Kleine kindjes worden groot….

Eén van de vreselijkste dagen die je als ouder mee moet maken is de dag waarop je kinderen het huis uit gaan. Vind ik dan. Mij overkwam dat afgelopen weekend. Het is een dubbel gevoel. Aan de ene kant vind je het fantastisch voor je kind, maar aan de andere kant voel je je ineens tien jaar ouder.  Zoiets laat je natuurlijk niet merken.  Je helpt ijverig en opgewekt mee met het leegruimen van de meisjeskamer;  je schildert en je boort in haar nieuwe optrek dat het een lieve lust is, en je speelt een hoofdrol in het blijspel van haar leven waar dat voor jou een treurspel, om niet te zeggen een tragedie is. 
Weken lang heb je tegen dat moment op gezien, terwijl je weet dat het eens onherroepelijk gaat komen, en je hebt eeuwige spijt dat je niet meer met haar hebt opgetrokken op de momenten dat ze thuis was.  Het hoort er allemaal bij, hoewel je je zelf wijs maakt dat het niet erg zou zijn wanneer ze de rest van je leven veilig en beschermd bij je thuis zouden blijven wonen. Ineens voel je wel wat voor die patriarchale gezinsconstructies, waarbij de hele familie gedurende het hele leven knusjes bijeen in de hut blijft wonen.

Het was niet de eerste die vertrok. De oudste woont al een tijdje v rij en blij met vriend ergens in het midden des lands, gelukkig niet meer dan dertig kilometer verwijderd. Maar dan waren er nog altijd twee thuis, met aanloop van vrienden en vriendinnnen en alle reuring die daar bij hoort. Rekening houden met eten, toch zorgen maken wanneer ze nog niet thuis zijn en pas rustig slapen op het moment dat je in het holst van de nacht heel zacht de voordeur open en dicht hoort gaan. Zakgeld, kleedgeld, schoolgeld, het kost je een vermogen maar je betaalt het met liefde. Ruzies aan tafel, commentaar op het eten, opmerkingen over je bankhang- en je zapgedrag.

Het is allemaal voorbij.  Je voelt je ineens tien jaar ouder. Met je kind verdwijnt ook een stukje van de huiselijke sfeer. Je bent vrijer, je hoeft minder rekening te houden met, je hebt meer geld uit te geven, en je bent meer op je partner aangewezen. Langzaam ga je weer terug naar af, terug naar het begin, en ligt er een nieuwe toekomst voor je zonder kinderen.  Een nieuwe fase dus, die je als een uitdaging moet zien; dat maak je je maar wijs.

Is er geen praatgroep voor ontredderde ouders, vraag je je af. Een soort rouwverwerking weaar helemaal geen rouw hoort te zijn. Je wilt gelijk gaan bellen van hoe gaat het daar nu, en dan liefst nog elke dag. Je bedenkt allerlei strategieën voor familieweekends, waarbij ze al op vrijdag komen logeren en pas zondagavond laat weer naar hun eigen huis mogen vertrekken.  Hun eigen huis wat ineens niet meer jouw huis is, waar jij nu voortaan op bezoek gaat komen, maar niet te vaak en niet te lang, want zo hoort dat nu eenmaal.  Langzaam verandert jouw functie in hun leven. Je hoeft niet meer te zorgen voor, ook al zou je dat nog zo graag willen. Je moet maar aannemen dat ze nu voor zich zelf zorgen, en je zou nu een stuk rustiger moeten slapen in de late weekend-nachten.
Voorzichtig begin je straks aan het wat leegruimen van hun kamertje. De spulletjes die niet meer nodig zijn. Frutsels, knuffels, roze meisjesdingetjes voor meisjes die nu vrouw zijn geworden. Je moet er nu nog even niet aan denken. Daar gaan nog wel een paar weken over heen, voordat je zoiets redelijk onbevangen kunt doen.

Misschien overdrijf ik wel een beetje, misschien ben ik overbezorgd, misschien zwelg ik wel in zelfmedelijden.  Het is niet meer dan normaal, het is deel van je leven, roep ik mezelf tien keer per dag in gedachten toe.  Tien jaar ouder, en de grote vakantie is ineens geen leuk vooruitzicht meer.

Eentje is er nu nog over hier, en die heeft stageplannen voor Australië. Ik hoor het me nog luchtig en opgewekt zeggen: “Al willen ze naar de andere kant van de wereld emigreren, ik zal het van harte ondersteunen als ze daar een fijne toekomst hebben!” . Nu vind ik Hilversum, een half uur rijden hier vandaan, al een drama.

