Computertoets

Vandaag had ik de eer onverwachts te zijn ingeroosterd bij een proeftoets van het Cito, waarbij de kennis van Nederlands op het MBO wordt getest. Enkele lieden ergens in de top van ons onderwijsinstituut hadden gemeend dat het wel aardig zou zijn als onze leerlingen daar ook aan mee deden, want de beheersing van de Nederlandse taal is op het MBO enigszins twijfelachtig, laat ik me maar voorzichtig uitdrukken. Enkele dagen van te voren werden  de leerlingen en ik dus verblijd met mailtjes waarin een en ander werd aangekondigd, en voor verdere uitleg kon men zich wenden “tot je docent”. Gelukkig kreeg ik gistermiddag nog een mailtje – na enig aandringen – waarin iets meer uitleg stond, dus welgemoed toog ik vanochtend naar het computerlokaal.

Nu kunnen digitaal toetsen en de apparatuur waarop dat moet worden uitgevoerd elkaar op menig school behoorlijk slecht verdragen; iedereen die in het onderwijs hiermee te maken krijgt, zal dit kunnen beamen. Bij mij was het vandaag dus al niet anders. Terwijl het bevoegd gezag  zich ijverig op ander heel belangrijk werk stortte en de verdere uitvoering van de test aan de surveillant overliet, kreeg ik te maken met een grote variëteit aan technische en logistieke problemen. Nu heb ik gelukkig de nodige kennis van ict, maar ik vrees met grote vreze voor  de gemoedsrust van enkele collega’s die iets minder vaardig op dat gebied zijn, en voor wie het surveilleren nog op de rol staat.

Allereerst was  een redelijk gedeelte van de klas niet aanwezig, want geen mail gelezen en zo. Van de overige leerlingen konden er een stuk of drie niet inloggen op het netwerk, “terwijl dat vroeger altijd wel ging”.
Dan hadden enkele kwaadwillende lieden in de dag ervóór gemeend op slinkse wijze de toetsjes van de toetsenborden te moeten verwisselen, zodat voortdurend bij een vijftal leerlingen de gebruikersnamen en wachtwoorden niet werden geaccepteerd. Vóórdat je zoiets in de gaten hebt, ben je ook weer vijf minuten verder. Tot overmaat van ramp bleken drie leerlingen helemaal geen toegang tot de Cito-toets te hebben, omdat degene die de gegevens had ingevoerd hen blijkbaar had vergeten of verkeerde lettercombinaties had gebruikt.
Zo was het dus op een gegeven moment een komen en gaan van zenuwachtige onderwijsbeambten, die allemaal meenden dat de fout bij een ander lag en die zich al bellend en turend in lijsten ernstig zorgen maakten over de voortgang van het digitale onderwijsleerproces.
Gelukkig kon ik alles met een minzaam lachje van een afstand aanschouwen, de handen wassend in onschuld, want vandaag was ik slechts een simpel uitvoerend instrument  in deze digitale rampspoed. Je moet op zo’n moment natuurlijk vooral geen leedvermaak tonen naar de bedenkers van dit alles, want dat komt je op verhitte blikken en mogelijk een functioneringsgesprek te staan. En het resultaat daarvan wordt dan ook weer ergens in een of ander digitaal zwartboek opgeslagen.

Vroegâh, ja , toen was het leven nog simpel. Een eenvoudig proefwerkje op papier , waarbij de cijfertjes nauwgezet in de docentenagenda werden genoteerd en bij de rapportenvergadering  ( die ook vrijwel uitsluitend over cijfers ging )  werden besproken. Nooit gehoord van systeem- of internetuitval tijdens cruciale toetsen, lappen tekst werden toen nog gewoon van papier gelezen in plaats van 120 minuten naar een beeldscherm turend. Er was voor het afnemen van de toets geen begeleidend schrijven van 120 kantjes uit Den Haag.
Je kon nog ouderwetsch spieken. Ooit heb ik eens net zo lang met een passer in een tafel zitten boren tot ik een gat had gefabriceerd waar doorheen ik naar een spiekbriefje op mijn knieën kon turen. Of – wanneer je het geluk had naast de luxaflex te zitten- je schoof je boek gewoon open op de vensterbank en gluurde door de lamellen naar de tekst. De langs lopende docent had door het hoogteverschil niets in de gaten.  Het meisje voor je trok haar schouders naar voren, zodat ineens het spiekbriefje onder haar wat doorschijnende blouse zichtbaar werd.

