Oud

 

Midden in de nacht word je wakker. Je hebt blijkbaar toch even geslapen, gedommeld. Je weet niet hoe laat het is, want het draaien van je hoofd doet pijn en je kunt de getallen haast niet meer zien . Het is heel donker, elke nacht wordt donkerder. Vanmiddag zijn de kinderen geweest en hebben nog eens uitgelegd op welk knopje je moet drukken. Ze hadden een nieuwe telefoon meegebracht, met extra grote knoppen, maar je bent al weer vergeten hoe dat moet en hoe dat werkt. Je hoort de uitleg moeizaam; als een dof gezoem klinken hun woorden in je oor. Langzamer praten graag, ik hoor je niet meer zo goed.

Terwijl in jou alles langzamer gaat, beweegt alles om je heen steeds vlugger, tot een kaleidoscoop van wervelende, steeds vager wordende kleuren en vormen. Langzaam verstijvend speel jij een rol in een versnelde stomme film. Een paradox. Af en toe nog scherpe beelden, flarden, ook in je dromen: Berlijn, een prachtige nazomer in 1945. Temidden van een gebroken stad bloeit daar jouw jeugd, overwinnaar onder de overwonnenen. Muziek, uniformen, vrijheid, een toekomst lacht je tegemoet. We’ll meet again.
Nu is er nog slechts vervagend verleden, de toekomst is voorbij. Berlijn is weg, en allen die daar met jou waren ook. Jouw wereld is verkleind tot die ene kamer, dat ene bed en daarin droom jij weg naar toen, waar jij nog jong was, waar je niet zo vreselijk moe was, waar jij geen pijn had en waar jouw hart voor anderen sloeg. Fel en vurig. Wild, jong. Alles kon, alles lag open. Je kon vliegen.
Toen, ja.

Straks, over enkele uren die wel eeuwen lijken, komt een zuster, net zo jong als jij toen. Zij zal de loden last niet van je borst meer nemen, zij zal niet jouw onregelmatig kloppend hart kunnen bedaren. Zij zal niet voelen wat jij voelt nu, zo vreselijk moe. Zij zal niet zo alleen zijn als jij nu bent. Alles is voorbij gegaan, die tijd die zonder einde leek, komt straks tot stilstand. Straks, al gauw hoop je, straks komt de rust. Alleen maar rust.

Dag moeder.  

Scheren

 Een dochter vlak voor het scheren in de badkamer

Ik heb drie puberdochters die alledrie lijken te denken dat ze er dagelijks uit zien als de verschrikkelijke Yeti. Wanneer ik dus ’s ochtends tussen zeven en acht uur – altijd haast – van de badkamer gebruik denk te maken, is die steevast op slot en van achter de deur klinkt het doordringende geluid van de Silkypil of de Epilady of hoe ze allemaal mogen heten. Die staan daar zeker een kwartier te scheren waar eigenlijk niks meer te scheren valt. Op mijn zoektocht naar de namen van al deze apparaatjes kwam ik op een Belgische site terecht, waar dus serieus een eindeloze discussie wordt gevoerd over welk type je nu het beste kunt gebruiken om die hinderlijke oksel-schaam- en beenhaartjes te verwijderen, nee, sterker nog, totaal uit te roeien. Ikzelf zou zo’n onkruid-vlammenwerper adviseren waarmee je wel eens van die kerels langs de wegberm bezig ziet, of zo’n apparaat waarmee bij wegwerkzaamheden de bovenste laag asfalt wordt weggebrand, maar ja, zo’n naar mislukte barbecue ruikende badkamer is ook zo wat.
Alsof dat nog niet genoeg is, liggen er ook nog eens overal in ons badparadijs verspreid van die roze wegwerpscheermesjes. Die dingen hebben de onhebbelijke eigenschap dat ze doorzichtige beschermkapjes hebben, en wat doe je als je een nieuw wegwerpscheermesje pakt? Dan werp je als eerste dat beschermkapje weg, maakt natuurlijk niet uit waarheen, want puber.
Wanneer ik dus ’s avonds, dodelijk vermoeid van een hele dag pedagogisch en didactisch verantwoord bezig zijn, mij eens in het bad wil laten afzinken om mij over te geven aan een moment van contemplatie en bezinning ( meestal betekent dat wegdommelen en net waneer je dreigt te verdrinken met een snorkend geluidje wakker schieten ), moet ik geregeld zo’n irritant beschermkapje tussen mijn billen vandaan peuteren, want ze smijten ze werkelijk overal neer.
Veel rust is je als vader sowieso niet vergund, want je zit er nèt een kwartier in of er staat er al weer eentje de deur te rammeien omdat er weer een nieuwe scheeraanval op de zwartbehaarde benen noodzakelijk is.
En hoeveel shampoo-merken lijken er wel niet te bestaan. Naast dus overvloedige beharing, is dat groeisel blijkbaar ook nog onderhevig aan gespleten haarpuntjes, ontstoken wortelzakjes, verslapping of juist verstugging, het wordt dof, valt bij bossen uit, verkleurt, gaat stinken, weet ik het allemaal. En ben je klaar met wassen dan moet er vervolgens weer een crème-spoeling overheen.
Nu ben ik in de vijftig, maar mijn haar, hoewel hier en daar wat grijzend, zit nog redelijk vast en ongespleten aan mijn hoofd, ongeacht welke shampoo-fles ik tastend tussen de scheermesjes door uit het rekje graai. Eén keer ging het mis, niks geen schuim: bleek het een of andere dure huidverzorgende crème te zijn die ik daar in mijn haar aan het poetsen was. Dat werd niet echt gewaardeerd. Ja weet ik veel, al die flessen zien er ongeveer hetzelfde uit.
“Wat doen jouw dochters zo de hele dag?”
“O, MSN-nen en scheren en haren wassen.”