Ach, kleine kindjes worden groot, en ouders worden ouder. Dat gaat veel sneller dan gedacht. Het gaat allemaal wel weer wennen.  Nu maar even genieten dus, en uitkijken naar het eerstvolgende bezoekje…..niets aan de hand. “No worries, mate. ”  Ja ja….

Wauwel in Jordanië, deel 4

Tot de stilste en meest aparte plekken op aarde behoort ongetwijfeld de woestijn van Wadi Rum. Na een rit van een paar uur bereikten wij de ingang – zelfs een woestijn kan dus een ingang hebben – , want het hele gebied is beschermd landschap en niet toegankelijk voor zo maar Jan en Alleman. Er staan dus wachtposten, en de rest van de reis dient te geschieden per speciaal daarvoor toegelaten jeep, per kameel of te voet. Nu zijn de jeeps in Jordanië en ook in Egypte van het soort dat volgens mij door het Engelse of Duitse leger in 1945 is achtergelaten, of misschien heeft Lawrence of Arabia daar persoonlijk nog aan liggen sleutelen, dus we kozen voor de kameel. Die staan bekend om hun prikkelbare aard, dus het leek mij verstandig om mijn gade op het ding te laten plaatsnemen en zelf het dier aan de teugels voort te zeulen en wanneer nodig voor held te kunnen spelen.

Ons doel was een bedoeïenenkamp, een paar uur verder op. De bagage van onze groep ging vast per aftandse jeep vooruit. Het landschap was adembenemend; vanuit de rossige zandvlakte staken de meest krankzinnige rode rotsformaties omhoog, en je kreeg sterk de indruk op Mars rond te wandelen. In feite liep je op de bodem van een reeds miljoenen jaren geleden opgedroogde zee. Zo raakten we steeds verder verwijderd van de bewoonde wereld, en kwam je eigenlijk terecht in een andere dimensie waar geen tijd meer bestond, heel onwerkelijk.
Onze reisbegeleidster had ons op het hart gedrukt onderweg geen rommel achter te laten, en bij voorkeur, wanneer er een grote boodschap gedaan moest worden, die te vuur en te zwaard te verdelgen. Alles verbranden dus. Verder oppassen voor slangen en schorpioenen, goed drinken en vooral de zon geen kans geven. Nu viel het met de temperatuur wel mee, het was tegen het einde van de middag, en de verschillen in temperatuur tussen dag en nacht kunnen daar enorm zijn. Veertig graden verschil is geen uitzondering.

De kameel sjokte onverstoorbaar voort en de vermoeidheid begon langzamerhand zijn tol te eisen. Lopen door het rulle zand was geen makkie, ook niet als je de overvloedig aanwezige wielsporen benutte. De beschaving had zelfs in dit gebied nog veel meer sporen achtergelaten, want overal zag je plastic afval. De vergelijking met de zee gaat dus aardig op.  Uiteindelijk bereikten we het kamp, een paar tenten gemaakt van kamelendekens, gelegen aan de voet van een rotswand.  Onderweg waren we een grote groep Jordaanse yuppen gepasseerd, die zich, gehuld in chique en trendy kleding op een rots hadden verzameld, en waar steeds meer verkeer naar toe trok. Bange voorgevoelens maakten zich van mij meester, maar voorlopig waren we nog te zeer onder de indruk van het landschap en het onderkomen voor de nacht.
Enkele groepsleden waren lichtelijk geschokt door het ontbreken van tussengordijnen in de tent, we lagen allemaal knusjes naast elkaar, maar op onze leeftijd hebben we uiteindelijk niet veel meer te verbergen.  De Jordaanse begeleiders presteerden het om in de snel vallende duisternis een heerlijke maaltijd op een houtvuurtje klaar te maken. Visioenen van gebakken kamelentestikels en geitenogen  bleken niet uit te komen, en ook een haastige vlucht naar het herentoilet – je mocht zelf kijken welk plekje tussen de rotsen je daarvoor uitzocht  – bleek vooralsnog niet nodig. Zag je in het pikkedonker her en der lichtjes in de woestijn, dan wist je: daar zit er eentje te poepen en moeilijk te doen om het te begraven of in de fik te steken.  Nu ben ik iemand die, wanneer zich drang voordoet, nog in het meest desolate landschap alle omliggende  heuvels en bergen op rent om te kijken of er toch maar vooral niemand aankomt,  maar de duisternis was een goed alternatief, en vele malen beter dan zo’n Arabische hurkplee.