De leerling van tegenwoordig heeft het zwaar met al die digitale toetsen. Mobieltjes mogen niet aan in de les, rekenmachines met handige kijkvensters zijn niet toegestaan en met een druk op de knop worden de digitale vragen van je buurman in een totaal andere volgorde getoond. Bovendien toont de ingebouwde plagiaatcontrole genadeloos van welke klasgenoot of website je je tekst hebt gejat. Het enige voordeel: wanneer je in vroeger tijden klaar was en je mocht het lokaal nog niet verlaten, dan moest je maar een beetje stommig voor je uit gaan zitten kijken. Nu doe je gewoon je MSN, of je speelt een van de honderden spelletjes die er online te vinden zijn. Vervelen is er niet meer bij. Afraffelen van de eigenlijke toets daarentegen wel, want het internet lokt.

De toetsweek anno 2011 is er nog steeds eentje om met angst en beven naar uit te kijken. Angst over de vraag of de stof nu wel beheerst wordt of niet. Maar nog veel meer beven en bijna wanhoop bij de vraag of de techniek je niet in de steek laat. Aan Onderwijs 2.0 zal nog heel wat gesleuteld moeten worden.

Onderwijs: een serieuze zaak

Elke leerkracht zal wel eens voor de spiegel gestaan hebben met de gedachte: Wat moet ik aan vandaag? Want leerlingen zijn kritisch. Ze zien aan de naad van je spijkerbroek of het een G-Star of een weet-ik-veel-wat-voor-merk is. Dat is dus heel belangrijk, want jongeren zijn op die leeftijd nog erg gevoelig voor uiterlijk vertoon. Een leerkracht zou dat dus ook een beetje moeten zijn, en zou zich vooral ernstig in moeten leven in wat er bij jongeren allemaal door het hoofd gaat.  Dat kan redelijk zware gevolgen hebben, zoals een uurtje naar MTV moeten kijken, een uurtje op Hyves, een uurtje naar spuiten en Slikken, naar de film van New Kids Turbo gaan, een optreden van Sterretje en Barbie bezoeken met daaraan gekoppeld een toepasselijke schuimparty, een avondje  comazuipen met gezellig knokken achteraf , op koopavond met een ploegje lotgenoten hinderlijk irritant over je scooter hangen, met z’n allen chips kopen in de supermarkt en eens een keertje eerste klas reizen zonder kaartje of geldige OV-card.  O ja, een tattoo en piercing op een enge plek dienen natuurlijk ook uitgeprobeerd te worden. De docent die in de opsomming hierboven een aantal volslagen onbekende begrippen tegen komt, moet nodig eens op bijscholing bij zijn klas. Dat zullen ze graag doen.

Onlangs had ik een leerlinge die mij met opgewekt humeur haar tepelpiercing op Hyves toonde voordat ik ook maar de tijd had om fatsoenlijk te protesteren. “Ja, nou, het is wat meisje. Maar doe nu maar de electronische leeromgeving weer aan” . We leven in een tijd van uiterlijk vertoon, en het is dus zaak om af en toe eens bij je pupillen te informeren of er nou nooit eens een sliert spaghetti ter weerszijden van die tongpiercing blijft hangen.
Iets van de muziek afweten doet het ook erg goed. Je maakt je onsterfelijk populair wanneer je kunt laten horen dat je op je iPhone ook het nodige van Rammstein hebt staan. Aan de andere kant: je dient ook te zorgen dat je dan nog ergens een portie Jan Smit achter de hand hebt, want nergens zijn de meningen zo verdeeld als wanneer het over muziek gaat.  In mijn lessen mogen ze soms een muziekje draaien. Nu heb ik op mijn iPhone een programmaatje dat die muziek herkent en je vertelt welk nummer dat is. Dat laat ik dus af en toe stiekum even meeluisteren, waarna ik ze met een ernstig gezicht kan vertellen dat dat nummer Fluorescent Adolescent heet en dat het gespeeld wordt door de Arctic Monkeys. Jouw lessen kunnen niet meer stuk dan. Wanneer je dan ook nog een beetje orde hebt, nou, dan hou je het in het onderwijs wel een tijdje uit, ondanks alle tegenwerking van onze minister Van Bijsterveldt.

