ICT-allergie en de overeenkomst met de Taliban

Een groepje behoudende docenten
Een groepje behoudende docenten

Het dagelijkse leven in het onderwijs is tegenwoordig meer en meer doordrenkt met de zegeningen van de digitale revolutie. Bij binnenkomst halen docent en leerling hun pasjes door de lezer, zetten hun desktop, laptop, netbook, iPad of mobieltje aan en wiegen genoeglijk mee in de onuitputtelijke stroom van informatie die hen kabbelend of bulderend meevoert op de digitale snelweg waar spookrijden verboden is en gevaarlijk is.  Onderwijsinstituten twitteren juichend dat de website is vernieuwd, dat er een nieuw volgsysteem is, ict-bedrijven lopen, gehuld in snelle pakken, de hight-tech klaslokalen in en uit met achterlating van mooie glimmende spullen en methodes en een fikse rekening. Zie je ergens in de gang een clubje zakelijk geklede en fris geknipte jonge lieden met koffertjes die door een lid van het management of een systeembeheerder gedienstig worden rond geleid, dan weet je dat er weer iets nieuws en nog beters aan zit te komen.

Het onderwijs lijkt wel een beetje op de slagvelden van Afghanistan en Irak, waar gehaaide wapenfabrikanten en hoge pieten uit het leger hun nieuwe speeltjes uitproberen. De gewone bevolking is vaak uiteindelijk de dupe, want er blijkt na een tijdje toch meer collateral damage dan gedacht, er zijn wat meer afzwaaiers geweest dan gehoopt  en de onvrede groeit, wat dus weer teniet moet worden gedaan met nog meer wapentuig.

Op school loopt ook een soort Taliban rond. Levend in een andere tijd, digitaal analfabeet, vasthoudend aan oude gebruiken en alles tegenwerkend wat niet in de rechte en onwrikbare leer der behoudendheid past.  Ze verpesten het voor de rest, zijn niet voor rede vatbaar en willen het liefst dat de vijand zo snel mogelijk ophoepelt.  Ze zijn allergisch voor de digitale revolutie, en vinden steun onder de overige bevolking naarmate die meer en meer onder druk komt te staan. Net als in Afghanistan gaan de veranderingen uiterst moeizaam, omdat ze van boven en van buitenaf worden opgelegd en worden gepresenteerd  in een taal die wat lastig is wanneer je niet digitaal kunt lezen en schrijven, en wanneer de uitleg steevast begint met “Nou, gewoon..”

Op twitter ontspon zich deze week even een hevige discussie over #digitaleallergie, waarbij voor- en tegenstanders van dit begrip elkaar stevig in de haren vlogen.De digitaal onderlegden – ict-bedrijven, computernerds, enthousiastelingen en voorlopers binnen de school – verweten de tegenstanders niet met hun tijd mee te gaan, dwars te liggen bij vernieuwingen en andere tegenwerking.  Enkele citaten met wat reacties van mij daarbij:

“Lees de blogs van Dan Meyer, Kate Nowak, Shawn Cornally om veel mooie ict-toepassingen voorbij te zien komen!” Natuurlijk, er zijn oneindig veel inspirerende personen die de (onderwijs) wereld  boeiende en inspirerende toepassingen van het gebruik van ict tonen. Ik schaar ze in de door deskundigen verzorgde presentaties die je eens in de zoveel tijd op een regenachtige studiemiddag in lokaal 32 meekrijgt. Er is zonder uitzondering weinig op aan  te merken, er worden mooie dingen in de les getoond, en het lijkt allemaal heel eenvoudig  te bedienen. En nu snel naar de borrel en de nootjes en dan naar huis, want nog veel correctiewerk voor de volgende dag.

“Helaas gaat het geld nu op aan fusies en andere paradepaardjes” .  Alles in het onderwijs heeft prioriteiten. Na lang wikken en wegen en behoorlijke druk van de leveranciers – waarvoor je als beleidsmaker behoorlijk wat ict-visie moet hebben om te weten wat die vertegenwoordiger eigenlijk bedoelt en wat je met dat product eigenlijk kunt doen- wordt tot de aanschaf van een serie digitale schoolborden of een mooie ELO besloten. Maar daarmee is het verhaal niet rond. Dan begint het pas. Bij alles zit een gebruiksaanwijzing, hoe eenvoudig het produkt ook lijkt. En het onder de knie krijgen van zo’n gebruiksaanwijzing kost tijd, en het effectief toepassen van zo’n product vervolgens nog veel meer. Helaas wordt daar dan weer niet in geïnvesteerd. En de docent krijgt niet één gebruiksaanwijzing voor de kiezen, het zijn er jaarlijks vele voor alle mogelijke activiteiten die allemaal tijd kosten. Tijd is geld. Eigenlijk zou daar misschien meer in tijd moeten worden geïnvesteerd dan in de prijs van een product zelf. Meer kijken aar de eindgebruiker dus. In dit verband is ook de volgende opmerking die gisteren geplaatst werd van groot belang:
” Hou het praktisch en resultaat opleverend voor de cursist” . Docenten en leerlingen zijn soms behoorlijk lui en star, en heel berekenend: levert iets niet direct, zonder al te veel inspanningen, aantoonbaar resultaat op, dan zijn ze nergens voor te porren. In tegenstelling tot Amerikanen zijn veel Europeanen geen liefhebbers van uitgebreide handleidingen. Die beginnen gelijk op knopjes te klikken, en als er dan niets gebeurt, dan haakt men af.