Toen was het tijd om te gaan genieten van de sterrenhemel, de nachtrust en de stilte. Op dat moment kwamen alle bange voorgevoelens omtrent de Jordaanse yuppengroep uit. Vanuit de woestijn zwol een reusachtuge orkaan van geluid aan, duizendvoudig weerkaatst klonk de  dreun van een enorme houseparty, waarvoor met vrachtwagens alle mogelijke apparatuur was aangevoerd. Wadi Rum, de stilste plek op aarde, en uitgerekend op dat moment besloot Wauwel daar een paar nachten door te brengen…..
Wonder boven wonder klonk er tegen twaalven een soort volkslied, en trad zowaar stilte in….. misschien was de groep door woedende reizigers doodgeschoten of had iemand de stroomkabel doorgesneden. Tijd om te genieten van de nachtrust, maar het leed was nog niet geleden. Ik ben zo iemand die beslist een lang en ouderwets degelijk bed ( en niet een  vergaan schuimrubber lapje) nodig heeft om te kunnen slapen, en daarbij ook nog eens een stille omgeving. Ik ben jaloers op lieden die gaan liggen en ongeacht de ondergrond of houding direct vertrokken zijn naar dromenland. Daarvan waren er dus enkele in de groep. Wat door de muziek eerst niet hoorbaar was, schalde nu als een soort vuvuzela door de nacht: het oorverdovend gesnurk van enkele medereizigers. Al met al toch zeker wel een uurtje of twee geslapen die nacht.

De nacht daarop in het volgende kamp heerste echter absolute stilte. Ieder  had – door schade en schande wijs geworden – een rustig plekje bij de tent vandaan opgezocht en zo lag je daar dan naar de ontelbare sterren te kijken, in een ongekend heldere hemel,geen zuchtje wind,  terwijl je  in de stilte  uitsluitend het suizen van je eigen bloed door je aderen hoorde. Ongekend. Een nacht op Mars.

Bij het ontwaken ontdekte ik dat dit tevens bijna mijn laatste nacht was geweest. Pal naast mijn hoofd, onder de tas waar ik ’s nachts nog ijverig in had zitten rommelen om wat foto’s te maken, had zich een vervaarlijke zwarte schorpioen genesteld. Hoe kleiner de schaartjes, hoe giftiger, en deze was dus héél erg giftig. Het houdt je scherp, zullen we maar denken.

Pijn

Mannen zijn de kleinzerigste lieden op aarde. Dat uit zich vooral op plekken waar mannen geen controle kunnen uitoefenen over de loop der gebeurtenissen; iets wat de meeste mannen toch zo graag doen.

Zo’n plek is bijvoorbeeld de stoel van de tandarts of de mondhygiëniste. In beide stoelen word ik geacht aanstaande woensdag plaats te nemen. Het kan niet op dus. Nu is de mondhygiëniste een in het algemeen aardige juffrouw, die zich – meestal onder toeziend oog van een stagiaire , die het allemaal nog moet leren en waarvan je beslist niet wilt dat die je ook maar met één vinger aanraakt  –  wellustig aan je tandsteen vergrijpt. Dat gebeurt met allerlei geniepige martelwerktuigjes die je de indruk geven dat al het zorgvuldig opgebouwde glazuur op gruwelijke wijze vernield wordt, naast een hoop andere onderdelen ( vullingen, kronen, stukken ivoor ).  
Meestal begin je enkele dagen vóór het geplande bezoek wat serieuzer te poetsen, en je hoort  de instructies omtrent het op de juiste wijze flossen en tandstokeren dan ook gelaten en met bebloede bek aan. Na afloop, wanneer het heerlijke polijsten met dat lekker smakende goedje begint, krijg je weer wat van je ernstig aangetaste kapsones terug, je neemt je voor weer een tijdje goed te poetsen en te flossen.

Een andere plek waar mannen heel erg  zielig zijn ligt een deur verder, bij de tandarts zelf, die opgewekt een gesprek aanknoopt terwijl je amechtig met je mond vol schroeven en bouten verstijfd achterover hangt en alleen maar rauwe kreten kunt slaken of in het ergste geval slechts met je ogen kunt knipperen.
Ik laat me bij de tandarts in principe altijd verdoven als er kans is op méér dan alleen maar even wat voelen en trekken aan de diverse restanten die mijn gebit vormen. Ooit heb ik als puber een trauma opgelopen: een zenuwontsteking die in het weekend wel even behandeld kon worden door een buurman een paar huizen verderop, namelijk een tandarts in ruste, die bij wijze van hobby nog wat apparatuur op een zolderkamertje had uitgestald. Dat betekende dus een soort trapboor, aangedreven door zo’n draad waar de flarden aan hingen, en een martelende pijn en wegzinken in zwarte duisternis toen de boor de zenuw raakte.

