Wauwel in Jordanië, deel 2

Wie rond reist in het Midden Oosten, dient zich aan te passen aan het wegdek en het verkeer wat daar over heen krioelt: taxi’s uit de jaren zeventig, oeroude Peugeot 504’s, aftandse Mercedessen – waar men in die landen een patent op schijnt te hebben- , ezelkarren, kuddes geiten en schapen, motoren waarop vier jongemannen opeengeperst zitten. Alles vindt een plekje op het wegdek wat in het algemeen in ernstige staat van ontbinding verkeert., en bijna alles vervoert balen en lasten in de meest onmogelijke maten. ook is het belangrijk dat alle voertuigen over een geluidsinstallatie beschikken, die dan allemaal zo hard mogelijk aanstaan en die  uit gebarsten luidsprekers onverstaanbare Arabische muziek schallen.   Een ritje in zo’n voertuig is een ritje in herrie van rammelende deuren, raampjes, sturen, schokbrekers en andere geluiden die aan de gruwelijkste mankementen doen denken, en het is ook een ritje in schier ondoordringbare sigarettenrook, want de gemiddelde Arabier is voor de sigarettenfabrikanten een dankbaar afzetgebied.

Om half vier ’s nachts waren wij aangekomen vanuit Amman, gebracht door een eenzame taxichauffeur die eigenlijk niet precies wist waar wij nu eigenlijk zouden moeten  zijn. De stad was uitgestorven, het hotel leek onvindbaar. Uiteindelijk, na veel gebel, werden wij door een klein poortje afgezet bij de ingang, waar wij door een slaperige nachtwacht naar onze kamer werden gebracht. Dodelijk vermoeid vielen wij in slaap op de piepende bedden, om een half uur later stijf rechtop te vliegen, gewekt door het galmende gekrijs van de luidsprekers van de naastgelegen moskee. Een keur aan Koran-gezangen schalde over de stille straten, overgenomen door andere moskeeën in andere gedeeltes van de stad.  Na een half uurtje stierven ook de laatste echo’s uit en konden wij een nieuwe poging doen in slaap te vallen. Ach, het hoort er allemaal bij.

Na een korte nacht, en maar afwachten of de rest van onze groep überhaupt wel in het hotel aanwezig was, bleek dat wij tot één uur ’s middags hadden mogen uitslapen. Dat ontdekten wij ’s ochtends om acht uur aan het ontbijt in het complex wat door Griekse monniken werd gerund. Het had iets jeugdherbergerigs, alleen de jeugdherbergvader en – moeder ontbraken. Het was weer even wennen, zo’n ontbijt. Nescafé – wat daar stevast ‘koffie’ wordt genoemd, de pita-achtige broodjes, het kuipje onbestemde smeerkaas, en een sausje van olijfolie met kruiden. Geen overvloedige ontbijtdis met croissantjes, De Ruyter hageltjes, beschuit, coburger ham en wat diex meer zij. De rest van de groep druppelde de ontbijtzaal binnen, en uiteindelijk ook onze reisbegeleidster, die ons in plat Amsterdams hartelijk welkom heette. Met z’n zeventienen waren we, en – hoe kan het ook anders – daarvan zaten er tien in het onderwijs. Die pik je er in het algemeen ook altijd zó uit.

Of we ons een beetje decent wilden kleden, zo vroeg onze gids. We zaten niet in Amman, en in zowel de koptische kerk waar we te gast waren, als in de naaste omgeving hechtte men aan bedekkende kleding. In de omliggende straten de bekende winkeltjes, die om onduidelijke redenen allemaal exact hetzelfde materiaal verkochten, voor allemaal dezelfde prijzen en allemaal geheel in oosterse smaak. Dat betekende voor de meubilairwinkeltjes veel donkerbruin gefineerd palissander, met goud geverfde randen, of door de zon volkomen gebleekte enorme bankstellen, die -van overdadige ornamenten voorzien- al jaren op de diverse stoepen voor de winkel leken te staan.
Het type waarop het Sovjet-politbureau uit de tijd van de Koude Oorlog pleegde te zetelen, en met een beetje fantasie zou je je er ook Gadaffi of Yasser Arafat op kunnen voorstellen.

