Leeswaarschuwing: dit stukjes is alleen maar interessant voor omwonenden in de wijde nachtelijke omgeving van de A30 bij dorpje B. op de Veluwe
Het waren de donkere dagen voor Kerst, behalve in het dorpje B. op de Veluwe. Daar straalde het licht, zelfs midden op de dag! Hoe dat zo kon gebeuren, staat in onderstaand kerstsprookje.
Er waren eens twee handelaren. Jarenlang hadden ze vanuit een eenvoudige nering hun spulletjes aan de man gebracht en centjes bijeen geschraapt. En je weet, wie eenmaal van muntjes de geur heeft geroken en de klank heeft gehoord, die heeft nooit meer genoeg, die wil altijd meer, meer, meer.
Gelukkig dachten de bestuurders van het dorp er net zo over. Die wilden ook alleen maar meer , meer en meer. Ze haalden het geld weg van de arme burgers en gebruikten dat om grote terreinen, hallen, kantoren en wegen aan te zodat er nog meer handelaren naar B. zouden komen en er nog meer bijeengeschraapt kon worden.
Zo kwam het, dat met het verstrijken van de jaren, er een steeds naargeestiger sfeer in de straten en steegjes kwam te hangen. Waar je ook keek, zag je grote, sombere en meestal leegstaande kantoorgebouwen, blauw verlichte en ook leegstaande parkeergarages, door pech tot stilstand gekomen treinen, parkeerterreinen waar eens de mooie groene natuur was, met vuilnis en gifgrond vol gestorte wateren, industrieterreinen waar grote gele vrachtwagens af en aan reden, steeds meer lawaai maakten en alle regels aan hun laars lapten, of enorme gebouwen waar mensen in sombere stemming op sombere en dreigende zondagen bij elkaar kwamen, soms van heinde en verre.
De twee handelaren en de bestuurders hadden dat allemaal niet in de gaten, verblind als zij waren door de geldtekens in hun ogen en hun hang naar pracht en praal. In achterkamertjes kwamen zij in het geniep bij elkaar en bespraken hun plannen voor de toekomst: “Als jij nou dit voor mij doet, dan doe ik dat voor jou!”
Op een dag, in de aanloop naar Kerst, kregen de twee handelaren een fantastisch idee. Zij hadden genoeg van die oubollige kerstsfeer, met van die suffe kaarsjes, en een simpel kerstboompje, en dat gedoe met zo’n kerstster. Die zag je helemaal niet. Zij zouden dat wel even anders aanpakken. Zij zouden het èchte kerstlicht naar de aarde en in hun portemonnee brengen.
Zo kwam het, dat de bewoners van B. in die donkere dagen voor kerst, op een avond ineens getroffen worden door een verblindend licht aan de hemel, een schijnsel zoals nog nooit iemand op aarde gezien leek te hebben. Verbaasd en verbijsterd vroegen zij zich af hoe dit toch kon, gewend als zij waren aan het serene en zachte licht van de echte kerstster, die nu geheel verwenen leek te zijn.
Wanneer het ’s nachts bewolkt was, kon men van heinde en verre een koud, wit licht langs de hemel zien stralen, de wolken weerkaatsten het duizendvoudig over de landerijen, hoeven en huizen. Tot in de wijde omtrek zag men dit schijnsel, en wie niet anders wist, zou menen dat de hemel in brand stond met een koud, kil en onbarmhartig licht.
De beide handelaren, en de bestuurders van de stad juichten van blijdschap: dit was het ware licht, waar zij al die jaren naar hadden gezocht! Eindelijk was dat grote, dat wonderbare licht tot heel dicht bij de aarde gekomen. Ja, het raakte iedereen aan die er naar keek. Dit was het grote licht van het GELD! Het enige ware licht, en de handelaren en de bestuurders warmden en koesterden zich aan dit licht: nu zou alles in een ander schijnsel komen te staan, nu zou dit licht nòg meer geld, handelaren en bedrijven aantrekken, en het dorp zou groeien en groeien met nog meer wegen, fabrieken en bedrijven, en het zou vanzelf nog veel meer ligt gaan uitstralen daar over die eens zo donkere velden en bossen van de Veluwe. De natuur zou vanzelf dood gaan, de dieren zouden wegtrekken, op zoek naar de geborgenheid van de nacht; zo zouden de handelaren en de bestuurders zich daar ook niet meer druk om hoeven te maken. Een grote vrede kwam in hun harten, en zij keerden zich als één man naar dat prachtige licht, zo’n dertig meter boven de horizon.
Maar, zij wisten niet dat dit een koud licht was, dat dit licht geen warmte uit kon stralen. Het was een boosaardig licht, wat geen rekening hield met de gewone burgers en de dieren en de natuur. Daar houdt het geld niet van. En de harten van de bestuurders en de handelaren verkilden meer en meer, totdat zij enkele nog dachten dat zij alleen op de wereld waren, levend in een roes, in een schijnsel van waan dat zij zelf geschapen hadden.
Zo kwam het , dat de donkere dagen voor kerst in dorpje B. nooit meer donker waren. De burgers trokken weg, en met hen de sfeer, de gezelligheid, en de dorpse gemoedelijkheid.
Kerst in dorpje B., waar de allerhoogste voortaan EURO heet……

Vanaf maart 2010 zullen alle problemen in het onderwijs tot het verleden behoren. Vanaf dat moment zullen zwak presterende scholen worden bijgestaan door “Vliegende Brigades”, bestaande uit – en ga nu maar even stevig in de stoel zitten- ex-inspecteurs, mensen uit de schoolbegeleidingsbranche en van de landelijke pedagogische centra. Ze krijgen een zogenoemd verbetermodel mee.

Terwijl de halve wereld zich terecht druk maakt over onze opwarmende aardbol, gooit een flink deel van de Nederlandse bevolking het over een andere boeg. De gemoederen houden zich hier bezig met een mevrouw op leeftijd die vroeger ( heel lang geleden toen ik nog hevig in de pubertijd verkeerde ) niet geheel onaantrekkelijk was. Deze ruim vijfenvijftig-plusser, die maandelijks al een dagje gratis mag reizen met de trein en bij wie ongetwijfeld wekelijks de proefpakketjes Tena-Lady door de bus rollen, heeft in een vlaag van dementie en andere geestelijke ontreddering gemeend haar door hechtdraden en botox bijeengetakelde lichaam eens te onthullen in een blad wat – heel toepasselijk – ook al uit voorbije tijden stamt.
Over de grauwe zee, ver uit de kust van Normandië, vaart een schip, het SS “Geert Wilders”. Wie gelijk een meeuw laag over de schuimende grijsgroene golven nadert, ontwaart een stoomboot, zwaarbeladen, kreunend en stampend, zwarte rookwolken uitbrakend, strijdend tegen de gierende wind. Op de voorplecht staat een oude man, gehuld in een rode tabberd, met de ene hand de raling omklemmend en met de andere hand de mijter. Inderdaad, het is de Goede Sint, die daar, peinzend in de verte starend, ons met cadeaus komt overladen.