Sindsdien lig ik niet voor mijn plezier in die stoel. Hoé ik me ook voorneem om toch maar vooral ontspannen te blijven liggen, na vijf minuten betrap ik mij er op dat ik wéér gespannen als een plank in die stoel lig met een hemd doordrenkt van angstzweet.
Woensdag wordt mij een kroontje aangemeten. Behalve dat mannen kleinzerig zijn, zijn ze ook een beetje ijdel. Waar ooit nog een achtergebleven melkhoektandje huisde, gaapt nu sinds een paar jaar een zwart gat, en dat kon het gezeur van het gezin niet langer weerstaan, ondanks het prijskaartje van achttienhonderd euro. Blijkbaar ben ik nog op een leeftijd dat uiterlijk er toch nog een héél klein beetje toe doet, ondanks dat je daar een aardige vakantie naar een mooi en tropisch land voor moet opofferen, want het geld is dan wel zo’n beetje op.

Maar goed, ik kan er dan om lachen als een boer die geen kiespijn meer heeft.

[youtube]http://www.youtube.com/watch?v=edX813T7-Dg[/youtube]

Dagje Teambuilding….

Wij hadden vandaag een dagje teambuilding. Elk zichzelf respecterend onderwijsmanagement zorgt er voor dat tenminste één keer per jaar de diverse docententeams in het kader van teambuilding een potje kunnen ontspannen. Zo is hen dat door dure adviesbureaus op het hart gedrukt, en de wil van onderwijs-adviesbureaus is wet, dus zo geschiedde. Dat builden kan op allerlei manieren.  Je kunt ergens in het pand een leegstaand lokaaltje betrekken en met je personeel de zaligheden van het competentie-onderwijs bespreken, afhaal-chinees toe, of  je reist af naar een – heel trendy –  kookstudio in den lande, in dit geval ergens op een industrie-terreintje in Nunspeet. Doel van deze dag: tapas maken, en vervolgens gezellig consumeren.

Nu had ik gruwelijke herinneringen aan een soortgelijke activiteit die wij ooit eens tijdens de jaarlijkse personeelsdag mochten plegen. Na een aantal zware uren op een veel te kleine waterfiets door de Zwolse grachten ploeteren, mochten wij ons vervoegen bij een soort kookcafé. Eind van de middag, dus de stemming was reeds tot ongekend jolige hoogte gestegen – zeker bij onderwijsgevenden gaat het er dan bijzonder lollig aan toe –  en het aanwezige restaurantpersoneel deed daar nog een schepje bovenop. Zo strompelde ik dodelijk vermoeid met mijn geschaafde waterfiets-knieën een duister trapje af, nog onwetend van de verrassing die het organiserend comité ons bereid had, om te belanden in een soort keuken waar enkele blije koks ons in vol ornaat opwachtten. We mochten met z’n allen gaan koken, een mededeling die in het toenemend rumoer -men had reeds diverse terrassen gefrequenteerd – bijna verloren ging.
De koks waren van het type gangmaker-op-feesten-en-partijen. Wij mochten ons dus hullen in een schort en kregen ook een enorme koksmuts op het hoofd geperst. Daarna mocht uw blogger zich samen met de andere collega’s in een grote kring om de fornuizen opstellen, een pollepel in de hand nemen, een diepe buiging voor het kookgerei maken, de armen heffen en hard “Hoezeee!” roepen. En dat dan drie keer achter elkaar……
Was er maar een polonaise gevolgd ( die kwam pas later ), en had Wauwel maar achteraan in de rij gestaan, om zodoende stilletjes in staat van totale ontreddering het pand te kunnen verlaten om haastig naar huis af te kunnen reizen. Maar nee, ontsnappen was onmogelijk, en de feestavond, waar geen einde aan leek te komen, ontaardde in een luidruchtige kook- en schranspartij waarbij La Grande Bouffe tot een droog crackertje verbleekte.  Het restaurant in kwestie schijnt enkele maanden later door de bliksem getroffen te zijn en is tot de grond toe afgebrand. God bestaat dus, zij het soms wat laat.

Ik schrijf die gebeurtenissen nu maar toe aan een ontlading van spanning, die – en dat weet iedereen die in het onderwijs werkt – volgt op de momenten dat je de dagelijkse onderwijspraktijk even achter je kunt laten.  Het voornemen om ons bij een tapas-studio te droppen vervulde mij dus met angst en beven, en zorgvuldig hield ik dan ook de gastheren in de gaten, wachtend op het moment dat de koksmutsen en de pollepels weer tevoorschijn zouden worden getrokken.
Het viel mee. Je wilt je meerderen ook niet al te zeer teleurstellen, dus toog Wauwel aan de bereiding van paëlla – waarin onbestemde brokjes kip en garnaal-achtige dingen verwerkt moesten worden – wèl in schort, maar gelukkig zonder koksmuts. Zo zaten wij dus rond het middaguur de laatste roddels en nieuwtjes rond het management door te nemen ( een uitermate belangrijke vorm van teambuilding ) , onder het genot van wat voorzichtige hapjes tapas. Voorzichtig, want op de opleiding dierverzorging waar ik werk, kan het voorkomen dat een collega bij wijze van demonstratie in de les de anaal-klieren van een speciaal voor dat doel meegebrachte hond uitknijpt, en daarvan wil je de restanten toch niet in je sausje terugvinden.
De sfeer bleef beschaafd en hartelijk, men barstte niet in brallend gezang uit, er werd slechts beperkt over voetbal gesproken en men was over het algemeen aardig nuchter. Om half vier waren de festiviteiten weer ten einde, en kon men kiezen tussen afreizen naar ergens een terrasje of  gewoon naar huis. Wauwel koos wijselijk voor het laatste.
Nu snel naar de Appie, want ik heb zin in patat met vissticks.