” Al die docenten eisen van hun leerlingen wat ze zelf niet doen: professionalisering. Afmarcheren in rotten van tien en twee weken wachtgeld meegeven, die lui.” ……..Wanneer u als docent weer bijgekomen bent nog even wat meer zout op de wonde:
” Leraren moeten zich niet zo aanstellen en een beetje met hun tijd meegaan!”  …. Het mag duidelijk zijn dat bij sommige docenten nu de stekels wel aardig overeind zijn gaan staan; wanneer een bedrijf of een ict-bobo, die beide dagelijks met de ict-vaart der ict-volkeren worden voortgestuurd met dit soort argumenten en reacties aankomen, dan bereik je dus gegarandeerd een averechts effect: de ict-allergie. Er kan docenten veel verweten worden, maar niet dat ze niet meegaand zijn. ALS ze er maar het nut van inzien.

ICT-allergie bestaat wel degelijk en is een groot gevaar voor wie zich met vernieuwing in het onderwijs door middel van ict bezig houdt. Het is een beetje pijnlijk onderwerp, zoiets als op een feestje roepen dat je nogal last van aambeien hebt. Zo ga je als onderwijsmanager op een netwerkbijeenkomst niet verkondigen dat jouw schoolpersoneel een pesthekel aan ict heeft, en dat je er zelf ook een beetje last van hebt. Doe mij nog maar een grootverpakking Sperti. Alleen het gebruik van het woord ‘vernieuwing’ levert al allergische reacties op, in een tijd waarin de arme docent EN de arme leerling de ene na de andere vernieuwing, die steevast als ‘verbetering’ gepresenteerd wordt, over zich heen krijgen. Je ziet het op beurzen en congressen: wie lopen daar rond? De bedrijven, de systeembeheerders, de ict-managers met ict-techniek in hun portefeuille, maar leraren en leerlingen zie je er niet. Ver van mijn bed, geen tijd, ik heb toch geen invloed.

Nu zijn we weer terug bij de Taliban. ICT en vernieuwingen die bombardeer je er niet in. Hoe erbarmelijker de omstandigheden van de bevolking – lees ‘ hoe groter de werkdruk en de onrust op school’ , hoe meer je die zelfde bevolking in de handen van de Taliban, van de mensen met ICT-allergie drijft. Je kunt sommige eindgebruikers niet verwijten dat ze nog niet kunnen lezen en schrijven en dat ze nog allemaal op een ezeltje rondrijden in plaats van in een Hummer. Ze hebben het namelijk veel te druk met hun hoofd boven water houden in de onderwijs-wildernis, en waar haal je zo snel benzine en onderdelen voor die Hummer vandaan? De fabrikant van ezeltjes gaat nooit failliet, die van de Hummer wel.
ICT is niet zaligmakend, is niet de oplossing van alle problemen. Begin nu eerst eens helemaal onderaan met het aanleren van de letter A en neem daar de tijd voor. Aanleren door een docent, die zelf de taal beheerst en die de taal van de analfabeten spreekt. Wie dat eenmaal kan, zal ontdekken dat het vreselijk leuk is om ook B te zeggen.

Reacties zijn meer dan welkom. Overigens: ik barst zelf ook van de ideeen op ict-gebied die ik er liever nog vandaag of morgen in zou rammen. Maar alles heeft z’n tijd nodig, en daar wil ik  graag eens over komen praten.

De Bejaardenfluisteraar

De menselijke geest zit in het algemeen fantastisch in elkaar. In de juiste omstandigheden klopt en klikt alles perfect: we zijn gezegend met een goed geheugen, en we zijn eveneens gezegend met de onmogelijkheid om een beetje fatsoenlijk in de toekomst te kunnen kijken, vooral waar dat ons zelf aan gaat. We kunnen ons niet voorstellen  dat wij later bijvoorbeeld onderuitgezakt in een stoel, niet meer wetend wat er om ons heen gebeurt, gekweld door een loodzwaar lichaam en een geheugen als een vergiet, door een liefdevolle zuster gevoerd moeten worden bij het eten van onze pap. Dat we mogelijk wegteren door kanker. Dat we in een situatie komen waarin we er wanhopig een eind aan willen maken. Noem maar op.