Wat is het af en toe toch heerlijk ontspannen om man te zijn. Nu nog een aparte badkamer

UPDATE:

Wie zelf eens wil ervaren, hoe dat nou scheert, zo’n Yeti, kan hier aan de slag. ( PS: Hij moet wel echt helemaal kaal, anders gebeurt er niks )

Koffietijd

Het is elf uur, en zowaar, iedereen is thuis, op de jongste dochter na. Sterker nog: we zitten ook nog eens allemaal rond de tafel geschaard, onder het genot van een gevarieerd aanbod van dranken, want de een lust dit niet en de ander lust dat niet. Ook de vriend van dochter 2 is aanwezig, zij komen net uit bed. Dat was de eerste keer wel even schrikken ja, je wilt toch niet weten wat zich daarboven afspeelt. In mijn tijd deden wij zoiets natuurlijk niet. Nee, nee.
Gelukkig verplaatsten toen mijn aanstaande schoonouders zich in een Daffodil of zoiets, die als prettige bijkomstigheid tijdens het rijden een hoop lawaai produceerde, zodat je ze al van verre de straat in hoorde draaien, en je dus rustig je kleding op orde kon brengen. Trouwens, àls ze al de kamer in kwamen was dat nooit meer dan het openen van de deur, en van een afstandje roepen “Er is een kopje koffie beneden hoor!”  Op die leeftijd wil je toch niet meer geconfronteerd worden met Sodom-en-Gomorra-tafrelen op de slaapkamer van je dochter. Wat dat betreft herhaalt de geschiedenis zich trouwens in omgekeerde volgorde: wanneer ik nu neiging heb om mijn gade eens te zoenen, of – ernstiger nog – te omhelzen, wordt door onze dochters in koor gegild dat wij direct moeten stoppen met deze vorm van publieke bejaardensex.
Voor pubers, opgegroeid met MTV-clips waarin de ene na de andere bitch kronkelend tegen de met nep-gouden sieraden gepimpte zanger aan staat te rijden, is het beeld van twee vluchtig en besmuikt liefkozende vijftigers blijkbaar het toppunt van verwerpelijke porno.
Nu ja, wij hoeven dus in elk geval ook niet bang te zijn dat men onverwachts onze slaapkamer binnentreedt, zodat wij rustig verder kunnen gaan met onze dagelijkse bedbezigheden: het dommelen met scheefgezakte leesbril over een boek heen, of het telkens met schrik uit het eerste slaapje wakker worden en ontdekken dat de TV nog aanstaat met die leuke film die je zo graag af had willen kijken maar waarbij na tien minuten je ogen al dichtvielen. Heb je slaaptekort, zet dan een beeldbuis bij je bed.