Moet je dan maar klakkeloos hetzelfde leerlinggedrag aan nemen? Moet ik bij de eerste volgende les mijn shirt omhoog sjorren en mijn kersverse navelpiercing showen? Nou nee, en al helemaal niet op mijn respectabele leeftijd van 57. Elke docent boven de vijfentwintig is in de ogen van de leerling een strompelende hoogbejaarde, wanhopig op zoek naar kunstgebit en wegkantelende rollator, en gehuld in een aftakelend rimpelhuidje. Onderwijs is een serieuze zaak, en ze hebben het ook graag een beetje serieus. Men zal mij dus niet meer zien stuiptrekken ( = dansen ) op een schoolfeest. Hoe je je best ook doet, je blijft een houten klaas, het soepele is allemaal een beetje weg.
De kunst is dus het vinden van de juiste mix. De spanningsboog is tegenwoordig dermate kort, dat veel leerlingen na een kwartier opletten veranderd zijn in een geestelijk en lichamelijk kwijlend wrak, en de moderne docent doet daar nauwelijks voor onder. Het is dus heerlijk om af en toe een beetje met ze te kunnen dollen, eens te vragen naar wat ze in het weekend allemaal voor – in onze ogen – verschrikkelijks  gedaan hebben en ze eens hun favoriete nummer of filmpje op YouTube te laten showen.  Daarna willen ze wel weer aan de slag, zolang het maar niet te lang duurt. Onderwijs is een serieuze zaak, wanneer je er maar de lol van in ziet.

En u krijgt van mij niet te horen of ik nu wèl of geen eikelpiercing heb.

Down Under

Afgelopen weekend vertrok mijn jongste dochter voor vier maanden voor haar stage naar Australië. Vreselijker nog: het reisdoel was Brisbane. Je hebt dan als overbezorgde vader visioenen van door de straten zwemmende krokodillen, gifslangen en dolgeworden haaien, en daarnaast nog een partijtje besmettelijke ziekten als cholera en buikloop.
Nu heb ik ooit te maken gehad met cholera, toen ik als argeloze toerist voor-het-eerst-in India de krankzinnige aanwijzing van onze gids opvolgde: ‘Ga bij dat stalletje om de hoek maar een hapje eten, dan wen je snel aan het lokale voedsel.’ Drie dagen na aankomst was uw blogger dus gevloerd door een zware vorm van cholera, een diagnose die pas weken later , uitgemergeld terug in Nederland werd gesteld. Daarvóór had ik gedurende de reis een stoet van plaatselijke medicijnmannen aan de diverse lompenbedden waarin ik verbleef, gezien; die constateerden na een peinzende en ernstige blik in hun aftandse stethoscoop allemaal een andere levensbedreigende aandoening. Dat werd dan weer bestreden met een waslijst van over-de-datum-medicijnen of injecties met iets onbestemds er in. Eén van de geneesheren schroomde ook niet mij volledig plat te spuiten en vervolgens mijn vrouw uit te vragen voor een jolig avondje in de dorpsbioscoop. En ja, ik kwam toch niet verder dan de galmende zinken emmer in het hok wat voor toilet moest door gaan. Dertien kilo lichter en een ton ervaringen rijker mocht ik tenslotte in ons op en top hygiënische landje weer de oude worden.

Nu zal het in Brisbane dus wel zo’n vaart niet lopen met de cholera. Die Aussies schijnen nogal van aanpakken te weten, en vermoedelijk is de grootste rotzooi wel opgeruimd, zodat dochterlief zich ongestoord mag vermaken met studie, stage en vrije tijd. Is zo’n afscheid niet heftig dan, op Schiphol. Jawel, want ik ben al jaren in het rijke bezit van een vrouw en drie dochters, en als die dus allemaal in ernstig snikken uitbarsten met ook nog eens een slikkende en geschokte aanhang er bij, dan moet je toch wel een soort granieten sfinx zijn om dat alles onbewogen aan te zien. En dat terwijl Joris Linssen niet eens met zijn ploeg aanwezig was om het tafereel voor de eeuwigheid vast te leggen.
Australië is een verdraaid eind weg. Je vliegt niet even in een weekendje op en neer om de gemoederen te bedaren of om even de zoveelste verloren pinpas te overhandigen. En toch: elk moment kun je het eerste bliebje via Skype of Messenger verwachten, en daarmee verandert de afstand in de dertig centimeter tot je webcam. Er zijn eigenlijk geen grenzen meer. The World in a Nutshell. Onze pubers kijken heel anders tegen afstanden aan dan wij. Ze hebben vrienden over de hele wereld ( hoe je al die 580 stuks trouwens moet bijhouden lijkt me een raadsel en bovendien nog eens dodelijk vermoeiend ). Dus wat doen wij ouders nu moeilijk?

