Betoog

De gemiddelde puber heeft het maar zwaar. Een druk bezet leven wat geregeld bestaat uit hevig uitgaan, feesten en beesten, apatisch op de bank hangen en met wezenloze bewegingen van kanaal naar kanaal zappen, razend van woede en met deuren smijtend naar de kamer stormen, subtiel de gezellige maaltijd verpesten, hopeloos verliefd zijn of bedroefd zijn omdat verkering nummer zoveel uit is, eindeloze discussies met ouders over het tijdstip van uiterlijk naar huis komen, ruzie omdat dat ene veel te laag uitgesneden truitje niet gedragen mag worden “omdat je er dan bij loopt als een slet”, beetje irritant in groepjes rondhangen in winkelcentra en dan is er ook nog zoiets als school.

Het vervelende van die school is, dat je daar dingen moet doen. Wie verzint zoiets. Terwijl je het al zo druk hebt, dus waarom snappen ze dat daar niet. Zo moet de gemiddelde puber op mijn school, ergens in het midden des lands, gedurende mijn lessen een betoog houden. Dat is modern en zo, de inspectie en de onderwijsvernieuwers willen het graag, en aangezien je als docent natuurlijk totáál geen verstand van onderwijs hebt worden er door diverse instanties ergens hogerop allerlei modellen en theorieën bedacht waardoor je je lessen zo vooruitstrevend mogelijk kunt geven, en daar hoort natuurlijk ook een door de zelfwerkzame leerling te houden serie betogen bij.

Wel, die vallen eigenlijk nog niet tegen. Ze gaan serieus aan de slag, pluizen het internet af, maken mooie en flitsende presentaties met powerpoint en staan als een volleerd docent met de bijbehorende mimiek een fraai verhaal te houden. Er kan veel van het competentie-leren gezegd worden maar sommige dingen zijn beslist zinvol. Gisteren had ik een lange dag van negen uur les, grotendeels gevuld met deze betogen. Je hoort het aan, je denkt af en toe volslagen geschokt aan de ellenlange formulierbrij die je per betoog nog in dient te vullen maar in het algemeen zijn zulke lessen leuk en leerzaam bovendien.
Het één na laatste uur: een gehalveerd klasje dames verschijnt – we hebben een damesoverschot op school – , de rest van de klas vond twee tussenuren wachten toch wat lang en was vertrokken. Kopje thee erbij, de regen kletterde tegen de ramen, het werd al donker; gezellig dus.
Meisje X is aan de beurt. Rustig in de les, vriendelijk, nooit last van, kortom de ideale leerling. Ze mogen allemaal zelf een onderwerp kiezen en dit betoog van zes minuten gaat over “Euthanasie moet aan minder regels gebonden zijn”. Er zijn er bij, die stijf van de zenuwen, met enorme rode vlekken in de nek en zich aan alle kanten krabbend voor de klas verschijnen. Die gun je natuurlijk tijd, je praat wat op ze in en probeert ze op hun gemak te stellen, want ze hebben er allemaal op hun manier hard aan gewerkt. Meisje X heeft nergens last van en steekt professioneel van wal. Schema’s, getallen, een mooie presentatie. En dan ineens, na een paar minuten, waarin zij stelt dat het soms erg moeilijk is voor mensen om euthanasie te ondergaan terwijl het lijden zo hevig is,  barst zij in hartverscheurend huilen uit en vallen wij allemaal stil. Dit gaat dus over haar moeder.

Ik heb in mijn loopbaan in het onderwijs al heel wat huilende meisjes bij mijn bureau gehad en daar praat je dan mee en je voelt met ze mee en je denkt er aan als je naar huis fietst en dan ben je het wel redelijk kwijt. Je hebt snel je oprecht troostende woorden klaar en meestal gaat zo’n meisje dan enigszins opgeklaard en met ernstig uitgelopen make-up en wat papieren zakdoekjes de deur weer uit. Voor de klas ben je weer de gevatte docent en hou je je emoties toch wel grotendeels verborgen. Voorbeeldfunctie en zo.