Maar goed, het was koffietijd aan het begin van dit stukje. Het oog van één van mijn dochters viel op de tuin, waar ik met veel geploeter zojuist de al bijna geheel naaldloze  ( eigenlijk de eerste dag al ) kerstboom op tuinarchitectonische verantwoorde wijze had geplant, in de hoop op overleving . “Hoe kun je nou in vredesnaam die kerstboom dáár in het midden neerzetten, zo van plomp maar neer! Nu is het helemáál refo!”
De rest van het gezin viel direct bij. Volgend jaar dan toch uiteindelijk maar een kunstkerstboom. Dat scheelt enorm veel gezeur aan de koffietafel. En nu nog een Senseo. 

Bos

Iets nieuws maar eens. Ik heb afgelopen week mijzelf verwend met een nieuwe camera, waar de nodige snufjes op zitten, dus voortaan kunnen trouwe lezertjes hier zo af en toe een -al dan niet bewerkte- aardige foto aantreffen. Hier is de eerste, gemaakt tijdens een korte wandeling in de bossen bij Garderen

Westerbork

Dit wordt weer een serieus stukje. Mijn hele leven al heb ik een – volgens mijn vrouw – morbide belangstelling voor alles wat met de Tweede Wereldoorlog te maken heeft. Zo bezoek ik, bij voorkeur in mijn eentje en liefst bij koud, somber weer, voormalige concentratiekampen in heel Europa en lees ik ongeveer alles wat los en vast zit over het onderwerp. Nachtmerries heb ik er van gehad, het heeft mijn humeur en optimistische kijk op de mensheid geregeld verpest en toch gaat het maar door, elk jaar weer culminerend in de Dodenherdenking op 4 mei. Het is me met de paplepel door mijn ouders in gegoten en ik ben ze daar niet ondankbaar voor. “Wat lees je daar?” hoor ik ’s avonds in bed, nadat ik naar een interessante documentaire over Raoul Wallenberg gekeken heb. “O, ik lees nu ‘Nazi-Duitsland en de Joden’, een standaardwerk van Saul Friendländer, 857 pagina’s dik”.  Bedlectuur. Van de zomer in Tunesië hing ik gedurende een rit door de woestijn zeker een half uur scheef verdraaid voor het busraampje om een foto te kunnen maken van één van de overgebleven bunkers uit de slag bij Kasserine. In het najaar dwaalde ik door de onderaardse krochten van het Adelaarsnest. En ga zo maar door. Gezellig, zo’n man. Je zal er mee getrouwd zijn. Straks, lekker vlak voor het slapen gaan, deel 1 van een documentaire over de Slag Bij Stalingrad. Iets om me de komende twee weken op te verheugen.
Toch heb ik totaal geen hekel aan de Moffen, om even mijn ouders te citeren. Aardige mensen, mooie taal ook wel. Fijn vakantieland, en – groot voordeel – veel dingen uit de oorlog nog. Die ik nooit heb meegemaakt. Ook geen omgekomen familie of zo. Maar toch…
Ik draag ook al jaren demonstratief een klein zilveren Davidssterretje om mijn nek. “Bent u Joods, meneer?” “Nee, maar ik mag die Palestijnen niet zo erg”. Zoiets is natuurlijk ongelooflijk fout om te zeggen tegenwoordig. Vòòr je het weet zit je aan tafel bij Wilders. Nee, ’t is politiek totaal niet correct. 
Enkele jaren geleden bestond men het bij mij in de kerk op kerstavond een collecte te houden voor arme Palestijnse kindertjes op de bezette Jordaanoever. Met dodelijke blikken bezwoer ik de rest van mijn gezin toch vooral niets in het zakje te doen. De hele mooie kerstgedachte was gelijk verpest. Ik overwoog standrechtelijke excommunicatie van mijzelf. Beetje geld geven aan Palestijnse kinderen. En dan maar Kalashnikovs kopen zeker. Ja ja. Nee, dan maar wat extra overmaken naar Westerbork, waar ik begunstiger van ben, en waar ik ooit nog eens een schilderij aan geschonken heb ( plaatje ), maar ik geloof dat ze het eigenlijk niet mooi vonden want ik heb het er nooit meer gezien. Maar goed, het paste allemaal mooi in mijn oorlogsfascinatie.

