ook in te spreken. Gevoelens van de ontdekking van het vuur. Daar half Nederland tegenwoordig dyslectisch hoort te zijn, is zoiets ook heel prettig voor de lerende partijen.
Morgen mag ik als ICT-coach naar de I&I-conferentie in Lunteren. Op de wat somber ogende website lacht een groepje wat oudere dames en heren ons toe en nodigt ons uit om naar het centrum van Nederland af te reizen, waar draadloos internet en mobiele dekking in eerdere aflevering van het congres een regelrechte ramp was. Nu ga ik daar zelf een presentatie verzorgen, dus er wel enige knagende ongerustheid, want ik ga de aanwezigen een snelcursus “Twitter voor Twitterbeten” geven, en voor zoiets heb je toch wel internet nodig.
Waarom eigenlijk? Jongeren – onze doelgroep –  twitteren nog nauwelijks, maar houden zich liever onledig met – vinden wij – zinloze berichtjes via SMS of MSN. Maar er zijn tekenen dat het laatste bolwerk, namelijk Twitter,  waarop bejaarden ( dus alles wat ouder is dan dertig jaar ) nog krampachtig een meerderheid in stand houden, ook aan slijtage onderhevig is. Steeds meer jongeren hebben mobieltjes met internet-toegang, en het beste platform daarvoor is onomstotelijk de iPhone. Ik durf te stellen dat het succes van mobiel internet staat of valt met het bezitten van een iPhone. Op geen enkele apparaat wordt zoveel geïnternet – en dus ook getwitterd – als op de iPhone.  ’t Is ook het enige appraat waarop ik met mijn stompe vingers nog een beetje uit de voeten kan. Ik heb in een vlaag van gadget-freak mijn vrouw een netbookje cadeau gedaan, ondanks hevige protesten en onwil om het ding te gaan gebruiken.  Dat gaat morgen ook mee, en dus moet ik vooral mijn leesbril niet vergeten, anders wordt het wel een genante vertoning: een oudere heer die dubbelgevouwen achter een mini-noteboekje, met behulp van een loep de toetsjes van zijn presentastie bedient.

We zullen het zien morgen: heb ik slecht bereik, dan moet ik improviseren, maar daar hebben onderwijsgevenden geen problemen mee. Wat mij trouwens wel elke keer weer opvalt bij zo’n conferentie, is het grote aantal grijze koppen. Allemaal zijn we bang om misschien nog verder achterop te raken, en dus zuigen we gretig alle nieuwtjes in ons op, waarbij ik zelf natuurlijk ook overal vooraan wil staan. Heerlijk, zo’n dagje met gelijk achtergestelden onder elkaar. De doelgroep zelf, waar het allemaal om draait, is opvallend afwezig. Die zit natuurlijk wezenloos tijdens de les op  MSN, en is blij omdat er flink wat uren uit vallen vanwege het feit dat de leraren massaal naar Lunteren zijn afgereisd. Die oudjes toch, wat zoeken ze daar? Het huiswerk wordt tevoorschijn gehaald, internet gaat aan en men luistert ondertussen naar onderstaande clip, de boxen op vol vermogen:

[youtube]http://www.youtube.com/watch?v=I27J39oQUaw[/youtube]

Ach, laat ons maar begaan, en gun ons een leuk congres. Gun ons onze bitterballen tussen de middag . Want heel soms kunnen we jullie toch nog wel wat nieuws bijbrengen. En zo blijft het leuk.

O ja, voor de liefhebbers: ivm. met mijn presentatie morgen, aan de twitteraars het verzoek om via een tweet hun stem uit te brengen m.b.t. de volgende stelling:
“Twitteren onder jongeren gaat het in 2010 helemaal maken”.
1 Eens
2 Oneens
3 Geen mening

Wil je daarbij op de volgende manier twitteren: Allereerst het nummer van je keuze, en direct daarachter het woord “Lunteren”. Dus bijv. 1Lunteren. Verder niets. We kijken hoe dit experiment morgen uitpakt. Als alles lukt zouden de stemmen life in mijn pp-presentatie moeten verschijnen.