Ja, wij doen toch moeilijk. We missen het moment laat in de zaterdagnacht dat je de voordeur zachtjes open en dicht hoort gaan. Dat je weet dat je kind weer thuis is na een avond stappen. Wij missen de eeuwig rond slingerende rotzooi, de stapels wasgoed en de scheermesjes in de badkamer waar je op je blote voeten je tenen per ongeluk mee afsnijdt. We missen het onderuitgezakte hangen op de bank, en het gekoekeloer naar de meest stompzinnige programma’s op tv. We missen het lichtje op de zolderkamer, wanneer wij al tollend van de slaap naar bed gaan. We missen de onafgeruimde ontbijttafel bij thuiskomst, en we missen de kou die door open gelaten deuren de kamer in stroomt. Daar kunnen geen webcam en geen MSN tegenop.

Uit handen geven is een hele kunst, zeker wanneer je bedenkt dat een kwartier voor vertrek de koffer weer half leeg moest vanwege ontbrekende of juist te zware dingen. Maar ja, zoiets duurt een weekje en dan heeft iedereen zijn draai gevonden, hierboven en Down Under.  En dan is het nog maar drie maandjes en drie weekjes te gaan. Zó voorbij.

Middagje NOT. Mwah…

Ik was gister weer eens een middagje op de NOT, de Nationale Onderwijs Tentoonstelling. Tout onderwijsminnend Nederland begeeft zich naar dat tweejaarlijkse festijn , waarbij de woensdagmiddag qua drukte het absolute hoogtepunt is, want dan spoedt ook het voltallige primair onderwijs zich derwaarts. Er mag tenslotte geen les gemist worden.
Bij het oversteken van de drukke verkeersweg die langs het Jaarbeursgebouw loopt, pik je al die pedagogen en didactici er direct uit , want iedereen wacht daar keurig netjes tot het voetgangerslicht op groen springt. De wat meer roekelozen doen het heel gewaagd vijftig meter verderop bij de onbewaakte oversteekplaats, maar niet na uitvoerig eerst naar links, dan naar rechts en vervolgens weer  naar links te hebben gekeken.

De oogst van een middagje grabbelenHet was dus druk daar op die beurs, en zoiets begint al bij de garderobe, waar een aantal verhitte medewerkers het jassenaanbod van al die complete schoolteams in ontvangst moet nemen. In plaats van dat zo’n schoolleider nu eens hoffelijk de jassen van al zijn vrouwelijke collega’s aanneemt en die ter bewaring aanbiedt zodat de dames in de lange rij bij de toiletten ( waarom gaan vrouwen trouwens altijd met twee of met drie tegelijk naar de plee? Zou ik zo’n voorstel aan mijn mannelijke collega’s doen, dan zou dat de nodige gefronste wenkbrauwen opleveren ), maar nee, iedereen perste en wrong zich langzaam maar zeker naar de balie  en daar stond ik dan met samengeknepen benen tussen in, want ik wilde eigenlijk ook wel naar die WC. Daarbij komt dat ik altijd in een rij pleeg te staan waar vooraan allerlei oponthoud plaats vindt. Bij kassa’s zijn huisvrouwen op zoek naar een onvindbare  pinpas in één van de minstens drie reusachtige portemonnee’s die ze bij zich hebben, in bioscopen blijkt iemand een verkeerde film te hebben geboekt, en nu bij de NOT kreeg iemand een verkeerde jas terug, wat tot gevolg had dat al het bedienend personeel zich daar mee ging bemoeien.

Maar goed, na een klein halfuurtje waren alle garderobe- en toilethindernissen overwonnen en mocht ik mij laven aan al het moois wat de exposanten te bieden hadden, waarbij nog even de afschuwelijke gedachte door mijn  hoofd flitste of ik niet mijn toegangsbadge in mijn jas had laten zitten. Meestal ga ik op zo’n beurs uit medelijden eerst langs de “eenzame stands”, dat zijn van die leveranciers waar niemand interesse in lijkt te hebben, en waarbij de standhouders voor de zoveelste keer maar weer eens met de moed der wanhoop het stapeltje folders van links naar rechts te verschuiven of omgekeerd, om vervolgens te bedenken waar je het nu met je collega over moet hebben met nog drie dagen voor de boeg. Soms waagt er eentje op je af te komen, met een schuchter uitgestoken hand, en dan is het zaak zo snel mogelijk in je plattegrondje te duiken of te doen of er ineens een dringend telefoongesprek door komt.