Wat een afschuwelijke man ben ik eigenlijk. Die Palestijnse kindertjes kunnen er natuurlijk ook niks aan doen. Kinderen zijn het toch. Altijd de dupe, of het nou in 1943 of in 2008 is. Ik ga denk ik toch nog maar wat over maken, zoiets is nooit te laat. En hoe dat nou weer ineens komt? Wel, dat komt door een klein gedichtje van Ida Vos op een circulaire over Holocaust Memorial Day, 28 januari van 19.00 tot 21.00 uur, op het terrein van Kamp Westerbork. Een paar regels slechts, die het lot van zes miljoen slachtoffers niet beter kunnen illustreren. Ze hakten er in als mokerslagen. Prachtig wat je met taal kunt bereiken:

Aardrijkskunde

zij had een onvoldoende
voor aardrijkskunde
die laatste dag
maar wist een week later
precies waar Treblinka lag

héél even maar

2008 met Jan Smit

Het nieuwe jaar is nog maar een paar dagen oud of het kan al niet meer stuk. Nadat ik jarenlang honderden euro’s heb versmeten in de hoop een prijs te winnen in de Sponsor Bingo Loterij, die mij op wonderbaarlijke wijze steeds hogere bedragen wist te ontfutselen, had ik half december mijn deelname dan toch maar weten te beëindigen. Komend jaar dus alvast honderd euro gewonnen, want ik doe niet meer mee. En dat gratis en voor niets!
Desondanks viel er gisteren een dikke enveloppe bij mij in de bus. Een begeleidend schrijven deelde mij juichend mede dat ik in november een prachtige prijs gewonnen had, en wel een schitterende jaarkalender van Jan Smit ( ja, die met zonder stembanden of zoiets )!  Wat kan men zich meer wensen dan elke maand de guitige kop van Jan aan de muur, dan eens gekleed in vlotte spijkerbroek – hij doet iets met een eigen kledinglijn van V&D of Halfords geloof ik – en dan weer uitermate sexy in een soort onderbroek. Heb ik toch de afgelopen tien jaar niet helemaal voor niets meegedaan. Nu nog een mooi plekje voor Jan zoeken, onderin de kattenbak of zo, niet te veel grit er over heen en vervolgens twee katten met stevige diarree.
Elke Nederlander die in Volendam woont en die tot drie kan tellen mag zich tegenwoordig couturier en zanger noemen, en de eigen parfum-lijn zal ook wel in aantocht zijn. Onder de feestelijke tonen van Jan’s hitsingle met de lekker lopende titel: “Boom boom Bailando, dans jij met mij de tango” spuit ik ’s ochtends mijn Jan Smit eau-de-toilette, en ik denk “De he-hele dag dohoor is ut feesjt wat je siet”. Vervolgens maak ik een doordachte keuze uit de Jan-Smit kledinglijn en tijdens de maaltijd pieker ik me suf over de diepere betekenis van de regel  “Een dans als de ta-hango heeft sijn eige pa-haal”. Dat versta ik tenminste tussen alle castagnetten door. Hoeveel cocaïne moet je daarvoor gesnoven hebben? Nog even kijken welke datum mij Jan Smit vanaf de kalender geluidloos zonder stembanden toeroept en dan gauw naar mijn werk, des te eerder is het avond en kan ik mij achter de buis bij de muzikaalste familie van Nederland scharen. De rest van het gezin verder bek dicht houden, geluid op zestig en met twee aanstekers in de hand en een paar blikkies pils voor me op tafel kom ik de avond wel door. En van de zomer natuurlijk naar Spanje, hè? Op naar het Tros Zomerhitsfestival in Lloret de Mar. Met Marianne Weber, Grad Damen ( die naam klinkt of Jan Smit z’n stembanden aan het schoon rochelen is ), en die vent met die geblondeerde kop met haar, o ja, Dries Rolvink. Jan zal ook wel weer beter zijn dan.

Kus

 

Zoenen is in het algemeen een intrigerende bezigheid: vier vochtige lauwwarme lapjes vlees stulpen naar elkaar toe om vervolgens te verkleven, waarna twee nog veel vochtiger vleespoliepen zich lillend tussen voornoemde vier doorpersen om vervolgens elkaar af te tasten en ineen te kronkelen, daarbij overvloedige hoeveelheden vaak zuur ruikend speeksel uitwisselend. Niet zonder gevaar bovendien; onderzoek heeft uitgewezen dat wanneer men tijdens deze daad meer dan tachtig liter speeksel overbrengt, de kans op een aidsbesmetting aanwezig is.