Er waren ook winkels die uitsluitend voor de zoveelste maal gereviseerde autobanden verkochten, of emmers die daarvan waren gemaakt. Of winkels met uitsluitend rollen gaas, of verroeste buizen. Modewinkels met boerka’s in vele kleuren, of kleding die je deed vermoeden met een tijdmachine in de jaren veertig te zijn beland. En overal waren garages, tenminste, er waren zwart beroete openingen in de muur waarbinnen vaag stapels auto-onderdelen te onderscheiden waren, waar je een brug zag die bestond uit twee stapeltjes slordig gemetselde bakstenen. Rijdt u de auto hier maar tegen op, laat u in dit gat de motorolie maar even weglopen, dan plakken wij uw uitlaat met ijzerdraad opnieuw vast. De accu kunt u over de muur kieperen.

Er was een busstation, waar busachtige voertuigen in verregaande staat van verval klaar stonden om enorme lasten op de doorgezakte daken mee te nemen, op weg naar barre oorden in the middle of nowhere op het heetst van de dag, zonder airconditioning, want die was vanzelfsprekend kapot. En in de verte, aan de rand van de stad, ineens de wonderbaarlijk groene akkers, die glooiden in de zon tot aan het einde van de horizon. Het had in de dagen voorafgaand aan ons bezoek wonderbaarlijk veel geregend, de woestijnen zouden kortstondig groen zijn.
We bestelden koffie, kregen Nescafé met heel veel melk, en lieten de stad aan onze ogen voorbij trekken, gezeten op een terrasje waar ruimte was voor één piepklein rond tafeltje en twee piepkleine wrakke stoeltjes. Beneden ons kwam een schoolklas voorbij. Jongens van een jaar of zestien, op weg naar de kerk waar een zeldzaam mozaïek de toeristen verraste. In Nederland zou je als argeloze toerist de schrik om het hart slaan wanneer je in een groep van zo’n twintig slungelige knapen van een jaar of zestien verzeilde, maar hier begaf men zich keurig in rijen van twee, in schooluniform, in doodse stilte en begeleid door twee besnorde leraren naar het doel van de excursie, waarbij men ons schichtige blikken toe wierp. Die lui hadden er wel de wind onder. Je eigen leervraag bepalen? Nog nooit van gehoord!

De volgende keer: Op naar de Dode Zee!

Wauwel in Jordanie, deel 1

Oplettende lezertjes zullen bemerkt hebben dat de schrijfwijze van Jordanie niet geheel volgens de regels geschiedt. Dit stukje wordt namelijk getypt vanaf een toetsenbord vol Arabische tekentjes. In eerste instantie lijkt het of alle verf  door veelvuldig gebruik is afgesleten, maar nadere beschouwing leert dat alle die witte kronkeltjes en vlekjes de Arabische aanslagen vormen. Het typen van deze eerste alinea is dus al een prestatie van formaat.

Via allerlei omwegen door de lucht, waaronder een vlucht van Hamburg naar Frankfurt die geheel gevuld leek met nare zakenlieden die allemaal enorme hoeveelheden zwarte laptoptassen meezeulden, en die wit wegtrokken wanneer je daar in het bagagevak nog iets bij probeerde te proppen, is Wauwel nu beland in Madaba, een stadje iets ten zuiden van Amman, niet ver van de Dode Zee.

Die Dode Zee is inderdaad ernstig dood, en geheel ingesmeerd met modder die mogelijk heilzaam zou kunnen zijn voor lijf en geest heb ik geconstateerd dat het water nog veel zouter is dan men zegt. Het brandt werkelijk op de tong, en bovendien is het uitermate geschikt om drijvend op te webloggen, want hoe je je beste ook doet, je drijft er als een soort kurk bovenop.

Aan de overzijde zie je de bergen en heuvels van Palestina, of Israël zo men wil, en kun je de torens van Jeruzalem in de verte onderscheiden. Het is een raar idee dat men daar in dat gebied naar het leven staat terwijl je zelf als decadente toerist daar met je voetjes in het water bungelt, te midden van grote groepen andere badgasten, waaronder een grote groep Libanese studenten die allemaal vreselijk trots op Beiroet waren en die allemaal erg geïnteresseerd waren in twee Nederlandse bezoekers.

Jordanië is – in tegenstelling tot Egypte – duur, behoorlijk duur zelfs. Nu is dat niet zo’n ramp, want geregeld weigeren de pinautomaten je ook maar enig bedrag uit te keren, en een medereiziger is als straf z’n pinpas al helemaal kwijt geraakt.