Klaarkomen met de MBO Raad

Oeps! Wat zeg ik nu weer allemaal! Dàt gaat lezers kosten. Waarom moet ik dan toch aan zoiets denken? De MBO-raad is een zeer belangrijke organisatie in MBO-land, met als hoofdstad Competent City. De voorzitters van colleges van bestuur en centrale directies van alle bij de MBO Raad aangesloten onderwijsinstellingen vormen de algemene ledenvergadering.  De MBO-raad wil Nederland met “kennisvergrotende leerwerkomgevingen” weer in de mondiale top 5 doen belanden. Dat gaat helemaal lukken, want er komen “concrete arrangementen van leren en werken en synergie door kennisdeling en gezamenlijke innovatie”.

Nu ben ik zo’n docent die van die leerarrangementen aanbiedt en die de synergie vindt in het delen van zijn kennis aan een klas waarvan er slechts zes op waren komen dagen omdat  de anderen vijf  tussenuren op een dag wat te veel van het goede vonden, dus als ik dit soort mooie berichten van de MBO-raad lees, raak ik toch wat onvast op de benen en moet ik steun zoeken bij het wat aftandse schoolmeubilair.
De MBO-raad lijkt wel een beetje op de spuitende oliebron in de Golf van Mexico, en ook wel een beetje op de Eyafjallajökull-vulkaan op IJsland.  Beide blijven ongecontroleerd enorme vervuiling het milieu in spuiten, waardoor elk zicht op verbetering ontnomen wordt en bijvoorbeeld het verkeer volledig wordt ontregeld. Door de as- en oliewolk zien we de door de bomen het bos en de bodem niet meer, en de schade blijft nog jaren nadien zichtbaar.  Blijkbaar verkeert de MBO-raad in een voortdurende staat van onderwijskundig orgasme;  er schijnt een lichamelijke afwijking te bestaan die iets dergelijks veroorzaakt, en zo blijf je maar doorgaan met zelfbevrediging, in dit geval in de vorm van  allerlei ronkende plannen en websites waar je leerlingen blij ziet badderen in traag stromende vernieuwingsrivieren die door een oneindig leerlandschap gaan.

“Van r*@%*n word je doof!”  luidt een bekend grapje. Dat zou ik tegen de MBO-raad willen zeggen. Die dan vervolgens antwoordt: “Wat zeg je?”.  Ik zal het dan iets duidelijker herhalen: “VAN RUKKEN WORD JE DOOF!”. De MBO-raad is helaas doof voor de klachtenregen, die een nog grotere proportie heeft aangenomen dan de as- en olieregen, en blijft vrolijk doorgaan met zelfbevlekking.

Twee van de vijf  “studenten” in niveau 1 en 2  hebben ernstige problemen die het volgen van goed onderwijs in de weg staan. Daar heeft men een prachtige oplossing voor. Men heeft per niveau duidelijk omschreven waar de deelnemer aan moet voldoen. als voorbeeld de eisen die worden gesteld aan een niveau 1-leerling bij het vak Nederlands:

  • brengt een heldere en logische structuur aan in de informatie, door vorm en opbouw; to-the-point, wijdt niet onnodig uit
  • gebruikt taal die aansluit bij de boodschap en doelgroep, gebruikt geen onnodig vakjargon
  • mondeling: spreekt rustig en duidelijk verstaanbaar Nederlands (snelheid, volume, articulatie); maakt hierbij effectief gebruik van woord, gebaar en hulpmiddelen.
  • schriftelijk: Schrijft helder, beknopt en foutloos (woordkeuze, spelling, grammatica);
  • toont belangstelling en betrokkenheid en luistert actief naar anderen; vraagt de ander naar zijn mening, advies en welbevinden
  • is in uitleg rustig en zeker, net zolang totdat de boodschap volledig bij de ander is overgekomen