Cultuur

In een westelijke uithoek van de Veluwe ligt dorpje B. Het leven kabbelt daar al eeuwen rustig voort en temidden van kippen, eieren, aardappelen met jus gaan de bewoners door de weeks naar het werk en  op zondag naar de kerk. De tand des tijds en de vaart der volkeren hebben ook in dorpje B. niet stil gestaan, en zo komt het dat men nu niet alleen zondags ter kerke kan gaan, maar bijvoorbeeld ook naar een stukje werelds vermaak in de vorm van een optreden van een big band in – nog wereldlijker- een nieuw gebouwd muziektheater.  Daarbij is men niet over één nacht ijs gegaan. Jaren strijd is er aan voorafgegaan, maar deze zomer was het dan eindelijk zo ver en kon het nieuwe theater zijn deuren openen
Was er eerst sprake van een kier, de laatste maanden staan ze redelijk voluit open en dus kon Wauwel genieten van een optreden van de Big Band van de plaatselijke harmonievereniging. Dat laatste roept associaties op met lieden  op klompen en in een blauwe kiel, waar men in dit dorp te pas en te onpas patent op lijkt te hebben, maar niets is minder waar.

Een afgeladen ruimte en vette stampende jazz waren het resultaat. Het publiek had zich eerst wat onwennig in een keurige kring op stoeltjes rond de muziekstandaarden geschaard, mogelijk in afwachting van de preek en de collecte. Toen de bandleider met gevolg dan ook neerstreek in de zaal daalde een ernstige stilte neer in afwachting van de eerste tonen. Gelukkig wist hij de aanwezigen er aan te herinneren dat een jazzoptreden vergezeld moest gaan van omgedraaide of liefst helemaal geen stoelen, van een luidruchtig pratende en drinkende menigte, van de geur van bitterballen, en alles gedompeld in een ondoordringbare mist van sigarettenrook. Op dat laatste na lukte het heel aardig deze sfeer te creeëren, en werd de bevrijding uit de culturele barbarij waarin dorpje B. eeuwenlang verkeerde, duidelijk zichtbaar.
Het drinken ging nog wat zuinigjes, want met exorbitante prijzen van € 3,50 voor een bodempje wijn uit twee verschillende flessen moet je ongeveer miljonair zijn om aangeschoten te raken. Gelukkig waren de bitterballen dan weer gratis, en het concert zelf natuurlijk ook.
Met jazz heb ik altijd de associatie van dertigers in een coltrui met een ringbaardje, een sikje en meekleurende brilleglazen, waarschijnlijk is dat ingegeven door de hilarische sketches uit The Fast Show. Vroegâh had je op de radio ook altijd zo’n jazz-programma met een presentator die heel erg zijn best deed om ook zo “cool” mogelijk te klinken. Dat heeft me een jarenlange afkeer van jazz opgeleverd. Het luisteren naar dit soort muziek was sowieso een redelijk illegale bezigheid, want ik werd op zondagmiddag altijd groot gebracht met het opre- en belcantoprogramma van Radio Brussel, wat altijd met de zelfde dreunende melodie begon, ik geloof iets uit de “Barbier van Sevilla”. Hoe gruwelijk toen, terwijl ik nu heel goed klassiek kan waarderen en bewonderen, op dat ene stuk na dan.  Ook altijd weer die associatie met inderdaad die aardappelen met jus, en doorgekookte brusselse lof erbij, waarin klontjes maizena dreven, en een stuk vlees met lillende zeentjes die vreselijk tussen je tanden knersterden. “Het beste van het beste”, merkte mijn vader daar altijd bij op.  Ach, je zou er nu wat voor geven weer dat moment mee te mogen maken.

De cultuur heeft dus nu ook dorpje B. op de Veluwe, als een der laatste bastions, geslecht. Wauwel hoopt ernstig dat het niet bij één ker per maand op zondagmiddag blijft, maar dat we de komende gure winterzondagmiddagen wat vaker kunnen genieten van geroezemoes, de lucht van bitterballen en de swingende tonen van een (big) band. Het is weer eens wat anders dan een legpuzzel van 1000 stukjes of een leerzaam boek over de geschiedeins van het kantklossen..

[youtube]http://www.youtube.com/watch?v=DMBHkntOMtk[/youtube]

Verhuizing

ellisDocenten zijn een soort onderwijskundige slangenmensen. Tot op hoge leeftijd moet je je in allerlei onderwijsvernieuwende bochten kunnen wringen om alle veranderingen te volgen. Wij verbazen ons dus in het algemeen nergens meer over en laten de meeste wijzigingen, die vanzelfsprekend altijd verbeteringen zijn, maar over ons heen komen.  Het management loopt in al deze zegeningen natuurlijk voorop en geeft daaraan met ferme pas leiding en goed voorbeeld. Dat is een hele troost, en daardoor voelen wij ons natuurlijk een stuk minder onzeker.