Aanstaande maandag word ik op het nieuwsjaarsontbijt van mijn onderwijsinstituut verwacht, zo liet mijn werkgever mij onlangs enigszins dringend weten. Om nieuwjaarswensen uit te wisselen en zo. Niemand kan mij echter van mijn vaste ochtendritueel: beschuit, kop thee en krant afhouden, dus dat doe ik toch echt sowieso eerst, dan maar wat vroeger op. Ik kan de krant en mijn eigen theekop natuurlijk meenemen en mij daarin verdiepen tijdens de nieuwjaarsfeestelijkheden, en aldus verzonken in mijn huiselijke routine ontloop ik dan misschien waar ik het meest tegen op zie, elk jaar weer: het gezoend worden door en moeten zoenen van collega’s, de vrouwelijke dan tenminste. Mannelijke collega’s, azend op een flinke zoenpartij, zijn in deze contreien dun gezaaid. Het blijft natuurlijk wel de Bible-belt, en daar zal de coming-out pas in de tweeëntwintigste eeuw plaats vinden.
 
Nu moet ik wel even voorzichtig zijn, want sommigen schijnen met enig plezier mijn episteltjes te lezen, en ook een enkele leerling schijnt het onder jongeren algemeen heersend analfabetisme te zijn ontgroeid en geeft blijkt van rudimentaire intelligentie door opmerkingen over de inhoud van Wauwel te ventileren ( “Huhh, leuk stukkie wel m’neer!”). Mijn collega’s zijn in het algemeen aardige lieden, maar degenen waar ik het meest mee optrek zijn natuurlijk toch wat meer van mijn leeftijd en dan laat het uiterlijk hier en daar wat steken vallen. Flabberende kwabben steken de kop op, hier en daar klappert een kunstgebit, bij nadere bestudering van de huid rond de mond blijkt zo nu en dan een moedervlek met daarop vier stugge zwarte haren de kop op te steken, er ontstaat bij een enkeling een hardnekkig schuim op de mondhoeken, ogen draaien geregeld wit weg of zijn van zichzelve al vaalblauw van de staar, gehoorapparaten vallen spontaan uit de de oorschelp, twee leesbrillen over elkaar op het hoofd, ja we hebben het allemaal niet meer zo goed in de gaten. Ouderdom komt met gebreken. Ooit had ik – op een andere school – een vrouwelijke collega die werkelijk verschrikkelijk onwelriekende adem had. Dat schiep toch een bepaalde afstand, zal ik maar zeggen, zeker op de nieuwjaarsbijeenkomst. Aanschouwt daar een volgepropte docentenkamer, is daar ineens een groot gat in de menigte, waarin dan weer die collega stond met een vermoedelijk bedorven toastje filet Americain in de hand.

Maar goed, enkele collega’s zullen dus – ondanks het feit dat ik mijn hand bij het schudden ver uitgestoken houd en daarbij een wegduwende beweging maak – ernstige pogingen tot verdergaand lichamelijk contact doen. Nu zal vermoedelijk het aantal gevallen waarin dat ontaardt in vol op de mond zoenen wel meevallen, je hebt in het onderwijs toch een bepaalde voorbeeldfunctie, en bovendien is daar dan nog het spiedend en alziend oog van de baas. Een complete orgie in de personeelskamer op de vroege maandagmorgen zit er dus niet in. Misschien kan ik een hinderlijk stoppelbaardje laten staan, of een groot bord om mijn nek hangen met daarop de wervende tekst: “PAS OP: GORDELROOS!”. En dit hele stukje zal ook een enorm zoenremmende werking op kuslustige ( ik wou haast zeggen: “bijtgrage”) collega’s hebben.

Eskimo’s schijnen elkaar geluk te wensen door hun neuzen langs elkaar te wrijven: ook zo wat, beetje meeëters uitwisselen. Nee, dan maar liever zoenen. Het zal allemaal wel meevallen. Gelukkig nieuwjaar. En krijg ik nou een kus?