Maar dit hakte er toch wel eventjes in, en ik betrapte mij er op dat ik ook wat nattigs in mijn ooghoek voelde in deze klas die nu ineens bestond uit hevig verschrikte en snotterende meisjes en we voelden allemaal een enorme behoefte om de armen om dat trieste en ontredderde kind voor de klas te slaan. Het gebeurt niet snel, maar ook ik kwam niet uit mijn woorden. “Zou je dit jezelf nu wel aan doen meisje, je kwelt je zelf zo op deze manier” was wat ik hakkelend en slikkend uit kon brengen. Ja, het was inmiddels drie jaar geleden, ze dacht dat ze het wel kon, huilde ze. We hebben haar betoog niet afgemaakt en ik heb haar toch een negen gegeven. Soms moet je wat sjoemelen met je cijfers. Omdat je in het onderwijs met mensen te maken hebt en niet altijd met te behalen eindtermen en -doelen.

De rest van de les verliep in een wat onwerkelijke sfeer, waarin we allemaal diep adem haalden en de draad weer zo goed en zo kwaad als het ging oppakten. Zelden zo’n band met m’n leerlingen gevoeld.

Nieuwjaarsontbijt en hoe dat te voorkomen

De eerste schooldag in een nieuw kalenderjaar is iets wat ik met licht angst en beven tegemoet kan zien. Niet dat ik ordeproblemen heb of zo – ik doe het met één of twee keer per jaar een nachtmerrie dat het wèl zo is – maar wat vooral vrees inboezemt is het verplichte nieuwjaarsontbijt. Om acht uur worden wij in het pand verwacht, en wie niet komt, kan mogelijk een slecht nieuwjaar tegemoet zien, en – erger nog – moet het doen zonder de nieuwjaarswensen van het bevoegd gezag. In de aula is dan gedekt en mag het dankbare personeel aanschuiven, onder het toeziend oog en luidkeels commentaar van leerlingen die om ondoorgrondelijke redenen op dat tijdstip al aanwezig zijn.

Ik weet dus niet wat erger is: de eeuwige toorn van de over mij gestelde machten binnen ons onderwijsinstituut en een ongelukkig nieuwjaar, of toch maar naar het ontbijt en dan het allervreselijkste moeten ondergaan, namelijk het gezoend worden door collega’s. Ik denk daarbij direct aan een stukje uit  “Bint” van Bordewijk, verplichte kost voor elke onderwijsgevenden: “Mond open!” Onmiddellijk geulde de mond. Hij was onbeholpen gebeiteld, een nat, rood hol vol ouwe tandjes van vergeeld ivoor.

Nu is zoenen in het algemeen natuurlijk een bijzonder aangenaam tijdverdrijf, vooral als je dat kunt doen met het object van jouw liefde ( er schijnen dierenliefhebbers te zijn die het met hun hond doen ) . Uren kun je jouw tong laten rondhangen in zo’n natte warme holte, en er zelf ook eentje verwelkomen. Wetenschappers schijnen trouwens uitgezocht te hebben dat je tijdens het zoenen met een aidspatiënt die ziekte kunt oplopen wanneer je minstens tachtig liter speeksel uitwisselt, dus dat risico is verwaarloosbaar, met wie of wat je het ook doet.