Zo is het eerbiedwaardige onderwijsinstituut waar ik werk, onlangs weer eens gefuseerd, dit keer met een aanpalend gebouw, waarin een kwijnende instelling met steeds meer moeite het hoofd boven water hield. Overnemen dus, die hap. Sinds deze week rijden onze verhuiswagens af en aan, en wordt het pand leeggehaald om plaats te maken voor dure architectenteams, aannemers en borende en zagende bouwvakkers. Ons  gehele management staat in de startblokken om de veroverde en gerenoveerde burcht over te nemen. Gisteren vond, onder aanvoering van onze burchtheer, een eerst inname plaats, maar de troepen moesten onverrichterzake terugkeren wegens ernstig boren en frezen en de daarbij horende stofwolken.
Het boren en frezen zal trouwens vermoedelijk een hoogtepunt bereiken tijdens de aankomende toetstweek, dat is bij ons zo langzamerhand een traditie. Onder het dreunend geraas van drilboren, grasmaaimachines en bladblazers ploeteren onze leerlingen met hun opgaven, en er is er – wonder boven wonder- nooit eentje die naar het LAKS rent. Als je ze er maar vroeg aan went heb je geen een landelijk actie-comité nodig.

Ook wij als eenvoudige docenten moeten deels weer eens verhuizen. Als een soort Bataven worden wij tijdens de Grote Volksverhuizing heen en weer geslingerd tussen hoop en wanhoop, altijd op de vlucht voor de Hun, en nèt wanneer je aan een vers opgehangen muurkast bent gewend krijg je te horen ( nog geen twee maaanden later ), dat die kast weer ergens anders heen gaat en dat jij mee moet.  Daartoe worden ruim van te voren ingewikkelde schema’s verspreid – waar niemand zich aan houdt – en zo is dus deze week het moment van mijn verhuizing aangebroken. Toen ik dan gistermorgen na een welverdiende herfstvakantie mijn kantoortje binnenwandelde, was mijn meubilair voorzien van grote stickers, waarop vermeld stond in welke ruimte het straks geplaatst zou worden. Mijn bureau en stoel moeten naar kantoor 8, vanwege “de gelijke kleurstelling en uitstraling”. De personen die in kantoor 8 zitten mogen zowaar blijven, maar hun meubilair heeft minder eenheid en gelijke uitstraling, dus dat gaat naar kantoor 11, waar ik ook heen mag. In mijn optiek was het eenvoudiger geweest om kantoor 8 totaal ongemoeid te laten en ons mèt eigen meubilair in zijn geheel rechtstreeks naar 11 te verhuizen, maar daar zit ongetwijfeld een hogere onderwijskundige bedoeling achter waarvan ik als eenvoudige docent de werking toch niet begrijp.

We gaan ook anders bellen, via internet, heel modern allemaal. Op mijn bureau bevond stond namelijk een fonkelnieuw toestel ter grootte van een stevige flipperkast te pronken- “Nog niet aankomen!”-, met een hoorn van het type waarmee men in vroeger tijden via de hotline naar het Kremlin belde om de naderende atoomoorlog aan te kondigen. Er naast lag een stevige geplastificeerde handleiding. Waar ik thuis een kèk klein handsetje heb met een handig verlicht displaytje, moet ik  voortaan eerst de leesbril en een zaklamp erbij halen om in het grote donkere scherm tussen alle informatie  de juiste gegevens te vinden. Druk je per ongeluk op een van de vele verkeerde knopjes, dan kan het zò maar gebeuren, dat je de directeur zelf aan de lijn krijgt. Mogelijk kan hij vanaf zijn eigen supercentrale ook alle gesprekken elders in het pand volgen. Mijn eigen nieuwe  toestel zou ook met gemak ruimte kunnen bieden aan een verborgen camera.  Maar mijn fantasie slaat denkelijk een beetje op hol.
Belt iemand jou straks, dan klinkt het luchtalarm, en worden er meer collega’s gebeld, dan zal dat vanaf vijf verschillende kanten  door ons nieuwe kantoortje schallen. Ja, als wij hier iets doen, dan doen wij het goed.

In Japan kunnen vrouwen voor hun nèt gepensioneerde man een soort lucht- en geluid-dichte cabine kopen, mèt een raampje , die in de woonkamer geplaatst kan worden. Zo’n man, die z’n hele leven als een gek gewerkt heeft, kan dan een beetje wennen aan het leven zonder werk, naast z’n vrouw, thuis, en zich geregeld in die cabine terugtrekken om wat met z’n bomsai-boompjes te klungelen en even weg te zijn van z’n vrouw. Ingebouwd telefoontje, voor als de sushi klaar staat. Zoiets zou naar het onderwijs vertaald moeten worden. Ik pleit voor de aanschaf van zo’n cabine voor elke collega: makkelijk en geregeld te verplaatsen, en je kunt ze nog stapelen ook. Leve de verhuizing!