Onlangs keek ik naar een documentaire over demente bejaarden: “De bejaardenfluisteraar”. Dementerende bejaarden werden geduldig begeleid bij het “instuderen” van niets minder dan “Orpheus en Eurydice” . Twee medewerkers, die allebei wat mij betreft een koninklijke onderscheiding verdienen in plaats van die aan allerlei onbeduidende veelverdieners te schenken, waren gedurende enige weken bezig met het stap voor stap aanleren van teksten en handelingen. Meneer A. kreeg een pruik op, Meneer B. een kroon, want de koning. Deze zakte vervolgens weg in een dommelende slaap en werd zachtjes in zijn rolstoel uit het stuk gereden.
De beelden werden geschoten tussen aan tafels scheef gezakte bewoners door, die allen in hun eigen wereldje vertoefden waarin droom en werkelijkheid niet meer van elkaar te onderscheiden waren, een onderwereld waarin Orpheus moest vertoeven, zoekend naar Eurydice. Op de een of andere manier wisten ze toch hun waardigheid te behouden. Dat is wat je vaak hoort: het verlies van waardigheid. Vrouwen en mannen die eens jong, prachtig en begeerlijk waren, die kracht uitstraalden, nu verschrompeld tot een hoopje mens, twee knuffeldieren omklemd, en zachte maar onverstaanbare geluiden voortbrengend. Een eigen taal, een eigen wereld, waarin bekenden en geliefden vreemden zijn geworden. Burgers die geen burgers meer zijn, weggestopt in een verzorgingstehuis, gebukt maar onwetend onder de gevolgen van allerlei kille en harteloze bezuinigingen.

En dan zijn daar die begeleiders, en zo zijn er meer, die als lichten in die duistere halfwereld aan komen zweven, om hen ineens weer te laten stralen zoals lang geleden, waarbij ik onbewust moest denken aan de toneelvoorstellingen aan het einde van de basisschool. Zo was de cirkel weer rond.  Onbeholpen acterend ( Eurydice verliet al spelend de zaal.. ),  maar in de schijnwerpers en in een warm applaus, weer jong en de toekomst nog voor zich, wát die dan ook mag brengen.

De uitzending is hier te zien.

WO II, wat is dat ook al weer?

Op Twitter word ik sinds kort gevolgd door @platformwo2, een twitteraar die weer verantwoordelijk is voor de website “Platform WO II en Sjoa-educatie“; het doel van deze site is – ik citeeer even –  “de kennis over WOII en de sjoa en best practices in de eigen lespraktijk van leden- en collegaleraren verbreden en verdiepen, door de in Yad Vashem opgedane kennis en vaardigheden uit te bouwen, uit te wisselen en door te geven.”
Een bijzonder interessante site, hoewel men per abuis aanneemt dat ik geschiedenisleraar ben. Ooit ben ik inderdaad met die studie begonnen, maar gestrand op de Griekse Oorlogen, terwijl ik toch zo snel mogelijk vooral alles over de Tweede Wereldoorlog wilde leren, en lezertjes die nog ouderwets les hebben gehad, weten dat die zich nogal wat later heeft afgespeeld.

Die “Griekse Oorlogen” en dat “ouderwets les hebben gehad” in de zelfde zin, illustreren wel een beetje het probleem waar veel geschiedenisleraren misschien mee worstelen. Veel scholieren krijgen nauwelijks meer les over beide oorlogen trouwens, en de Tweede Wereldoorlog wordt voor hen steeds meer niet anders dan Griekse Oorlog nummer zoveel: een ver-van-mijn-bed-show die je eigenlijk alleen nog in computergames beleeft en waar voor de Sjoa geen plek meer is, want dat onderwerp ligt nogal gevoelig want dat wordt weer te veel geassocieerd met het hedendaagse Israël en dat is een pijnlijk onderwerp  in deze tijd waarin dat land steeds meer de gebeten hond is bij alle mogelijke wereldconflicten.  Ga jij even als geschiedenis-docent op een Amsterdamse VMBO-school uitleggen dat in WO II de Joden slachtoffer waren van de grootste volkerenmoord uit de geschiedenis en dat we ze daarom eigenlijk weleens wat meer een warm hart zouden kunnen toedragen.  Moeilijk, moeilijk.

Überhaupt heeft het vak geschiedenis het zwaar. Saai, suf, dor, niet interessant en “wat hep je aan ut verleden, die mensen benne allemaal doot”. Ook de overlevenden van de Sjoa en zij die die oorlog aan den lijve hebben meegemaakt, sterven uit. Ik ben thuis opgegroeid met Duitsers die steevast “moffen”genoemd werden, ik kom nog geregeld buurten bij een oud-verzetsstrijder voor wie die oorlog eigenlijk nog steeds door gaat en die daar het grootste deel van zijn laatste levensdagen in die eenzame stoel voor het raam mee bezig is. Wat hij vertelt, is voor mij herkenbaar, mijn ouders hebben het meegemaakt en praatten daar over. Je bent daardoor meer betrokken. En ondanks mijn opvoeding blijkt Duitsland een bijzonder prettig land om op vakantie te zijn en er wonen bijzonder aardige mensen.