Wat voor lieden functioneren op niveau 1 Nederlands? Wel, de gemiddelde voetbal-hooligan bijvoorbeeld. Met behulp van dit handige lijstje kan de docent in zijn rol van assessor snel analyseren of de leerling deze competenties  beheerst.  Is het “Hi-ha hondelul” of  “Hi-ha hondenlul”? In het moderne onderwijs maakt dat niet zo heel veel uit. Als de boodschap maar overkomt,  en desnoods geef je er nog een paar trappen bij in het geval van de voetbal-supporters.
Daarnaast kan de leerling natuurlijk een portfolio overleggen, waaruit blijkt welke competenties al eerder zijn behaald. Tot nu toe is zo’n portfolio in veel gevallen een soort veredeld poëzie-album, en de inhoud ontstijgt niet het niveau van “tip-tap-top, deze leerling lust graag drop”.

Onlangs zag ik in een onderwijs-special van een actualiteiten-rubriek een actie van de SP, die op bezoek was bij in het heilige der heilige van de MBO-raad: het hoofdkantoor. Men kwam daar voorstellen om de hele MBO-raad maar af te schaffen, want te veel geld en zo, wat te veel naar besturen en managers ging. In het filmpje wordt een MBO-leerling opgevoerd, die op de vraag wat competentie-gericht onderwijs is, geheel in stijl weet te antwoorden: “Je moet te veel op je eigen werken”.  Ook zien we een verontruste collega, die haar ongerief uit tegenover de welwillend toe horende voorzitter van de MBO-raad, een aardige man overigens, die de aanwezigen een lekker kopje koffie aan biedt.

Afschaffen is natuurlijk geen optie. Maar het zou wel zinvol zijn om net als bij de spuitende oliebron te proberen een soort stolp over de MBO-raad en alles wat daar voor staat aan te brengen, om zo die onderwijsvernieuwingen die wèl een verbetering voor de kwaliteit van het onderwijs betekenen, gecontroleerd te kunnen aftappen. Die zijn er ongetwijfeld: een goed portfolio, meer zelfwerkzaamheid voor leerlingen die dat aankunnen, en zo is er nog wel het een en ander te bedenken. Maar dan wel graag van onder af ingevoerd.
Eerst hebben we nog een gigantische klus om de aangerichte vervuiling op te ruimen. Het opruimen van de enorme achterstand bij taal en rekenen bij de PABO-studenten – en dan kijk ik nog niet eens naar de gebreken op andere vakgebieden zoals bijvoorbeeld geschiedenis en aardrijkskunde – ; het opruimen van de enorme papierwinkel in het competentie-onderwijs – er zijn soms zestig pagina’s nodig om de competenties voor één bepaald vakonderdeel op niveau 1 te omschrijven-  en zo is er nog een reusachtige berg achterstallig onderhoud.
Een meerderheid van de MBO-docenten verwacht dat de kwaliteit van het onderwijs over tien jaar nòg verder achteruit zal zijn gegaan. Dat klopt. Er zal minstens een generatie over heen gaan voordat de schade enigszins is hersteld.
De vriendelijke voorzitter van de MBO-raad doet me een beetje denken aan Mohammed Saeed Al Shahhaf, die aimabele Iraakse minister van propaganda, die tijdens de  oorlog in Irak zulke enige persconferenties gaf. Terwijl links en rechts de bommen insloegen, bleef hij ijverig en opgewekt volhouden tegenover de verzamelde pers dat er niets aan de hand was en dat alles goed zou komen. De overwinning is nabij, ook voor de MBO-raad.

[youtube]http://www.youtube.com/watch?v=eKy4qFMLUJo[/youtube]

Wauwel in Jordanië, deel 3

Wanneer je vanuit het onder Amman gelegen Madaba naar het westen rijdt, kom je eerst langs bloeiende velden. Bijna of je ergens in de Achterhoek vertoeft, met zacht glooiende heuvels en verrassend groen. On-Arabisch. Na enige tijd echter verandert dit beeld; de weg gaat steeds meer kronkelen, je komt geen rotondes meer tegen met wanstaltige beelden waar ze in het Midden-Oosten patent op lijken te hebben, en  de glooiende velden maken plaats voor dor en droog gebergte, geblakerd door de schroeiende zon. Hier en daar zie je een Bedoeïnen-tent met daarom heen wat plastic vaten, een stapel rotzooi  en een kudde schapen, geiten of kamelen. Op landweggetjes die naar niets lijken te leiden, rijdt een aftandse pickup-truck in een wolk van stof, midden op een berghelling vol bleek verkleurd zanderig puin ontwaar je een geitenhoeder met zijn kudde. Blijkbaar eten die beesten rots en steen.