Men sjouwt trouwens wat mee in allerlei uitgeverijboodschappentassen die bij nader inzien toch eigenlijk in een volgende hal wel weer gedumpt kunnen worden. De crisis slaat ook in het onderwijs hard toe: als wolven stort men zich op tafels met afgeprijsde lesmaterialen, voornamelijk voor het basisonderwijs, men dropt overal ijverig gegevens in de hoop één van de schaars aanwezige iPads te winnen en men bedenkt hoe men straks, weer op school, al die telefoontjes van bedrijven die naar aanleiding van jouw bezoek aan hun stand bij jou langs willen komen, kan afwimpelen.

Ik vond de beurs een teleurstelling: hét item van 2011, de tablet, schitterde grotendeels door afwezigheid, en de nadruk lag zoals alle andere edities vooral op ‘ouderwets’ lesmateriaal voor het basisonderwijs: boeken, digitale schoolborden ( ja u leest het goed ) voor in het klaslokaal, ideeën voor schoolreisjes, schoolmeubilair etc.  Een toonbeeld van Onderwijs 1.0 .
Zo’n massale beurs is eigenlijk uit de tijd. Een zo grote variëteit van spullen ( die wèl allemaal op het zelfde neerkomen ) doen je door de bomen het bos niet meer zien en ontaarden in een grabbelton voor armlastige scholen, waar men op jacht gaat naar gratis pennetjes en bloknootjes, om vervolgens als haringen in de trein opeengepakt weer naar huis te rijden en de volgende dag weer over te gaan tot alledaags lesgeven, waarbij je het al druk genoeg hebt om verder nog aan nieuwigheden te denken, laat staan te implementeren.

Het nieuwe onderwijs moet de scholen niet meer naar zich toe halen, het moet zèlf kleinschalig naar die scholen toe : maatwerk, in de vorm van een teammiddag waar bijvoorbeeld zo’n tablet eens even serieus uitgeprobeerd kan worden. Zoiets werkt niet in een stand met dringende en graaiende didactici. Grote beurzen zijn zóó 2010. Onderwijs moet je niet meer beperken tot één fysieke ruimte ergens in de Jaarbeurshal in Utrecht.  Daarvoor kom je niet uit Zeeland of Groningen. En een school hoeft dankzij nieuwe technieken ook niet meer aan één lokatie gebonden te zijn, net zoals leraren en leerlingen niet meer in de buurt van die school hoeven te wonen en daar ook nog eens alleen maar van negen tot vijf terecht kunnen. De nieuwe onderwijsbeurs gaat geheel digitaal. De vraag is alleen wanneer.

Druk

Bijsterveldt zal ons leiden op de smalle weg omhoogMijn vrouw zei vanochtend, twee dagen naar haar terugkomst van een week wintersport en na de eerste dag van de nieuwe werkweek: “Eigenlijk heb ik helemaal geen zin meer in het werk” ( onderwijs aan een combinatieklas van drie verschillende groepen leerlingen ).
Hoe kan zoiets. Heeft het onderwijs daar een patent op of zo. Zijn docenten zich massaal over de kop aan het werken.