Een nieuwe generatie geschiedenisleraren, geboren uit ouders die die oorlog niet meer hebben meegemaakt, moet die oorlog gaan uitleggen in minder geschiedenisles-uren, aan leerlingen die nog vééél minder interesse hebben voor diezelfde oorlog en voor het vak geschiedenis zelf. Het soort leerlingen als het pubermeisje waar ik, in één van de expositie-ruimtes van Auschwitz, naast stond, kijkend naar een foto van Hitler tijdens één van diens brallende redevoeringen: “Zo , is dat nou die Hitler” zei ze na een tijdje. Haar ouders reageerden verder niet….
Ik mag ernstig hopen dat dit meisje – mag ik haar eigenlijk iets kwalijk nemen?  – niet het idee opvat om binnenkort geschiedenisleraar te worden.  In het onderwijs lijkt tegenwoordig alles mogelijk, en met de tweede wereldoorlog kun je tegenwoordig ook blijkbaar “leuke” dingen doen: je maakt er een computergame van, of een musical, bijvoorbeeld over Soldaat van Oranje, compleet met tijdens het vervoer gekraakte Dakota’s. De Sjoa dreigt een show te worden, een ver-van-mijn-bed-show.

Daarom is het goed dat sites als Platform WO II geschiedenisleraren ondersteunen bij dit heikele onderwerp: het levend houden van een herinnering aan gebeurtenissen die eigenlijk zó weer zouden kunnen gebeuren, wanneer we allerlei subtiel haatzaaiende lieden ongestoord hun gang laten gaan en een platform bieden; of ze nu tegen Joden of Islamieten zijn.

Wauwel in Jordanië, deel 5

“Door Israël naar Egypte”

Je hoeft geen al te kritische toeschouwer te zijn om te constateren dat het in veel Arabische landen enigszins “rommelig”  is, om  het maar zwak uit te drukken. Overal zwerft straatvuil rond, langs de wegen op de meest onverwachte plekken liggen grote stapels afval, waar dan weer gezellig een kudde geiten of schapen in staat te sprokkelen, zodat een en ander nog meer wordt verspreid.  Waar je bij ons op een dakterras een tuinset en een mini-barbeque zou aantreffen, kom je daar bijvoorbeeld een grote verzameling vuilnis tegen, en, zoals ik in Egypte eens zag, een ezel die op die wonderbaarlijke hoogte zijn kostje bij elkaar scharrelde.
Toch zie je ook veel straatvegers, die blijkbaar hun hoopje rommel van A naar B vegen en vervolgens weer terug. Stoepen houden plotseling op,  vallen volledig uit elkaar of worden onderbroken door allerlei roestige uitsteeksels die ooit toebehoorden aan misschien een lantaarnpaal, een hekje of die bestaan uit achtergelaten metselgereedschap. Elke winkel lijkt ook zijn eigen stoepje te hebben geconstrueerd, daarbij geen rekening houdend met mogelijke hoogteverschillen met het plaveisel bij de buren voor de deur.
Iets dergelijks geldt ook voor de gewone weg, waar je ’s avonds beter niet in stevige vaart in een je stokoude Peugeot 304 of nòg oudere Mercedes door heen kunt jagen. Toch doet men dat, voorzien van geen, halfwerkende, gekleurde of knipperende verlichting of een combinatie van dat alles. Vanuit de opgeblazen luidsprekers in de autodeuren overstemt schallende Arabische muziek het gerammel van het voertuig, en losjes stuurt men, al rokend en telefonerend, het vehikel om de meest verraderlijke obstakels en tegenliggers heen, daarbij niet gehinderd door enige verkeersregels.

Waarom die puinhoop eigenlijk? Ik weet het niet. De enige verklaring die ik tot nu toe heb, is misschien  het klimaat. Het slijt sneller, het ontbindt sneller, en ik kan me voorstellen dat je met die hitte niet altijd zin hebt om eens fijn je stoepje te gaan tegelen en vegen. Of misschien vergelijk ik teveel met onze over-georganiseerde westerse wereld, een wereld waar godsdienst geen duidelijk merkbare invloed meer heeft op het dagelijkse leven, in tegenstelling tot de middeleeuwen, een periode waar je onbewust aan moet denken als je door een kashbah ergens in Caïro dwaalt.  Is er in een wereld waarin godsdienst de dienst uit maakt, meer oog voor het innerlijk dan voor het uiterlijk? Ik denk dat men in Islamitische landen meer bezig is met het gevoel, het gevoel en het innerlijk in elk geval meer laten spreken.

Het hoort er allemaal bij, en het maakt het tot wat het is: en ogenschijnlijk chaotisch georganiseerde, rommelige, maar toch prettig aanvoelende wereld waarin je je als westerse toerist graag een tijdje in onderdompelt. Je kunt er met Engels redelijk uit  de voeten, en de gewone moslim-man is geen gevaarlijke terrorist maar net zo’n Jan met de Pet-figuur als je buurman in Nederland. Bovendien, en dat is niet onbelangrijk, is men er een stuk vriendelijker in de omgang met wildvreemden. Vóórdat je met je ogen kunt knipperen word je al bij iemand thuis uitgenodigd, waar de hele familie wordt opgetrommeld om het pronkstuk te komen bewonderen en te verwennen met lekkere hapjes.  Zo is het in Jordanië, in Egypte, in Tunesië en vermoedelijk in veel andere landen daar in het Midden-Oosten ook.  Het verschil met dat ene buurland is enorm: Israël. Gehaat, verguisd, en overal de schuld van krijgend.