Hoger en hoger kronkelt en klimt onze bus, tot we op een parkeerplaats halt houden. Er staan nog meer bussen, er hangt een besnorde oppasser rond die ons met een verveeld gebaar door stuurt. De zon lijkt recht boven ons te staan, en we wandelen langs een laan met oleanders. Dan staan we boven op de berg Nebo, en aanschouwen het beloofde land vanaf de plek waar Mozes honderden jaren geleden het zelfde deed.  Het beloofde land is een bar oord, zinderend in de hitte, met hier en daar een enkele struik, en in de trillende lucht zien we in de verte vaag een schittering: het diepste punt op aarde, de Dode Zee. Zo’n 422 meter onder de zeespiegel, en dat getal groeit jaarlijks door de snelle verdamping . Onze gids rookt en fotografeert ijverig enkele dames uit ons gezelschap, en dat zal gedurende de rest van ons verblijf in Jordanïe zijn voornaamste activiteit blijken te zijn.
Het schijnt in de tijd van Mozes minder warm en groener te zijn geweest, zo weet hij nog wel te vertellen. De rest van de informatie moeten we zelf bij elkaar sprokkelen. Dat de paus hier ook gestaan heeft, dat er een groot  en monsterlijk overheersend hotel in aanbouw op de top van de berg is, de vele pelgrims die hier jaarlijks komen hebben blijkbaar behoefte aan een stilte-moment in een luxe ambiance.

Zou er iets door mij heen moeten gaan, daar op die plek waar Mozes vermoedelijk door ontroering werd bevangen? Nee, dat is niet gebeurd. De toeristen, het hotel, de bussen  en de hitte doodden elk gevoel. Je komt als groep, je maakt een serie foto’s of filmpjes, en een uurtje later ben je weer op weg.  ’s Ochtends vroeg zou je bij dat soort plaatsen moeten zijn, geheel alleen, om mogelijk een stem te horen die ook Mozes eens heeft toegesproken. Er zouden geen toeristen moeten zijn, geen bussen, geen hotel in aanbouw. Geen foto’s van de paus, omgeven door veiligheidsmensen die in elke omstander een mogelijke terrorist zagen. Alleen die berg en jij. Geloven in een tijd van weten is een hele kunst, daar heb je tijd en rust voor nodig, en eigenlijk een eeuw in het Oude Testament.

Omlaag ging het weer, dieper en dieper naar de bodem van de aarde, met een buschauffeur die voortdurend telefoneerde en dat deed op een toon die deed vermoeden dat de berichten naar de andere kant van de aardbol gebruld moesten worden.  Alle telefoongesprekken in die landen lijken trouwens zo te moeten gaan. Gebeurde dat hier in Nederland in een volle forensentrein, dan zou je horendol op de plaats van bestemming aankomen.
Wie denkt even rustig te kunnen pootje baden in het water, dat voor één derde uit zout bestaat, komt bedrogen uit. We worden afgezet bij een soort zwembad langs een wat vervallen boulevard, en de zee oogt in eerste instantie niet anders dan een willekeurig meer ergens in Italië, maar dan in een wat kalere omgeving. Je hebt niet het idee je op het laagste punt op aarde te bevinden, er is gewoon een horizon met aan de overkant van het water de Westelijke Jordaanoever, door de Jordaniërs steevast “Palestina” genoemd.

Eerst omkleden, in een soort galmend badhok annex wc, waar een schoonmaker je gedienstig een plastic kuipstoeltje door het gordijntje heen toe schuift. Vervolgens bij een soort badmeester een sleuteltje halen voor een soort kluisje waar je eigenlijk niks van waarde in op zou durven bergen,  en dan te water, over een rommelig strandje vol keien en onbestemde voorwerpjes: een vreemde sensatie het olie-achtige water over je huid te voelen,  besmuikt aangestaard door groepjes Jordanieërs en Libanezen die  in stemmige en soms geheel bedekkende badkledij dat zelfde gevoel ervaren: drijven als een kurk op het water, en hoe je ook je best doet, dieper dan borsthoogte kun je niet komen, als een dobber schommel je heen en weer. Een enkele toerist, natuurlijk Amerikaans, laat zich met de bekende krant in het water fotograferen.
In onze verwondering zijn we allemaal gelijk: Libanezen, Jordaniërs, Syriërs, Amerikanen en Nederlanders, en vallen verschillen weg. Die verschillen zijn aan de overkant wel degelijk aanwezig. We kijken uit op gebied waarvan we weten dat daar lieden wonen die zichzelf met genoegen in een volle bus in stukjes blazen, waar huizen met bulldozers worden platgewalst en waar bij tijd en wijlen driftig over en weer geschoten wordt met alles wat maar voor handen is, waar men elkaar het liefst en masse zou willen uitroeien. Dat alles gebeurt daar in die bergen aan de overkant, een geoefend zwemmer haalt het in een uurtje. Twee werelden uiteen, gescheiden door een smalle strook water waarin geen leven mogelijk is.