Straks gaat Wauwel naar Jerash, het Pompeï van het Midden-Oosten, om te mijmeren over hoe het vroeger allemaal was. De aangekondigde gladiator-show zal hij vermoedelijk aan zich voorbij laten gaan. Teveel overeenkomsten met het dagelijkse leven in het onderwijs.

Meer zodra er weer verbinding is.

Intake-gesprek

Tegen het eind van het schooljaar houden wij in onze opleiding zogenaamde intake-gesprekken. Wie te kennen heeft gegeven op ons boeiende instituut een opleiding te willen volgen, wordt op een goede dag uitgenodigd een twintig minuten durend gesprekje met twee docenten  te voeren en daarin de motivatie uit te leggen, waarbij we tevens wat strikvragen stellen:
“Stel, je loopt langs een vijver, en daarin zijn een mens en een paard aan het verdrinken. wie haal je er het eerste uit? “, waarna de kandidaat, haast struikelend over zijn of haar tong, direct antwoordt:
“O, het paard natuurlijk, want dat kun je vertrouwen, en mensen niet!”

Zoiets verbaast mij, een redelijke paarden-onsymphatisant, die het consequent over knollen  heeft en over poten in plaats van  over benen, al lang niet meer.
Deze keer had ik mij voor twee avonden opgegeven om een serie gesprekken af te nemen. De ene collega vraagt, de andere maakt een soort van aantekeningen en vervolgens brengen we het management advies uit, waarbij een negatief advies met zó veel redenen omkleed moet worden dat je bij voorbaat al iedereen juichend toe laat.

Daar komt de eerste kandidaat, door ouders vanuit het verre Tilburg naar onze locatie in centraal Nederland begeleid. Een meisje van een jaar of zeventien schat ik. Ze geeft mij een handje; of er een dood visje in je hand wordt gelegd, en neemt zenuwachtig met de vingers friemelend plaats.
“Zo, en waarom wil jij graag onze opleiding volgen?”
“Ja, ik heb mijn hele leven al iets met dieren willen doen” ( Wij bieden als school een opleiding “Iets met dieren” aan )
“En heb je zelf ook dieren?
“Ja, een hamster, twee ratten, een goudvis”
“En wat wil je later worden?”
“Ja, iets met dieren”

Die wordt aangenomen, want ze blijkt te kunnen spreken.

De volgende aspirant-deelnemer is een jongeman, die twintig minuten voorover gebogen zittend naar zijn voeten staart. Hij heeft wat papieren van de huidige opleiding meegenomen.
“Ik zie dat hier geen cijfers op deze lijst staan. Komt er nog een cijferlijst aan?”
“Eh.. nee, wij doen daar niet aan. Bij ons telt alleen dat je een vak gevolgd hebt, je hoeft geen cijfer. Als je alle vakken hebt gevolgd krijg je je diploma”
“Ah! Ik begrijp het. Dus je hebt vijf vakken gevolgd? En geen Engels? Want dat zie ik hier niet staan.”
“Nee, dat is onderdeel van dat vak wat daar staat. Gesprekstechnieken.”
“O ja… nou, dan is het wel duidelijk ja.”

Zo gaat het een paar uurtjes door. Er moeten een stuk of negentig deelnemers aangenomen worden. Ik bekijk de diverse aantekeningen op de meegebrachte papieren – een enkeling heeft alles vergeten – : heeft dyslexie; heeft dyscalculie; heeft ambulante begeleider bij zich; heeft PDD-NOS; is allergisch voor stof….

“Kijk je wel eens naar het nieuws?”
“Nou… eh.. ik lees soms wel de Spits, en ik kijk wel naar soaps”.
“Tjonge, het is al weer tijd! Dat ging snel! Nou, eind mei hoor je van ons! ”
“Doei”.

Ach ja… we doen ons best toch maar weer. Het lesbloed kruipt waar het niet gaan kan.

Lintje

Elk jaar om deze tijd verkeert de auteur van dit blogje weer in ondraaglijke spanning over de dingen die komen gaan. Welke dingen gaan er dan komen? Wel, Oranje-gezinde lezertjes weten natuurlijk direct dat ik op de jaarlijkse lintjesregen doel, die onze geliefde Majesteit vanuit haar hoge zetel op ons eenvoudige Nederlanders doet neerdalen, gelijk as uit de IJslandse vulkaan. Maar liefst 3746 trouwe vaderlanders mocht deze onuitsprekelijke eer ten deel vallen, maar helaas, ondanks hard en staand meezingen met het volkslied op de radio bij alle koninklijke verjaardagen, ondanks de warme woorden die ik tijdens de Kersttoespraak via Twitter met de majesteit heb uitgewisseld, ondanks mijn warme steun voor het kabinet tijdens de moeilijke dagen van de monetaire crisis, de IJsland- en de DSB-crisis, de as-crisis, het vlaggen op 27 april ( mijn dochter was toen ook jarig dus dan kon het wel ) : het heeft allemaal niet mogen baten.