Onze groep zou het tweede deel van de vakantie in Egypte doorbrengen. Daarvoor moest in Zuid-Jordanië bij Aqaba de Israëlische grens worden gepasseerd, waarna je vijftien kilometer  door Israëlisch grondgebied dient te reizen om vervolgens in Egypte aan te komen. De reisleidster drukte ons al ruim van te voren van alles op het hart: let goed op je koffers, geen foto’s maken, geen bom-grapjes maken, bedenk of je wel of geen stempel in je paspoort wilt, want wanneer er eentje in staat kom je Syrië niet meer in.

De bus sukkelde door het stoffige en zinderende landschap. Aqaba doemde in de verte op: de bekende verzameling geelgrijze blokkendozen, de daken getooid met betonnen palen waar de bewapening nog uit stak. Enorm veel leegstand en nooit afgebouwde flatgebouwen. Daar was de grens. De alom aanwezige Koning Abdullah wenste ons vanaf een groot bord een goede reis verder toe. Steeds meer roadblocks bemoeilijkten de doorgang, en uiteindelijk kwam de bus tot stilstand temidden van wachttorens, prikkeldraad en streng uitziende gebouwen. Alle bagage moest uitgeladen worden en de groep verzamelde zich bij andere groepen die stonden te wachten om de grens over te kunnen. De laatste paar honderd meter niemandsland zou lopend afgelegd moeten worden, maar alleen nadat alles minitieus – op Arabische wijze – was gecontroleerd.
Zo kwam het dat ik als eerste van de groep het niemandsland in liep, zeulend met mijn bagage, in de verlammende hitte, midden over de grijze en gloeiende streep asfalt, de paar honderd meter naar het beloofde land, voorlopig bestaande uit links en rechts waarschuwingsborden, versperringen, schijnwerpers en mijnenvelden, en in de verte de grenspost, trillend in het onbarmhartige zonlicht, met grote traag wapperende Israëlische vlaggen, vóór en achter mij zwaar bewapende lieden die hun machinegeweren koesterden….een scène als uit een onwerkelijke droom, die diepe indruk op mij maakte, eigenlijk wel een hoogtepunt in mijn reis. Ik naderde voor het eerst in mijn leven  Israël, het land waarvan mijn ouders mij altijd met de paplepel hadden ingegoten dat dit ongeveer het meest fantastische land op aarde was, het beloofde land, maar ook het land waar ik de afgelopen jaren steeds kritischer tegenover was komen te staan. Die negatieve gevoelens waren in één klap weer verdwenen.
Mijn lezers zullen het misschien moeilijk begrijpen, maar ik was ernstig aangedaan bij het naderen van deze bar ogende barricade, en ik kon nauwelijks uit mijn woorden komen toen de eerste Israëliër, voorzien van machinegeweer en donkere zonnebril, uit de schaduw van zijn post stapte en mij aansprak. Ik was in Israël.

Werkende airco, onberispelijk geklede en keurig geknipte fris ogende lieden, die door hun manier van doen elke neiging tot lollige opmerkingen en zenuwachtige grapjes de kop in wisten te drukken. Geen geintjes, meneer Wauwel, dit is een streng bewaakte grenspost in – wat leek  – een oorlogsgebied.  Een vloeiend Engels sprekende man sprak mij aan: onze gids gedurende de vijftien kilometer door Israël.  Alles goed in de verf en perfect onderhouden. Een smetteloze bus. Wegen zonder gaten, direct overal groen. Irrigatie, groene en vers gemaaide gazons. Geen rommel te bekennen. Het contrast kon niet groter zijn.  Van de Middeleeuwen in de nieuwe Tijd, en een half uur later weer een paar honderd jaar terug, Egypte in,  als in een hysterische tijdmachine. Hoe kon dit, waar lag dit aan? Is Israël dan echt een uitverkoren land?  Wie het weet mag het zeggen.

Eenmaal aangekomen in de bekende chaos van de Egypte grenspost, kwam ik tot de ontdekking dat ik mijn fototas aan de Israëlische kant had laten staan. Dat leek een ramp. Je kunt bij elke grens ter wereld ( op Noord-Korea na dan )  je spullen vergeten, maar hier moet je zoiets niet doen. Driftig heen en weer getelefoneer tussen allerlei beambten van beide landen. En zo kwam het, dat ik in half uur tijd twee keer de Egyptisch-Israëlische grens passeerde, gladjes heen en weer geloodst door allerlei eerst onopgemerkte poortjes en gangen, met de hartelijke groeten over en weer, voorzien van mijn tas, die aan Israëlische kant natuurlijk direkt was opgemerkt.

Een heerlijk opgelucht gevoel bij terugkomst in de hitte, de rotzooi en de Middeleeuwen. En met hoop voor de toekomst.

Links van het bord Israël, rechts Jordanië. Zoek de verschillen
"Links van het bord Israël, rechts Jordanië. Zoek de verschillen"

Nooit meer naar school?

