
Afgelopen week een haast terloopse mededeling in het NOS-journaal: “Het verzet wordt opgeheven”. Voor wie denkt dat ieder nu moedeloos het hoofd in de schoot legt en de crisis maar verder over zich heen laat komen, even een toelichting. Met het verzet wordt hier de Nationale Federatieve Raad van het Voormalig Verzet Nederland bedoeld, ofwel de verzetsstrijders uit de Tweede Wereldoorlog. Volgend jaar juni is het afgelopen. Geen verzet meer, bij gebrek aan nog levende leden, bij gebrek aan moffen. De vereniging telt op het moment van schrijven nog zo’n vierhonderd leden, morgen zijn het er vermoedelijk al weer minder, dus haast is geboden. Wie zijn die nog levende verzetsstrijders?
Ik ken er eentje, een echte. Toen mijn moeder nog leefde was dit zijn dagelijkse portie resterende spanning: een kopje koffie bij de buurvrouw, en nog een kopje en nog een kopje. Om twaalf uur terug naar de eigen flat, want dan kwam de maaltijdservice met een lauwe, voorgeprakte hap. Om half negen ’s avonds de thuiszorg, om te helpen bij het uitkleden. Eens in de paar weken een snel en vluchtig bezoek van één van de kinderen, uitgezworven over het land en daarbuiten. Eén keer per jaar de Dodenherdenking, eerst nog bij de diverse bijeenkomsten her en der in het land, later vanuit de stoel voor de buis op de Waalsdorpervlakte.
Een enorme boekenkast vol boeken: “Het boek der Kampen”, “Herinneringen uit Westerbork”, “De Bezetting”, “De dag waarop mijn vader huilde”, noem maar op. Tijdschriften van oud-verzetsstrijders, met daarin herinneringen, aanbiedingen voor ledenreizen naar Auschwitz en Sobibor, oproepjes “Ik ben op zoek naar Jan xxxx, hij was samen met mij geïnterneerd in Rheine, in de periode van….”
Foto’s aan de muur van een B-17 of een Liberator, een ingelijste oorkonde, herinneringsvaantjes.
Nog steeds in oorlog eigenlijk. ’s Nachts bij vlagen weer die spanning, wanneer je in je halfslaap stemmen op de gang hoort. Op de televisie, het enige venster naar de buitenwereld, wezenloze programma’s waarin lallende jongeren hun ding doen, waar men zich volvreet onder leiding van een sterren-kok, waar je met een onbenullig antwoord op een voorgekauwde vraag honderduizenden kunt verdienen. “Wij onderbreken deze show nu even 10 minuten voor de Dodenherdenking!”
Die oorlog gaat nooit weg. We komen nog wel eens bij hem op visite; wanneer je de parkeerplaats oprijdt zie je hem al staan daar voor het raam, leunend op zijn rollator. Even een verzetje in de gevangenis van zijn eenzaamheid en ouderdom, van zijn lichaam wat niet meer wil. Binnen vijf minuten komt het gesprek onafwendbaar weer op de oorlog, op de piloten die hij heeft gered, op de onderduikers in zijn huis, op de spanning en de vrees, op die maat van hem, die drie dagen vóór de bevrijding tòch nog gefusilleerd werd, op de slappe houding van de regering, op de manier waarop nazi-misdadigers de dans ontsprongen. Het klinkt heel dubbel, maar misschien was dit wel de tijd van zijn leven, in dit geval eentje die je koestert en haat.
Je knikt en je luistert en je hebt met hem te doen. Je schenkt hem nog een kopje koffie in, wat hij schuddend en nèt niet morsend aan zijn mond brengt. En dan ga je weer. Als je omkijkt, staat hij daar voor het raam. Hij zwaait beverig. Blijft kijken tot je weg rijdt. Nog steeds oorlog, elke dag weer, daar, in zijn cel, totdat het verzet wordt opgeheven.


Voor veel docenten is de middagpauze even een welkom moment van contemplatie en bezinning gedurende de waanzin van alle dag. Men hokt knusjes bijeen aan het eigen tafeltje en ontmoet daar gelijkgestemden qua leeftijd en opvattingen. Zo heb je op veel scholen een hoekje met wat hautaine eerste graders, een hoekje met luidruchtig jong volk, een hoekje met hulpeloze zij-instromers, een hoekje zuurpruimen, een hoekje vakgekken ( die zitten 24 uur per dag te corrigeren of over hun vak te discussiëren ), een hoekje samenzweerders ( “Hoe werken wij die directrice de laan uit?”), een hoekje koffiemorsers ( in het keukentje, bezig met een doekje natte plekken uit hun kruis weg te deppen want dat staat zo raar ), een hoekje bijna-aan-hun-pensioen-toe-dus-nergens-meer-druk-om-makers. Managers zie je in het algemeen weinig, want die zijn op studiereis, vergaderen of doen alsof ze vergaderen.
De meest traumatische herinneringen aan mijn schooltijd worden gevormd door de gymlessen. Vandaag bleek uit onderzoek dat het aantal ongelukken tijdens de gymles tussen 2003 en 2007 met 47 procent is gestegen. Waarom ze trouwens na 2007 nog twee jaar nodig hadden om tot dat getal te komen is mij een raadsel, maar goed. Omgerekend werden er ongeveer 70 leerlingen per dag met gillende sirene naar het hospitaal vervoerd, uitgaande van 40 schoolweken per jaar ( ja, ja, toen men nog ouderwets les had ). Er kan veel over het Nieuwe Leren gezegd worden, maar het gaat er toch maar mooi toe bijdragen dat de ongevallenstatistieken mogelijk tot nul gereduceerd zullen worden.