Er was nog maar één lintje over, en na lang wikken en wegen heeft het de Majesteit behaagd dit kleinood te verstrekken aan onze nationale shownieuws-man Albert Verlinde. Geheel in stijl met het theater wat door onze hofhouding wordt opgevoerd, en wil je eens een keertje goed aan building van je tanende imago doen, wel, dan gun je zo’n man toch een lintje. Shownieuws is voortaan koninklijk, en de Oranjes zullen vanaf nu nóg meer kunnen genieten van de laatste nieuwtjes rond Geer en Goor, van wie het met wie doet, van de vleesetende schimmel die de implantaten van Patricia Paay schijnt aan te tasten, van de uitgave van Patty Brard van haar nieuwste boek:  “Ik en mijn Klisma”  (op de tast  gesigneerd door Prinses Christina en met een nawoord van Roy van Zuidewijn ), van het alcoholprobleem van Bonnie St. Clair en noem nog maar wat interessante weetjes op.

Wie ben ik dan om ook maar enigszins te verwachten dat mogelijk andere personen daarvoor in aanmerking komen?  Eigenlijk heb ik nog wel een paar suggesties voor volgend jaar, wegens ongekende verdienste voor het vaderland en de maatschappij: Sieneke ( als troost voor de laatste plaats op het Eurovisie-songfestival ); Terror Jaap; de plastisch chirurg van Patricia Paay; de Toppers; Kim Holland; Arie Boomsma; Bruno L. en Saban B. ; Nout Wellink ( heeft-ie nog wat te verpatsen als het onverhoopt toch slechter gaat ); Jan Smit ( omdat-ie Yolanthe kwijt is ); Harry Mens ( om hem een beetje op te beuren na alle verdachtmakingen ); dat mens van Mona-reclame omdat ze af- of weg- schijnt te moeten vloeien, en – niet te vergeten – alle voortijdig afgetreden burgemeesters, lijsttrekkers, wethouders, bankdirecteuren, PVV-kandidaten, fruderende specialisten en voorzitters van woning-coöperaties.

Sterker nog, ik zou het decoreren willen uitbreiden tot ook dieren, die zich verdienstelijk hebben gemaakt voor de samenleving. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan de kudde wilde zwijnen op de jachtgronden van Paleis Het Loo, aan geiten die slachtoffer zijn geworden van de Q-koorts, en aan kippen wegens hun grote verdienste voor de bio- en de geneesmiddelen-industrie. En vooral toch ook aan mijn twee katten, beide zeventien jaar oud en veel plezier aan mijn gezin gegeven, dus het wordt hoog tijd.

Suggesties zijn natuurlijk van harte welkom.

Eeuwige roem met Twitter

Vandaag mocht ik een presentatie geven met als titel:  “Twitter voor digibeten”. Een enthousiast publiek van digibeten had zich dus al vroeg in het zaaltje van het congrescentrum verzameld, onwetend van het feit dat zich eerder op de ochtend tijdens de voorbereidingen al een gruwelijke ramp had voltrokken in de vorm van het volkomen onverwachts uitvallen van het beeld op de beamer. Je test alles honderdduizend keer uit, en toch weet de wet van Murphy telkens weer onbarmhartig toe te slaan. Maar goed, met blij gemoed togen we aan de slag, en het aardige van digibeten is, dat zij de informatie echt met volle teugen tot zich nemen,  je hoort nog nèt geen slurpen. Over twitter kun je uren lang doorkletsen, en het is leuk om te constateren dat er voor veel aanwezigen een wereld openging, terwijl we in het onderwijs toch vaak geneigd zijn om te denken dat alles wat wij vertellen, toch zo welsprekend is. Hulde aan mijn publiek dus, en zelfs toen zich alsnòg een techniekrampje voltrok – de filmpjes in mijn presentatie werden enkel op mijn laptop vertoond, en niet op het beamerscherm – was men bijzonder vergevingsgezind en hield ik de laptop dus maar voor mijn volgelingen omhoog, zodat ze toch nog een glimp van onder andere dit hilarische filmpje konden opvangen:

[youtube]http://www.youtube.com/watch?v=yu4zMvE6FH4[/youtube]

De avond ervoor had ik een Humor Workshop gevolgd, en het effect van onderwijs staat of valt met het gebruik van humor. Zo’n boodschap blijft ongekend lang hangen.  De presentatie verliep verder naar wens, en wie schets dan ook mijn verbazing dat ik enkele uren later in eens mijn naam op twee enorme schermen in de grote zaal zag verschijnen, met daaronder de mededeling dat ik tot beste presentator van het congres was verkozen en een studiereis naar Californië had gewonnen. En dat met 140 tekens! Eeuwige roem werd direct mijn deel, maar die werd al weer enigszins getemperd door het commentaar van mijn geliefde vrouw en dochters die hun oude vader ’s avonds op de website van het congres op video zagen vastgelegd. “Je lijkt wel tachtig!”, “Wat voor drugs heb je daar gebruikt?”, “Het lijkt wel of je een kunstgebit uit hebt!”, “Je bent enorm gespannen daar zeg!”

U kent het wel. Het soort vleiende kreten die het gezin bij wijze van lofuiting de heer des huizes doet toekomen. Je leert er mee leven. Lotgenoten onder de huisvaders, vooral die met drie dochters, zullen er van mee weten te praten.  Het filmpje was ook inderdaad een lichte schok voor mijn vandaag toch wel wat gestreelde ego. Je zal als klas toch een hele dag tegen zo’n vent moeten aankijken en dan ook nog die piepstem aanhoren.  Ik zal dus ook niet zo gek zijn hier de link naar dat filmpje te plaatsen, zó ijdel ben ik dan ook nog wel. Maar, de reis gaat naar Los Angeles, en daar zitten de nodige gehaaide medici die in dure klinieken hun clientèle van beroemdheden in zes dagen tijd een total make-over kunnen geven. Zo’n verzuurde  en door de tand des tijds getekende Twitteraar zal voor hen dus even een simpel klusje tussendoor zijn. Voor het geval de studiereis dus mogelijk een beetje saai zou blijken ( ik verwacht dat trouwens niet ), dan heb ik in elk geval een alternatief, en zal na afloop een Arnold Schwarzenegger-achtig type, maar dan met beeldschoon uiterlijk als van een vijfentwintigjarige, zijn rentree in huize Wauwel maken.

Conferentie

Eén van de grootste zorgen die je als presentator op een conferentie elke keer weer kan kwellen is de vraag: “Werkt het allemaal?”
Er zijn momenten dat alles tegen lijkt te zitten. Uw blogger vertrok vanochtend welgemoed van huis, bij het krieken van de dag, want files en zo, en opnieuw had de organisatie van dit congres in haar ondoorgrondelijke wijsheid besloten om als plaats delict Veldhoven uit te kiezen, u weet wel, die plaats waar van de week een enorme bende criminelen is opgerold. Blijkbaar hebben deze lieden ook banden gehad met de wegenbouw-maffia, want zoals gewoonlijk bleek dit oord schier onbereikbaar.
Ondanks de goed bedoelde aanwijzingen van mijn TomTom-juffrouw, belandde ik met verhit gemoed ongeveer op de landingsbaan van Eindhoven Airport, moest ik gelijk een terreinwagen enige wegbermen nemen om weer op het goede spoor te geraken, om vervolgens van haar te vernemen dat ik nu de linkerbaan op de snelweg moest aanhouden waar geen snelweg was.
Uiteindelijk belandde ik na twee uur rijden in Best, ooit uitgeroepen tot crimineelste stad van Nederland, totdat Veldhoven blijkbaar die positie overnam.
Ik heb toen in opperste wanhoop maar aan juffrouw TomTom opgedragen snelwegen te vermijden, en zo belandde ik toch nog in het congrescentrum, waar natuurlijk het draadloze internet uit de lucht was, ondanks een nacht doorsleutelen door een bedrijf waarvan ik nu uit piëteitsoverwegingen de naam niet zal noemen.
Twitteren via mijn geliefde iPhone bleek ook een moeizaam gebeuren, maar op het moment van schrijven is dat inmiddels iets verbeterd. Ik heb gemerkt dat op het tweede herentoilet in de afdeling rood op de eerste etage de ontvangst vrij redelijk is. Ik kan dus iedereen aanraden daar heen te gaan.
Mijn eerste workshop – ik ben zelf pas donderdag aan de beurt – werd gegeven door een persoon die met behulp van enige techneuten met de moed der wanhoop aan het opstarten van de presentatie bezig was. Dit werkte niet, dat werkte niet, en toch nog zó geprobeerd en getest, u kent dat wel. De techneut zat zwetend over de bekabeling gehurkt, daarbij de aanwezigen een ruime blik op diens bouwvakkersdecolleté gunnend.
Het kan wat dat betreft altijd erger: ik heb ooit eens een presentatie mee mogen maken die gegeven werd door een dame van in de vijftig, nogal mollig postuur, die het gepresteerd had een soort naveltruitje aan te trekken. Vijfitig minuten lang bleven de aanwezigen gebiologeerd naar die tussen diverse rollen vermoede navel staren, van aandacht was zij dus absoluut verzekerd, zij het enigszins misplaatst. Het had in dat geval ook totaal niet uitgemaakt of het internet nu wel of niet gewerkt had, iedereen was toch op zoek naar die navel.
Goed, morgenochtend is het dus mijn beurt, en mag ik live gaan twitteren voor de hopelijk in grote getale aanwezige digibeten. Alles lijkt goed te gaan. Het internet werkt nu, met dank aan de alom aanewezige en behulpzame technici en ik heb ook geen naveltruitje aan. Het kan gewoon niet meer mis gaan. U hoort nog!