Bill Gates heeft gesproken. De school zoals wij hem nu kennen, bestaat over vijf jaar niet meer, of heeft in elk geval geen bestaansrecht meer. Over vijf jaar halen leerlingen en studenten meer kennis van het internet dan van hun school. Nou zijn de voorspellingen van Gates niet altijd even betrouwbaar. Twitteraar @wphaver herinnerde mij aan een uitspraak van onze Microsoft-directeur, gedaan in 1981: “640k  geheugen zou genoeg voor iedereen moeten zijn”.

Toch denk ik dat Gates dit keer een heel eind in de richting komt, en dat scholen die dit niet in zien, ernstig de boot zullen missen in de slag om de consument. Ik zeg bewust “consument”, want de leerling is een soort klant geworden die bij diverse educatieve winkels kennis consumeert. En net zoals er steeds meer op internet gewinkeld wordt, zo winkelt de kennisconsument ook steeds meer op internet, daarbij zoekend naar de mooiste en goedkoopste aanbiedingen, waarbij afstanden er dus niet meer toe doen, maar kwaliteit en prijs wel.

De school moet dus een kenniswinkel worden, waar je voortdurend vernieuwd en actueel aanbod kunt vinden tegen zo min mogelijk moeite.  Net als gewone winkels kun je je afvragen of je je moet specialiseren in één bepaald aanbod, of dat je een soort grootgrutter van algemene kennis wordt.  Je zorgt er als onderwijsinstelling in elk geval voor dat je zo min mogelijk gesloten bent, te allen tijde bereikbaar en dat je ook nog eens de beste service biedt.  Een groot gebouw, waar van heinde en verre je publiek naar toe dient te komen, is natuurlijk hopelijk uit de tijd in deze tijd van internet-consumeren. Gooi al die prestigieuze en dure bouwplannen dus in de prullenbak  en kom zelf naar je publiek toe, op de plek waar je voor de leerling altijd te vinden bent: het mobieltje, de iPad (of een equivalent daarvan ) . Bezuinigen doe je ook door de helft van je dure personeel te ontslaan ( het moet maar eens gezegd worden ) of door hen op te leiden voor een functie waarbinnen ze wèl tot hun recht komen. En dat opleiden of omscholen kan weer voor een groot deel digitaal. Bezuinigen doe je ook door een groot gedeelte van je dure computerapparatuur weg te schenken aan een goed doel of op Marktplaats te verpatsen. Waarom elke keer pronken met mooie laptop-projecten, chique ingerichte computerlokalen, grote beamers en digiborden wanner de klant qua uitrusting en digitale vaardigheden  je tóch altijd een stap voor is?  Bovendien is men er nog zuiniger op ook. Het enige waar je op hardware-gebied nog fatsoenlijk in zou moeten investeren als school, is in een snel draadloos netwerk, wat zonder al te veel moeite toegankelijk moet zijn.

Een aantal enthousiast begonnen lezers van dit blog zal nu inmiddels verstijfd van schrik amechtig achterover zijn gekanteld. Wat een gruwelijkheden worden hier verkondigd. Ik chargeer natuurlijk wat. De docent in zijn ruitjescolbert voor een klas met ongeïnteresseerde pubers gaat niet verdwijnen. Misschien heeft die man wel vreselijk interessante en boeiende dingen te vertellen.  Dan ben je echter toch gek wanneer je als schoolbestuur zo’n man of vrouw enkel zichtbaar maakt binnen de stoffige en vergeelde muren van een klaslokaal op één specifieke fysieke plek op aarde. Zo’n figuur moet met zijn kennis het internet op! Dáár zitten je consumenten! Op een beeldscherm komt zo iemand pas echt tot leven, kan eindeloos herhaald worden, kan harder en zachter worden gezet, lichter of donkerder, kan worden opgeslagen, geroteerd, uitvergroot, verkleind, kan middels touchscreens worden aangeraakt in interactieve toepassingen, kortom, alles wat een leerling dagelijks buiten de schooltijd om doet en waar hij of zij zo geïntrigeerd door is, dat kan nu ook binnen de school. Wat maakt het internet zo fascinerend? De gebruiker heeft controle, heeft onbeperkt toegang tot een schat aan informatie, en kan met behulp van scholen die informatie op een zinnige, boeiende en vooral leuke manier tot zich nemen en gebruiken!

Scholen die dus niet investeren in hun onderwijskundige visie op de mogelijkheden van internet en alles wat daar mee samenhangt, gaan de boot dus missen. Dan heeft Gates gelijk. Eigenlijk heeft hij dat al. Een school die krampachtig vasthoudt aan enkele locaties in een bepaalde regio is zóóó vreselijk 2009.  Hoog tijd dus om eens serieus na te denken over de toekomst.  Dat hoeft niet altijd direct zinnig te zijn of resultaat op te leveren. Dat mag best af en toe een beetje luchtfietserij zijn. Als het maar prikkelt, maar aanzet tot.  En dat heeft Gates met zijn recente uitspraak natuurlijk wel gedaan. Wie zich laat steken door een mug zonder er een klap op te geven, is wel een beetje masochist.