Nu werk ik op een vrij grote school, er worden dus zo’n honderd collega’s , al dan niet met frisse tegenzin, op de festiviteiten verwacht. Momenteel is drie keer zoenen bij dit soort sociale evenementen usance, en als ik er dan vanuit ga dat er zo’n 50 vrouwelijke collega’s zijn, waarvan er 20 mij sowieso vanwege mijn mogelijk afstotend uiterlijk of anderszins onsympathiek voorkomen niet zullen willen zoenen, dan blijven er toch altijd nog 30 over. In het meest beroerde geval zul je dus 90 keer gekust worden en zelf ook zoiets moeten verrichten. Ik ben wel geneigd enkele collega’s (allen vrouwelijk, en niet behorend tot het management) te willen zoenen, zodat er uiteindelijk  zo’n 81 gevallen van ongewenste intimiteit overblijven. Direct een stevige hand geven en dan flink op afstand duwen wil nog wel eens helpen, maar levert dan een tennisarm op.

Via Twitter kreeg ik allerlei adviezen binnen: knoflook eten (@Fred_Beumer), zeggen dat je verkouden bent ( @JoachimW), koortslip ( @MevrNestorix en @harmhofstede) en roepen dat je melaats bent ( @Wiswijzer2); allemaal ervaringsdeskundigen. Dat melaats zijn lijkt me wel wat. Klingelend met zo’n bel, gehuld in lompen en zonder benen zittend op zo’n houten karretje duw je jezelf dan de feestzaal in, en door je vrolijke geroep hou je iedereen, zelfs de vrouwelijke collega’s met beginnende snor en stoppelbaard, op afstand. Ook de directie zal je door je lage ondergeschikte houding niet zien zitten ( dit kan dubbel opgevat worden, maar ik bedoel het ene ), en je kunt in een stil hoekje je witte kadetje vanaf je plastic bordje oppeuzelen.
Waarom toch dat gezoen met wildvreemden? Wel beschouwd is het niet anders dan elkaars wangen tegen elkaar drukken en daarbij kusbewegingen in het luchtledige maken.  Doe het dan goed, vol op de mond, en rats, die tong er in. Men gaat zowaar iets menselijks in je zien. Je laat wel een diepe indruk achter in het nieuwe jaar, en het is toch allemaal een stukje minder oppervlakkig zo. Bijkomend voordeel is dat je volgend jaar niet op een nieuwjaarsontbijt hoeft te rekenen.

Held op sokken

Het is oudejaarsdag en links en rechts knallen de lawinepijlen, atoombommen en andere enge vuurspuwende voorwerpen uw verschrikte auteur om de oren. Katten en honden schijn je in deze tijd van het jaar nog iets kalmerends te kunnen geven, dus mogelijk kan ik met een smoes nog iets bij de plaatselijke dierenwinkel regelen. En dan vanavond in een stil hoekje op zolder in de mand, of achter de PC met science-fiction vlammenwerpers je verdrongen agressie op buitenaardse wezens sublimeren. Er zijn van die momenten dat je verlangt om in Zwarte Haan of zo te wonen ( Google maar even ) . Loop je op straat, dan verwacht je elk moment door een een in kruitdampen gehuld afgerukt lichaamsdeeltje te worden getroffen, afkomstig van groepjes kleine kinderen die hier met z’n allen over eng voor- of nasmeulende voetzoekers gebogen staan, terwijl de ouders binnen oliebollen aan het bakken zijn of op andere wijze hun opvoedkundige plichten niet nakomen.
Nu ontgaat mij volledig de aardigheid van het vuurwerk afsteken; je betaalt je er wezenloos voor, en de enkele keer dat ik dan maar eens wat vuurpijlen had aangeschaft verdwenen die in een paar seconden in de laaghangende mist. Mijn vrouw wil mij  rond de klok van twaalf uur altijd de straat op hebben, of – nog gruwelijker – even naar vrienden een eindje verderop lopen. Je hebt van die roekeloze types. Sterretjes, ja, dat ging nog, hoewel ik als kind in mijn argeloosheid al eens flinke brandwonden opliep omdat één van de ouderen in mijn gezelschap zei dat sterretjes ‘koud vuur’ waren en ja, zoiets wil je dan wel even uitproberen.