Jarig!

jarigHet hoogtepunt van het jaar is vandaag! Wauwel is namelijk jarig  en zoiets overkomt je niet elke dag. Hoe oud dan wel? Ach, laten we zeggen dat ik aan de verkeerde kant van vijftig plus ben beland. Als kind kreeg je een kaart van de Donald Duck, en tot voor kort kreeg je van de T-Mobile nog een monsterlijk roze plastic tafelkleed, ballonnen met opdruk of een slinger. Nu kon er nog net een kaartje van af. De crisis heeft ook daar al toe geslagen. Tot mijn grote blijdschap kwam er vandaag met de post ook nog een mooie kaart van Yakult, die mij een feestelijke verjaardag toewenst met hoop op aanschaf van nog vele flesjes voor een gezonde darmflora.
Een van mijn dochters kwam vandaag pas om vier uur in de ochtend thuis, en als rechtgeaard ouder doe je tot die tijd ook al geen oog dicht, dus een rustige verjaardagslaap zat er ook al niet in.
Wat dat betreft herhaalt de geschiedenis zich een beetje: als kind deed ik in de nacht voor mijn verjaardag ook geen oog dicht van pure zenuwen, een aspirientje op de avond voorafgaand bracht dan enige rust, maar toch presteerde ik het dan om mij ’s nachts om twaalf uur alvast te feliciteren – je keek voortdurend op de wekker – en verder was ik om zes uur in de ochtend al klaar wakker, roepend naar mijn ouders of ik de cadeautjes al mocht komen halen. Bijvoorbeeld een bouwpakketje waar ik het liefst al tijdens het ontbijt al aan wilde beginnen, zodat het ’s avonds af was. Kritiek moment bij het in elkaar knutselen van zo’n Messerschmidt of Spitfire was altijd het verlijmen van die mooie heldere plastic cockpit: meestal ontaarde dat in enorme klodders verkeerd aangebrachte lijm, waardoor alles veranderde in bobbelig matglas. Haastige spoed is zelden goed. Na een week was meestal ook het propellortje al afgebroken, omdat mijn moeder zo nodig de bouwpakketjes moest afstoffen. 
De verjaardag zelf was voor mij als kind altijd redelijk stressvol. Van pure zenuwen was ik meestal ziek en lag ik spugend op de bank in de achterkamer, terwijl het kinderpartijtje zich verder in de voorkamer afspeelde. Verder kreeg ik altijd arretje-cake, bestaande uit een bonk gestold Diamant-vet, cacao en biskwie-brokjes.  Die arretje-cake heb ik de rest van mijn leven volgehouden: ook vandaag stond hij weer klaar op het bord, en bij elk hapje ben je weer even kind, ruikt het huis naar de sigaren van de ooms die met hun tante op visite zijn, zie je de glaasjes advocaat met slagroom weer op tafel staan en ben je blij met de grote glimmende rijksdaalder die je in een envelopje met schoonschrift kreeg toegestopt.

Zulke verjaardagen zijn er niet meer. Wij hechten in ons gezin ernstig aan tradities, dus nog steeeds slingers en arretje-cake, al zat er dit jaar teveel cacao in. De ooms en hun tantes zijn allemaal reeds lang overleden, sigaren zijn ongezond en verboden en met mijn zesenvijftig jaren ben ik zelf langzamerhand een oom met z’n tante aan het worden. De kleine neefjes of nichtjes willen nu geen rijksdaalder maar tien euro, of zijn zelf niet aanwezig omdat ze hun feest met hun Hyves-vrienden in de kroeg vieren. Maandag is de vakantie weer voorbij en mag ik op school tracteren, waarbij je – hoe gruwelijk – allerlei wildvreemde collega’s dreigt te moeten zoenen.
Zesenvijftig. Ik mag mee met het donderdagmiddag-uitje van de ouderenclub van de kerk. Ik kan ongegeneerd op een seniorenbeurs rondlopen. Ik kan postzegels gaan verzamelen. Ik kreeg een brief van de gemeente, uitgaande van de Stichting Welzijn Ouderen, met een uitnodiging voor allerlei leuke activiteiten: een computercursus, cardio-training, hulp bij het invullen van de belasting papieren. Een foldertje van Beter Horen. Mijn mailbox wordt steeds vaker gevuld met Amerikaanse aanbiedingen voor viagra of andere middelen om een grotere “woody’ of “boner” te krijgen
Zesenvijftig.  Er is nog genoeg te doen!