Ik denk het eigenlijk wel. Wij worden om de oren geslagen met berichten over onze kelderende positie op de Pisa-ranglijst  ( voor de niet-kenners: dat is een soort zwarte lijst van landen met scholen waar de meest hysterische docenten en studenten rondlopen in hun jacht naar hoge prestaties.). Haal je daar als leerling minder dan een negen, dan kun je het de rest van je leven wel schudden. In die landen wordt ook niet gestaakt, wanneer de werkdruk in het onderwijs te hoog wordt. Stel je voor dat de leerlingen de dupe worden. Nee, dan werken we liever onszelf over de kop. We plannen onze vergadermomenten, ouderavonden, personeelsdagjes, bezoekjes aan de NOT, verplichte nascholingen en noem maar op zoveel mogelijk buiten schooltijd en de eerste weken van de natuurlijk veel te lange zomervakantie zitten we met een knallende hoofdpijn bij de pakken neer, als voorbereiding op de laatste weken waarin we ons weer helemaal op het in orde maken van al het lesmateriaal storten.
In de weekends geregeld nog even snel naar school: even dit klaarzetten, dat klaarzetten, dan is dat maar weer gedaan. In de klas van mijn vrouw zitten leerlingen die behoefte hebben aan rust, leerlingen die prikkels nodig hebben, leerlingen die denken dat ze drie leerlingen zijn, leerlingen die zich alleen in volstrekte afzondering kunnen concentreren en leerlingen die stijf staan van de Ritalin, de Borderline, de Asperger en noem maar op, gezellig in een veel te klein lokaaltje bijeen en dan ook nog eens uit drie verschillende leerjaren. 
De school waar ik werk wordt bezocht – en dat woord is voor beide betekenissen vatbaar – door een stoet van lieden met dikke aktetassen die ons de laatste wijzigingen en verplichtingen op het gebied van het onderwijs vriendelijk doch dringend door de strot komen duwen.
Eindtermen heetten eerst competenties ( een ander woord voor ‘de heilige graal van de onderwijsvernieuwing’ ) en moeten volgens de laatste berichten nu weer ‘eindtermen’  genoemd worden, waarbij het pak papier met de beschrijving van dit alles is vervangen door een nieuw pak papier met de zelfde inhoud maar waarbij wel de correcte terminologie gebruikt wordt. Zo wordt het gewenste eindniveau van een leerling die hier 1 dag in de week zichzelf even van de trekker in de klei losrukt om met lichte tegenzin in de schoolbanken plaats te nemen, beschreven in een pak papier met de dikte van de Statenbijbel. Of je dat als docent dan ook nog even in drievoud naar de inspectie wilt verantwoorden, vergezeld van bewijsstuk A tot en met Z.

Voor mij ligt een artikel uit de Trouw, mij aangereikt door een dankbare collega, met als opbeurende kop: “Beginnende MBO’ers vaak onder niveau basisschool” . De helft haalt met rekenen het eindniveau van de basisschool niet. Of we dat dan maar even met een paar uurtjes in de week in orde willen maken zodat men weer door kan stromen naar het HBO en vanzelfsprekend de universiteit, want we moeten toch echt weer een beetje opklimmen in die Pisa-lijst. Een volgende onderwijsvernieuwing zal bestaan uit het afschaffen van taal en rekenen, omdat beide onderdelen voor te lage scores zorgen en het niveau van HAVO , HBO  en universiteit daaronder lijdt. Vorig jaar zag ik een dure advertentiecampagne , waarmee een MBO-school de wat intelligentere leerling probeerde te lokken. De slogan, groot op reclame-posters verspreid: “Het MBO-lyceum, jou keuze!” ( ik heb de naam uit piëteitsverwegingen even aangepast )

Langzamerhand zijn we allemaal dol aan het worden. Er zou een aantal wettelijk toegestane stakingsdagen moeten komen. Een dag waarop je tot je verbazing bemerkt dat alle schoolmuren ineens doorzichtig worden, dat je in een warreling van correctiemodellen, competentiemetingen, papers en lesschema’s opstijgt onder de verbaasde ogen van je leerlingen met een gelukzalige glimlach op je lippen. Ontsnapt aan de regeldruk, stoned als een garnaal, de boel de boel latend en je weer twintig in plaats van tachtig voelend. Zwevend door maagdelijk witte en roze wolkjes, door de nevelstralen van een mistig zomerbos, langs een verlaten kust met een donderende oceaan onder een kobaltblauwe lucht, of dobberend op een bootje in een lauw voortstromende rivier die wijder en wijder wordt. Een meeuw over de eindeloze zee. Vrij van alles, niets wat je nog tegenhoudt of remt. Geen regels, geen normen en niemand waar je iets aan moet verantwoorden. De tijd lijkt stil te staan, en je proeft elke seconde die eindeloos terug lijkt te komen. Je lichaam is verdwenen, er zijn alleen nog je wervelende gedachten.

En dan, op de toppen van ons genot, dan verschijnt daar het summum van zaligheid, een engel gelijk, in de gedaante van Minister van Onderwijs Van Bijsterveldt, omgeven door een stralenkrans van ondersteunende diensten. En zij ziet dat het goed is en nog beter wordt. Zij zal “zorgvuldig” de vernieuwingen doorvoeren. Er is dus hoop. Alles komt goed. Dus nu weer snel afdalen en aan de slag. Hup, les! Want we blijven toch wonderbaarlijk veel van ons vak en onze leerlingen  ( nou ja, de meeste dan ) houden. Gelukkig maar.

#Kutleraren

Het is in het algemeen niet mijn gewoonte om gevoelens van onvrede aan te duiden met namen van welk geslachtsdeel dan ook  ( ik las vandaag in de krant dat de Argentijnse Meereend er eentje van 40 centimeter heeft ), maar aangezien in de moderne media tegenwoordig de volledige intieme vleeswarenafdeling de wereld in wordt geslingerd heb ik toch maar bij hoge uitzondering voor de titel van dit blogje gekozen.