Mijn grootste heldendaad was ooit een poging tot het in brand steken van mijn school. Nou ja, dat beweerden de agenten die in een Volkswagen Kever het schoolplein op kwamen scheuren, opgetrommeld vanwege een melding dat enkele kleuters fikkie aan het stoken waren in de zandbak naast de school. Mijn vriendjes vlogen bij de beangstigende aanblik van dit stoere dienstvoertuig natuurlijk lang en breed over de heg en verdwenen, maar gekke Gerrit was zelfs daar te bang voor en overhandigde bevend het corpus delicti, bestaande uit een uit de keukenla gepikt doosje lucifers aan de ambtenaren in functie. Die zetten mij daarop achter in hun Kevertje om mij – naar ik meen- naar huis of naar de dodencel te rijden – waarbij ik wel zó hysterisch begon te huilen en te schreeuwen dat ze mij na een paar honderd meter weer uit de auto zetten.
Die vreselijke daad van repressie heeft mij de rest van mijn leven een traumatische angst voor alles wat gevaarlijk is en wat niet mag ingeboezemd, en een diepe eerbied voor het bevoegd gezag. Nou ja, zolang dat in uniform en met pistool rondloopt tenminste. Die brand stichtende vriendjes hebben nu natuurlijk vast belangrijke en hoge posities in de maatschappij als bankdirecteur of bekende Nederlander.
Ik reed ooit eens geregeld met een collega mee van Haarlem naar Alkmaar, en meende dan het ook weer gevaarlijke weggedrag van andere wegmisbruikers te moeten becommentariëren: ‘Als ik bij de politie zat, dan zou ik dit en dat”, wat hem de opmerking ontlokte: “Als jij bij de politie zat, dan zat je volgens mij bij een doodseskader” . Zo gaat het dus. Soms bekruipt je de lust om toch maar het meest illegale en gevaarlijke vuurwerk aan te schaffen en daarmee elk irritant buurkindje en elke Tokkie-met-petje-en-kratje-bier te lijf te gaan. Maar ja, zoiets doet een held op sokken toch maar niet.
Bang voor de aanstormende Kever.

Ik wens al mijn lezers een veilige jaarwisseling toe!

Tongzoenen en de Top 2000

Het is weer Top 2000-tijd en zoiets brengt bij de gemiddelde midlife-crisislijder de nodige herinneringen boven. Men grijpt dan bijvoorbeeld naar een denkbeeldige gitaar of de afwasborstel ter vervanging van de microfoon, en danst dan hopelijk onbespied door het pand, want muziek doet de tijd stil staan en roept het beste ( of het minst gruwelijke ) in de mens naar boven. Meestal ligt dat beste ergens in de puberteit; sommigen blijven daar met genoegen nog lang of zelfs eeuwig in hangen, tot wanhoop van hun omgeving.
Het nummer waar ik op hoopte staat dit jaar niet in de lijst. Op de tonen van “Spirit in the Sky”van Norman Greenbaum onderging ik in bar disco “De Kop”aan het Bloemendaalse strand begin jaren ’70 mijn eerste tongzoen.  Ik zeg “onderging”, want wist ik veel: het lelijkste jongetje van de klas was blijkbaar slachtoffer geworden van een weddenschap van twee lieftallige klasgenotes, wier namen ik nu even niet zal noemen maar die wel in mijn geschokte geheugen gegrift staan, om te kijken wie van hen beiden dat slungelige monster tot zoenen kon krijgen. Vrouwen kunnen vreselijk zijn, ook al op hun zestiende. Zo kwam het dus dat ik die avond, nadat wij met de klas op opgevoerde Mobylettes en Puchs vanuit Bloemendaal naar onze stamkroeg waren gescheurd, werd ingewijd in dat wonderbaarlijke moment waarop iemand van het vrouwelijke geslacht een vochtig en kronkelend stuk vlees tussen je lippen door probeert te persen. Zo was dat dus, onder de dreunende klanken van Spirit in the Sky, en de hemelpoort opende zich letterlijk en toonde zich in de door black light  paars oplichtende haren van meisje M. , die de weddenschap met vriendin H. had gewonnen. Ik was dus blijkbaar toch aantrekkelijk, meende ik in mijn  argeloosheid, en om er nog een schepje bovenop te doen, deelde ik haar tussen het lebberen door dat wij nu dus blijkbaar verliefd op elkaar waren en dat ik dat nooit van haar verwacht had. Hoe wreed was de harde werkelijkheid de maandagmorgen daarop volgend.  Dat is het aardige aan de puberteit: die toppen van genot  en die diepe dalen van ellende. In beide heb ik met genoegen gezwolgen.