Er moet dus iets aan gedaan worden. En doe dat nou eens vanuit het onderwijs zelf, vanuit de docenten, en niet uitsluitend onder begeleiding van allerlei dure onderwijsadviesbureau’s  die graag een duur graantje vanuit de begrotingsruif meepikken. Zoiets vergroot de acceptatie enorm, wanneer iets niet van bovenaf wordt opgelegd. Laat je docenten eens kennismaken met al die mogelijkheden, op een beurs ( waar je tot nu toe alleen maar de techneuten en het management ziet ) of op de school. Geef al die docenten eens een iPad in plaats van zo’n hopeloos ouderwetsche laptop, en laat ze zich verbazen over toepassingen als “The Elements”. Duur? Welnee, een schijntje vergeleken bij het rendement. Wat kun je als management nu meer wensen: een docent die in zijn vrije tijd, hangend in zijn luie stoel of op vakantie in de verregende tent voor zijn lol dingen voor de school gaat uitzoeken op de Ipad die hij van die school gekregen heeft?  Die ’s avonds laat nog even z’n mail doorleest omdat het allemaal zo makkelijk en intuïtief is. Die ’s ochtends vanuit de trein al z’n leerlingen laat weten dat hij wat vertraging heeft maar dat dat geen probleem is omdat al het interactieve lesmateriaal ergens online te vinden is. Ik noem maar wat.

[youtube]http://www.youtube.com/watch?v=opcyYWSJ8ng[/youtube]

Gezien? En zo is er oneindig veel meer om van te genieten. Die school over vijf jaar, dat gaat nog eens een vreselijk leuke school worden! Reacties natuurlijk welkom!

Modern

Toch al aan de patat dus ( die ook al weer duurder wordt )Uitgeverij Noordhoff gaat bij sommetjes en rekenoefeningen in de schoolboeken homostellen introduceren. Nu gaat er niets boven een heldere kijk op de moderne wereld waarin onze aan Ritalin verslaafde basisschoolbevolking door de dag heen stuitert, dus dit kan er ook nog wel bij.
De tijden waarin Ot en Sien genoten van een glas schuimende melk bij de boerderij en ondertussen de bok aaiden, liggen reeds lang achter ons, en bovendien zouden hedendaagse schoolkinderen ( waarbij we nu liever over “stakeholders” spreken ) het niveau van hun sommetjes in de verste verte niet meer halen. 

Hoog tijd voor een nieuwe moderniseringsronde dus. Na gescheiden ouders, aan drugs verslaafde ouders, pedo-seksuele ouders, invalide allochtone ouders en helemaal geen of nog maar één ouder is het nu de beurt aan lesbische, biseksuele en homofiele ouderparen  om hun kroost de elementaire reken- en leesvaardigheden bij te brengen .

‘Ot en Fatima moesten van hun ouders Sjaak en Ozman een portie Afghaanse hash halen in de coffeeshop om de hoek.  Sjuaak en Oman lagen nog in bed na een avond swingen in Club Kitty. Daar hadden ze mekaar ook ontmoet nadat hun wederzijdse relaties na een jaartje samenwonen op de klippen waren gelopen.  Het klikte die avond direct en de er op volgende  anale sex was vèt!   Logisch  dat ze weinig zin hadden om zich die ochtend met de kinderen bezig te houden. Die waren  zoet aan het spelen met de PS3. Ze zaten op een Vrije School, en mochten dus zelf hun dagindeling en hun leervraag bepalen. Dat kwam dus mooi uit.

“Check die ouwe travestiet in die rolstoel daar!” riep Ot tegen Fatima toen ze over de gracht naar de coffeeshop wandelden. In de winkel aangekomen genoten ze van een mok schuimende latte macchiato, die de drugsboer hen aanbood. 
“Als ik jullie vijf joints geef, en voor jullie zelf nog een kinder-xtc-pilletje voor vanavond, en ik reken daar twee joetjes voor, waarbij ik twintig procent korting geef, hoeveel kost het dan bij elkaar?” orakelde de coffeeshop-eigenaar guitig.  De beide kinderen berekenden op hun iPhones gnuivend het antwoord. Proestend liepen zij naar buiten en terug naar huis, waarbij zij Sjaak en Ozman nog in bed aantroffen, elkaar vol op de bek zoenend. Het beloofde weer een leuke dag te worden!’

Ik heb niks tegen homostellen, coffeeshops en Fatima’s, laat dat duidelijk zijn. Ieder moet vooral doen waar hij of zij of wat voor geslacht het tegenwoordig ook is, zin in heeft.  Waar ik wel wat tegen heb dat zijn de schoolboeken waar geen enkele gewone situatie meer in voor mag komen. Een kind wat leeft in een omgeving waar geen drugs in het spel zijn, geen gescheiden ouders, geen rugzakleerling, een omgeving die nu eens ergens anders is gesitueerd dan altijd en eeuwig maar in de stad. Een omgeving waarin een kind weer eens ongegeneerd kind mag zijn, kan wegdromen van de inderdaad veranderde wereld uit de schoolboekjes, een omgeving waarin een kind veilig mag zijn en voelen en waarin het niet gelijk de hele wereld met alle narigheid en ellende met zich mee moet torsen. 