Wat is het geval. Onze beroepsgroep – die van leraar – blijkt behalve bij het kabinet ook bij onze doelgroep, de leerlingen, niet overal even geliefd te zijn. Er wordt danig over ons in negatieve bewoordingen getwitterd, en daarbij wordt dan gebruik gemaakt van hashtags als #kutleraren, #kutschool, noem maar op ( voor de Twitter-leken: een hashtag is een tekentje waar je op Twitter een herkenningswoord aan vast koppelt, zodat een en ander beter gevonden wordt. )

Nu bekt het ook niet als je het in plaats van over #kutleraren over #lulleraren of #lulschool zou twitteren, dan sta je op de een of andere manier voor #lul en dat is iets wat in de puberwereld angstvallig vermeden moeten worden. Vrouwen zijn dus weer eens het slachtoffer. Ze zeggen hele nare dingen over ons, die ook nog eens getuigen van een aparte logica en taalbeheersing:

“Boos zijn op dat mens van wiskunde : ze had me iPod afgepakt ):”
“Volgende week 4 so’s en 2 toetsen, daar weet ik niks van af.. Welke allemaal?”

” Er valt weer eens fucking niks uit”
” Kak school ook nog huiswerk opgeve”
” Fuck, laat je je hw ook even liggen op school. morgen maar even uurtje eerder heen, anders gaan ze weer zeiken”
” Naaaa, heb geen zin meer in huiswerk maken :S het is egt teveeel gewooon”
”  ik ga m’n boeken niet meenemen hoor, jammerdan !

Een snelle oogst, die de argeloze docent de moed in de schoenen zou doen zinken. Een beetje boeken mee laten nemen en huiswerk opgeven, waar háál je de lef vandaan?  En Nederlands geven lijkt ook al geen zin meer te hebben, want wanneer je op het wat meer in moderne spelling gebruikelijke #kutsgool zoekt, verschijnt er ook weer een hele waslijst aan opwekkende berichten, zoals deze:
eens een kutsgool, altijd een kutsgool! Sture ze een brief dat k me diploma kan ophalen. Ga k vndg, hebbe ze em ng niet klaar“, waarbij je je kunt afvragen of de cijfers voor taalvaardigheid zwaar meegewogen hebben bij het behalen van dat begeerde papiertje.

Je fantasie slaat dan natuurlijk op hol en je ziet dan een nieuwe hashtag #kutleerlingen ontstaan, waarbij docenten hun frustraties uiten in termen als: “Er waren weer fucking veel leerlingen aanwezig. Moest ik daar een beetje voor een volle klas staan les geven! Belachelijk! ” Kamervragen en verschrikte Colleges van Bestuur zouden ons deel zijn, woedende ouders die “dat ventje wel es effe in mekaar komen rammen”.

Collega’s, wanneer u morgen weer het lokaal betreedt, en daar het vertrouwde beeld van onderuitgezakte, met jassen aan/petjes op zover mogelijk achterin hangende groep leerlingen aanschouwt, weet dan dat u op een vulkaan danst en dat al uw doen en laten  voor dat u het weet onder de noemer #kutleraren voor heel de wereld is terug te vinden. En weet ook dat lieden die tevreden zijn, daar meestal niet over twitteren. Het klagen zit ons nu eenmaal een beetje in het bloed. En nog een geruststelling: de meerderheid van de leerlingen zit nog niet op twitter. We kunnen dus nog een tijdje ongegeneerd iPods afpakken, boeken mee laten nemen en huiswerk opgeven. Veel plezier morgen.

Betoog

De gemiddelde puber heeft het maar zwaar. Een druk bezet leven wat geregeld bestaat uit hevig uitgaan, feesten en beesten, apatisch op de bank hangen en met wezenloze bewegingen van kanaal naar kanaal zappen, razend van woede en met deuren smijtend naar de kamer stormen, subtiel de gezellige maaltijd verpesten, hopeloos verliefd zijn of bedroefd zijn omdat verkering nummer zoveel uit is, eindeloze discussies met ouders over het tijdstip van uiterlijk naar huis komen, ruzie omdat dat ene veel te laag uitgesneden truitje niet gedragen mag worden “omdat je er dan bij loopt als een slet”, beetje irritant in groepjes rondhangen in winkelcentra en dan is er ook nog zoiets als school.