Geld maakt niet gelukkig

Vandaag even een persoonlijke oprisping, die niets met onderwijs te maken heeft.
Zojuist sprak ik op twitter met een collega die dus al zijn spaarcenten en rekeningen bij DSB heeft/had lopen. Het zal je overkomen. Je zuur bijelkaar gesprokkelde salaris en spaarcenten in één keer onbereikbaar en mogelijk voor een groot deel verdwenen.  Vlak daarvoor had ik getwitterd dat ik een bod van € 840 op een nieuw computersysteem had gedaan. Vanmiddag kocht ik nog een extra jas voor € 149 en morgen komen er voor € 612  nieuwe winterbanden onder de auto. ondertussen onderzoek ik de mogelijkheden om volgende week nog een last minute-tripje te boeken.  We maken moppen over DSB, haha, hihi, wat leuk. Beter toch maar stoppen daar mee. Het schaamrood staat me ongeveer op de kaken nu. Waar zijn we helemaal mee bezig. 

Je kunt dus in deze maatschappij nog van de ene op de andere dag arm worden. Bij uitzonderinmg mag je nog één keertje € 750 euro pinnen en dan is het voorlopig op met de koek. Je moet je hypotheek betalen met geld waar je niet meer bij kunt komen. Hoe enorm wrang wordt dan ineens het grote graaien in het bedrijfsleven, de vliegtripjes van ons aan alle kanten in de watten gelegde koninklijk huis, het uitje van de fractievoorzitters naar Suriname, de miljarden-aanschaf van de JSF, de HSL, de Noord-Zuidlijn, de vertrekbonus van de heren Zalm en Nijpels straks….. We kopen een stuk of wat Strike Fighters minder en de problemen van alle DSB- en Ice-Save Spaarders zijn de wereld uit. Maar nee, we moeten die arme mensen echt beschermen met een aantal straaljagers boven ons hoofd, zoiets kost geld, dat moeten we toch begrijpen.
De heer Scheringa huilt op een persconferentie. Heel erg allemaal, heel zielig. Misschien is hij ècht de aardige man die hij altijd gezegd heeft te zijn. Misschien kan hij uit eigen zak van zijn privé-kapitaal de gedupeerden van zijn bank een beetje bijspringen.  Hij houdt vast nog genoeg over voor een copieuze kerstdis in een riante omgeving. Misschien kunnen de voetbalspelers van AZ iets dokken. Misschien zou de koningin wat medeleven met haar onderdanen kunnen betonen, en zeggen van kom, we vliegen eens wat minder, en Willem, laat dat vakantiehuisje nu maar zitten, en we doen de Gouden Draeck maar in de verkoop.  Misschien kunnen de commerciële omroepen de prijzen van hun tv-shows met debiele vragen voor debiele winnaars eens wat anders besteden.
Maar nee, dat zijn allemaal dromen van een maatschappij waarin men weer wat voor elkaar over heeft, en zo’n maatschappij kan niet op economische steun rekenen. Een failliete docent, ja, dat is dan sneu voor die man, hopelijk kan hij nog wat lenen, misschien bij de Friesland Bank, wiens radio-reclame ik nu ook met argus0oren beluister.

Geld maakt niet gelukkig, en wie het van anderen verspeelt of misbuikt, mag niet langs AF en moet direct naar de gevangenis, ook al heeft hij nog zoveel straten in bezit.

Kleider machen Leute

pakDe titel van dit schrijfseltje had natuurlijk ook gewoon in het Nederlands gekund, maar als onderwijsgevende heb je toch altijd dat docerende in je bloed en wil je altijd het punbliek verblijden met je kennis van in dit geval de Duitse taal ( iets wat vroeger nog wel eens in het onderwijs aan de orde kwam ). Dit is dus Duits en het betekent: “Kleren maken de man” , wat weer zoiets inhoudt als “Wanneer je er netjes uit ziet, voel je je ook een stuk beter”.