Een Ot en Sien-wereld dus. Zou dat nou nog één keertje, zo heel af en toe eens mogen? Zoveel slechter zullen ze daar toch niet van worden….

Kleine kindjes worden groot….

Eén van de vreselijkste dagen die je als ouder mee moet maken is de dag waarop je kinderen het huis uit gaan. Vind ik dan. Mij overkwam dat afgelopen weekend. Het is een dubbel gevoel. Aan de ene kant vind je het fantastisch voor je kind, maar aan de andere kant voel je je ineens tien jaar ouder.  Zoiets laat je natuurlijk niet merken.  Je helpt ijverig en opgewekt mee met het leegruimen van de meisjeskamer;  je schildert en je boort in haar nieuwe optrek dat het een lieve lust is, en je speelt een hoofdrol in het blijspel van haar leven waar dat voor jou een treurspel, om niet te zeggen een tragedie is. 
Weken lang heb je tegen dat moment op gezien, terwijl je weet dat het eens onherroepelijk gaat komen, en je hebt eeuwige spijt dat je niet meer met haar hebt opgetrokken op de momenten dat ze thuis was.  Het hoort er allemaal bij, hoewel je je zelf wijs maakt dat het niet erg zou zijn wanneer ze de rest van je leven veilig en beschermd bij je thuis zouden blijven wonen. Ineens voel je wel wat voor die patriarchale gezinsconstructies, waarbij de hele familie gedurende het hele leven knusjes bijeen in de hut blijft wonen.

Het was niet de eerste die vertrok. De oudste woont al een tijdje v rij en blij met vriend ergens in het midden des lands, gelukkig niet meer dan dertig kilometer verwijderd. Maar dan waren er nog altijd twee thuis, met aanloop van vrienden en vriendinnnen en alle reuring die daar bij hoort. Rekening houden met eten, toch zorgen maken wanneer ze nog niet thuis zijn en pas rustig slapen op het moment dat je in het holst van de nacht heel zacht de voordeur open en dicht hoort gaan. Zakgeld, kleedgeld, schoolgeld, het kost je een vermogen maar je betaalt het met liefde. Ruzies aan tafel, commentaar op het eten, opmerkingen over je bankhang- en je zapgedrag.

Het is allemaal voorbij.  Je voelt je ineens tien jaar ouder. Met je kind verdwijnt ook een stukje van de huiselijke sfeer. Je bent vrijer, je hoeft minder rekening te houden met, je hebt meer geld uit te geven, en je bent meer op je partner aangewezen. Langzaam ga je weer terug naar af, terug naar het begin, en ligt er een nieuwe toekomst voor je zonder kinderen.  Een nieuwe fase dus, die je als een uitdaging moet zien; dat maak je je maar wijs.

Is er geen praatgroep voor ontredderde ouders, vraag je je af. Een soort rouwverwerking weaar helemaal geen rouw hoort te zijn. Je wilt gelijk gaan bellen van hoe gaat het daar nu, en dan liefst nog elke dag. Je bedenkt allerlei strategieën voor familieweekends, waarbij ze al op vrijdag komen logeren en pas zondagavond laat weer naar hun eigen huis mogen vertrekken.  Hun eigen huis wat ineens niet meer jouw huis is, waar jij nu voortaan op bezoek gaat komen, maar niet te vaak en niet te lang, want zo hoort dat nu eenmaal.  Langzaam verandert jouw functie in hun leven. Je hoeft niet meer te zorgen voor, ook al zou je dat nog zo graag willen. Je moet maar aannemen dat ze nu voor zich zelf zorgen, en je zou nu een stuk rustiger moeten slapen in de late weekend-nachten.
Voorzichtig begin je straks aan het wat leegruimen van hun kamertje. De spulletjes die niet meer nodig zijn. Frutsels, knuffels, roze meisjesdingetjes voor meisjes die nu vrouw zijn geworden. Je moet er nu nog even niet aan denken. Daar gaan nog wel een paar weken over heen, voordat je zoiets redelijk onbevangen kunt doen.

Misschien overdrijf ik wel een beetje, misschien ben ik overbezorgd, misschien zwelg ik wel in zelfmedelijden.  Het is niet meer dan normaal, het is deel van je leven, roep ik mezelf tien keer per dag in gedachten toe.  Tien jaar ouder, en de grote vakantie is ineens geen leuk vooruitzicht meer.

Eentje is er nu nog over hier, en die heeft stageplannen voor Australië. Ik hoor het me nog luchtig en opgewekt zeggen: “Al willen ze naar de andere kant van de wereld emigreren, ik zal het van harte ondersteunen als ze daar een fijne toekomst hebben!” . Nu vind ik Hilversum, een half uur rijden hier vandaan, al een drama.

Ach, kleine kindjes worden groot, en ouders worden ouder. Dat gaat veel sneller dan gedacht. Het gaat allemaal wel weer wennen.  Nu maar even genieten dus, en uitkijken naar het eerstvolgende bezoekje…..niets aan de hand. “No worries, mate. ”  Ja ja….