Het vervelende van die school is, dat je daar dingen moet doen. Wie verzint zoiets. Terwijl je het al zo druk hebt, dus waarom snappen ze dat daar niet. Zo moet de gemiddelde puber op mijn school, ergens in het midden des lands, gedurende mijn lessen een betoog houden. Dat is modern en zo, de inspectie en de onderwijsvernieuwers willen het graag, en aangezien je als docent natuurlijk totáál geen verstand van onderwijs hebt worden er door diverse instanties ergens hogerop allerlei modellen en theorieën bedacht waardoor je je lessen zo vooruitstrevend mogelijk kunt geven, en daar hoort natuurlijk ook een door de zelfwerkzame leerling te houden serie betogen bij.

Wel, die vallen eigenlijk nog niet tegen. Ze gaan serieus aan de slag, pluizen het internet af, maken mooie en flitsende presentaties met powerpoint en staan als een volleerd docent met de bijbehorende mimiek een fraai verhaal te houden. Er kan veel van het competentie-leren gezegd worden maar sommige dingen zijn beslist zinvol. Gisteren had ik een lange dag van negen uur les, grotendeels gevuld met deze betogen. Je hoort het aan, je denkt af en toe volslagen geschokt aan de ellenlange formulierbrij die je per betoog nog in dient te vullen maar in het algemeen zijn zulke lessen leuk en leerzaam bovendien.
Het één na laatste uur: een gehalveerd klasje dames verschijnt – we hebben een damesoverschot op school – , de rest van de klas vond twee tussenuren wachten toch wat lang en was vertrokken. Kopje thee erbij, de regen kletterde tegen de ramen, het werd al donker; gezellig dus.
Meisje X is aan de beurt. Rustig in de les, vriendelijk, nooit last van, kortom de ideale leerling. Ze mogen allemaal zelf een onderwerp kiezen en dit betoog van zes minuten gaat over “Euthanasie moet aan minder regels gebonden zijn”. Er zijn er bij, die stijf van de zenuwen, met enorme rode vlekken in de nek en zich aan alle kanten krabbend voor de klas verschijnen. Die gun je natuurlijk tijd, je praat wat op ze in en probeert ze op hun gemak te stellen, want ze hebben er allemaal op hun manier hard aan gewerkt. Meisje X heeft nergens last van en steekt professioneel van wal. Schema’s, getallen, een mooie presentatie. En dan ineens, na een paar minuten, waarin zij stelt dat het soms erg moeilijk is voor mensen om euthanasie te ondergaan terwijl het lijden zo hevig is,  barst zij in hartverscheurend huilen uit en vallen wij allemaal stil. Dit gaat dus over haar moeder.

Ik heb in mijn loopbaan in het onderwijs al heel wat huilende meisjes bij mijn bureau gehad en daar praat je dan mee en je voelt met ze mee en je denkt er aan als je naar huis fietst en dan ben je het wel redelijk kwijt. Je hebt snel je oprecht troostende woorden klaar en meestal gaat zo’n meisje dan enigszins opgeklaard en met ernstig uitgelopen make-up en wat papieren zakdoekjes de deur weer uit. Voor de klas ben je weer de gevatte docent en hou je je emoties toch wel grotendeels verborgen. Voorbeeldfunctie en zo.

Maar dit hakte er toch wel eventjes in, en ik betrapte mij er op dat ik ook wat nattigs in mijn ooghoek voelde in deze klas die nu ineens bestond uit hevig verschrikte en snotterende meisjes en we voelden allemaal een enorme behoefte om de armen om dat trieste en ontredderde kind voor de klas te slaan. Het gebeurt niet snel, maar ook ik kwam niet uit mijn woorden. “Zou je dit jezelf nu wel aan doen meisje, je kwelt je zelf zo op deze manier” was wat ik hakkelend en slikkend uit kon brengen. Ja, het was inmiddels drie jaar geleden, ze dacht dat ze het wel kon, huilde ze. We hebben haar betoog niet afgemaakt en ik heb haar toch een negen gegeven. Soms moet je wat sjoemelen met je cijfers. Omdat je in het onderwijs met mensen te maken hebt en niet altijd met te behalen eindtermen en -doelen.

De rest van de les verliep in een wat onwerkelijke sfeer, waarin we allemaal diep adem haalden en de draad weer zo goed en zo kwaad als het ging oppakten. Zelden zo’n band met m’n leerlingen gevoeld.