Borrel

Het onderwijs telt tegenwoordig flink wat managers. Vroeger heette zoiets gewoon bovenmeester of directeur, maar nu spreken we geheel eigentijds over “managementteam”, want het in je eentje runnen van een onderwijsinstituut is tegenwoordig schijnbaar een onmogelijke opgave. Veel scholen beschikken dus over een steeds verder uitdijend managementteam en een steeds verder krimpend docententeam. Docenten – een woord wat vaak gelijk staat aan “kritische  en behoudende zeurkousen” worden immers in toenemende mate vervangen door goedkopere onderwijsassistenten of door toevallig langslopende lieden, die men een woordje Engels of Nederlands heeft horen spreken en die dus wel even op contractbasis een aantal van die lesjes kunnen verzorgen.

Het bestieren van een onderwijsorganisatie vergt dus meer en meer tijd, daar heb je dus steeds meer medestanders voor nodig en daarbij wil je niet te veel gestoord worden met vraagjes als “Mijn rooster klopt niet, waar is mijn klas?” of  “Kan ik de vrijdagmiddag voor de meivakantie al weg want ik heb al geboekt”. Je zorgt dus dat je als managementteam een redelijke bereikbaarheidsdrempel opwerpt in de vorm van bijvoorbeeld een flink aantal lange gangen waar je door heen moet wandelen, of afspraken alleen via het secretariaat en dan drie weken van te voren in tweevoud indienen, of – veel mooier nog – ver weg van de lespraktijk een eigen gebouw voor iedereen die tot het managementteam behoort of daartoe ooit hoopt te behoren.

Nu ken ik een school waar het management een manier heeft gevonden om op ludieke wijze toch nog in contact te treden met het gewone volk, met de docenten dus. Tijdens de koffiepauzes gaat zoiets niet, want vergaderen en zo, dus is er nu op wekelijkse basis een lokaal etablissement afgehuurd waar de docent, met de pet in de hand, zómaar, zonder te vragen, onder het genot van een drankje en een nootje, de leidinggevenden mag benaderen om in ongedwongen sfeer het hart uit te storten. Op kosten van de school! Wat heerlijk toch. Zomaar, zonder dossier op tafel, met een echte meerdere kunnen praten, over koetjes en kalfjes, in diens natuurlijke habitat: de kroeg? Voor het betere netwerken?  Voor het wij-gevoel? Met dubbelslaande tong op audiëntie, als het gesprek een beetje té gezellig wordt?

Geen goed plan, lijkt me. Als ik op zo’n school zou zitten, dan zou ik graag het management willen ontmoeten in de ongedwongen, dan maar wat minder gezellige sfeer  van de personeelskamer, achter een eenvoudig bekertje schoolkoffie. Daar waar je ze zou moeten verwachten. Op de werkvloer. En die plek blijkt steeds moeilijker te vinden op veel scholen.