Hoe ziet de gemiddelde docent er uit? We denken dan natuurlijk direct aan een kleurloos , wat vermoeid ogend type, gekleed in corduroy broek ( met kale knieën ), een ruitjes- of spijkeroverhemd en een jasje van onbestemd snit, motief en model. Het jasje is natuurlijk getooid met leren elleboogstukken en een borstzakje waaruit een stapeltje Bic-pennen steekt. Alom krijtvlekken, want de doorsnee-docent moet niks van nieuwerwetsche media als een digibord hebben. Een versleten leren schooltas van het model waarvoor u en ik als puber al gruwend een uithuisplaatsing naar een gesticht voor moeilijk opvoedbare jongeren riskeerden, en dat alles omdat we graag met een legerpukkel gezien wilden worden. Verder draagt de doorsnee-docent bijvoorkeur sandalen en witte sokken of sokken met een opdruk van Donald Duck of Calimero.

Wie onlangs oplettend naar de verkiezing van docent van het jaar heeft gekeken, ontwaarde daar tussen de tranen van ontroering door een heel ander beeld. De gelukkigen waren zonder uitzondering hippe, foto-modelachtige types, modieus gekleed en tot overmaat van blijdschap gaven zij ook nog eens de antwoorden die onderwijsadviesbureau’s en -ministeries zo graag horen als het gaat om de doorgevoerde onderwijsvernieuwingen als het VMBO-nieuwe stijl en het competentie-leren. De moderne docent is jong, mooi, volgzaam en draagt kleren volgens de laatste mode. Ook zulke types kom je in de dagelijkse praktijk echter nauwelijks tegen.
Het jeugdige docentendeel loopt bij voorkeur in een afgetrapte spijkerbroek ( al dan niet met gaten en andere flarden ), draagt een t-shirt met opdruk van één of ander popconcert of eern variatie op wiet-bladen, hier en daar wat piercings en/of tattoos en het is nog slechts een kwestie van tijd voordat de eerste met een petje op het hoofd, dikke openhangende jas aan, onderuitgezakt op een stoel met de benen op tafel de spellingsregels van het correct Algemeen Beschaafd SMS aan ons uitlegt. FF chillen man, anders gooi ik je er uit.

De tegenwoordige docent gaat steeds meer op zijn doelgroep lijken, terwijl we juist die doelgroep proberen op te leiden zich steeds meer als weldenkende volwassenen te gedragen en als zodanig ook te functioneren om een kans te maken in de maatschappij. We willen tenslotte niet allemaal als Dick Scheringa eindigen. Ik draag dus wel eens een stropdas en een enkele keer een pak. Zoiets geeft telkens weer de nodige consternatie bij binnenkomst in de personeelskamer. Of je aast op een positie in het management, of je naar een begrafenis moet, of je gaat trouwen, of je gaat solliciteren.  Leerlingen waarderen het echter. Een collega op een school voor hotel-onderwijs in Zwolle, loopt altijd in een pak. Met vlinderdas! Er is dus nog hoop. Pubers zijn in deze leeftijd hevig op zoek naar voorbeelden, en één van die voorbeelden hoort ook een docent te zijn. Het spreekwoord is niet zo maar uit de lucht komen vallen. Je voelt je anders in een pak, en je gedraagt je anders in een pak. Een enkele keer dient bij ons op school een klas ook in pak of rok of jurk te verschijnen, bijvoorbeeld bij de presentatie van een project aan een afvaardiging uit het bedrijfsleven. Zo’n klas gedraagt zich dan gelijk anders, ook al zijn de dassen gruwelijk gestrikt en kom je nog gifgroene of oranje overhemden en bruine bandplooibroeken uit de vorige eeuw tegen.
Zo’n stropdas kan best knellen ja, en thuis op de bank is het heerlijk in je geruite pantoffels en een oude slobbertrui op de bank. Toch heb je je even een ander mens gevoeld, een andere uitstraling gehad naar zo’n klas toe. Leerlingen letten heel scherp op iemands uiterlijk, zij zien direct op wonderbaarlijke wijze of jouw afgetrapte spijkerbroek van merk A of merk B is. Reken er dus maar op, dat wanneer je in een kèk mantelpak of pak verschijnt, je nog veel meer indruk maakt. En daar gaat men zich naar gedragen.  Wie weet heeft de Zeeman of de Wibra deze week nog iets in de aanbieding ( ja, we blijven tenslotte toch eenvoudige docenten ), en kunnen we bijvoorbeeld 1 november uitroepen tot dag van de Best Geklede Leraar van het Jaar. Eens kijken wat dat voor effect kan hebben.

Beetje reactionair stukje, misschien kwam dat wel door mijn kleding vandaag. Zo, nu gauw die rotdas af en die knellende schoenen uit.