De groep Libanezen naast ons wil graag weten waar we vandaan komen, nodigt ons uit toch vooral naar Beiroet te komen want het is daar toch zo’n mooie en veilige stad, en we bewonderen elkaars met geneeskrachtige modder ingesmeerde lijven. Het zijn studenten tijdens een tripje naar Syrië en Jordanië. Morgen gaan ze weer naar huis.  En wij, we proeven voorzichtig een vingertipje van het breinzoute water, we nemen een steentje Dode Zee-strand mee in onze bagage, we menen aan de overkant vaag de contouren van Jeruzalem te zien en fotograferen en filmen dat dus in alle standen, totdat een Jordaniër ons weet te vertellen dat het een andere plaats is met een voor ons onbekende naam. Nou ja, als we stug blijven volhouden, is het tòch Jeruzalem.  We drinken een alcoholvrij biertje en wij rijden weer terug naar ons hotel. Dag twee van onze vakantie zit er bijna op. Het lijkt alsof we al een week onderweg zijn.

PS:Foto’s staan op mijn Flickr-pagina, te bereiken door rechts op de fotootjes te klikken

Begrafenis

Stralend weer, een zon-overgoten landschap, en ik was op een begrafenis. Geen begrafenisweer: nevelig, regen, guur, ergens in november. Een collega was gestorven, na tweeëneenhalf jaar vechten tegen de kanker die onoverwinnelijk bleek. Terugkomend van vakantie, was daar een mailtje. Afgelopen vrijdag was hij gestorven. Op dat moment wandelde ik ergens over een stil strand langs de Golf van Aqaba, genoot van de vakantie, van de onmogelijk blauwe zee, de warme woestijnwind die over het water vanuit Saoudie Arabië kwam aanwaaien. Weg van alles, of je in een andere wereld was. En thuis overleed op die dag een collega, met wie je jarenlang had samengewerkt, en waar je tijdens je vakantie helemaal niet aan dacht.
Die eerste maandag op school merkte je het bij het binnenkomen: er was iets gebeurd, en je wist eigenlijk al direct: hij is dan toch overleden. Aan de meeste leerlingen gaat zoiets voorbij. Slechts een enkeling kende hem nog, had nog les van hem gehad. Ze speelden met hun mobieltje, hadden lol en maakten grappen. Toetsen hielden hen bezig, het einde van het schooljaar is een hectische tijd voor leerlingen die niet weten hoe te plannen en die alles uitstellen tot het laatste moment. Voorjaar, hormonen in de lucht. Wie is er dood? O, die ken ik niet. Hebben wij dan vrij, meneer, als de begrafenis is? Dood en pubertijd, dat is een slechte combinatie.  Jongeren en dood ook. Ooit had ik een leerling, zestien jaar was hij, die had leukemie. Daar lag hij in het ziekenhuis in Amsterdam, op een afdeling waar je achter de ramen allerlei jongeren zag liggen, in kamers die zij nooit meer zouden verlaten. Het hoofd kaal, de eens zo stoere knapen en meiden omgeven door kinderknuffels en tientallen kaarten aan de wand, groeten uit een andere wereld die nooit meer de hunne zou worden.

Ik kan daar heel slecht tegen: kinderen in een ziekenhuis. Zoiets hoort niet, zoiets is onnatuurlijk. Je betrekt het altijd op je eigen kinderen. Jongeren maken vaak morbide en groffe grappen over de dood. Het is  iets wat niet bij hun doen en laten past, dan kun je er om spotten. Tot het hen zelf raakt.  Op die momenten leer je wie je echte vrienden zijn. Dat zijn uiteindelijk niet je Hyves-vrienden, die honderden vluchtige contacten. Hyves is ineens niet zo belangrijk meer; toch vind je op dergelijke netwerken soms intrigerende uitingen die alles te maken hebben met de dood, met het overlijden van een vriend op Hyves of Facebook. Sommigen leven door op Hyves, zelfs een jaar na hun dood zijn hun profielen nog te bekijken, kun je nog krabbels achterlaten, heb je ‘contact’. Leven na de dood op Hyves of Facebook, hoe bizar.  Hyves als het hiernamaals.

Die leerling van toen, die is al jaren dood. Je zult niets van hem op internet vinden, er was toen zelfs nog geen internet. Ik moest daar aan denken tijdens de begrafenisdienst, in dat zonnige kerkje in Bennekom, waar een koor opwekkingsliederen zong en waar een zee van bloemen op de kist lag. Voor die collega geen hiernamaals op Hyves, maar een echte hemel na dit aardse bestaan.