Er kwamen nog vele hits en zo is zo’n Top 2000 voor menigeen een aaneenschakeling van hopeloze en iets minder hopeloze liefdes, al moet ik de eerste nog tegenkomen die er 2000 heeft gehad, ook al had je in die jaren soms wel dat idee. Muziek is herinnering. Wanneer de saaist mogelijke lesstof in de vorm van tophits en videoclips zou worden gebracht, zou Nederland tot ongekende hoogte stijgen in de Pisa-lijsten. Niets blijft zó bij als een situatie gekoppeld aan een bepaald nummer. Spirit in the sky, in extase lopend langs het donkere strand, de lichtende zee, een vage parfumgeur in je neus en steeds maar die sensatie van die kronkelende en hongerende tong voor de geest. De volmaakte combinatie.

Hadden we op dat moment echter het gekweel van Jan Smit – waar de Top 2000 momenteel nogal onder lijdt – aan moeten horen, dan was de poging tot tongzoenen mogelijk ontaard in een kille moordpartij, het afzweren van alle toekomstige verliefdheden en een levenslange retraite in een klooster ergens hoog in de Pyreneeën. Toch ook wel weer een beetje Spirit in the Sky dus.

[youtube]http://www.youtube.com/watch?v=utLrYEWhaXM[/youtube]

Doodgaan is een kunst

Er zijn twee manieren van doodgaan. De eerste is die waar je soms tot een fractie van een seconde voor het gebeuren geen weet van van hebt: in je slaap, een kogel, een betonblok wat uit een hijskraan valt, ik noem maar wat. De andere manier is die waar je weet dat het onherroepelijk gaat gebeuren en dat is een kunst op zich.  Kunst kan lastig toegankelijk zijn. pas wanneer je je er aan overgeeft en wanneer je er over hoort of leest, kun je er iets mee.  Je staat daar in het museum en je komt daar in een zaal en daar hangt dan aan de wand voor je de dood aan de muur. Wanneer je je omdraait is er geen uitgang meer, je bent alleen daar in die zaal met dat stuk ontoegankelijke kunst wat toch zo veelzeggend is. Er is geen gids, geen handleiding om dit werk te beschrijven. Iets is kunst wanneer het uniek in de wereld is en ook nog eens een boodschap in zich draagt. Kunst is een soort wonder. De  wereldwonderen bestaan voor een groot deel uit kunstobjecten.

De dag voor kerst hoorde ik van een familielid dat alvleesklierkanker was geconstateerd. Geen gunstige prognoses. Wat kun je doen wanneer je op die manier in die zaal van dat museum wordt geduwd? Wanneer je je omdraait en tot de ontdekking komt dat de uitgang verdwenen is, dat jij de enige overgebleven bezoeker bent? Je kunt op zoek gaan naar een uitweg, naar verborgen deuren, een naad in de wand die mogelijk een kans biedt, je klampt je aan de kleinste oneffenheid vast. Je hoopt op een wonder, in een wereld waar wonderen eigenlijk niet meer plaats kunnen vinden omdat alles beredeneerd, berekend en beschreven is. We geloven niet meer, we wéten alles. Van de geboorte tot aan de dood. Geboorte, daar weten we ook alles van. Het wonder van de geboorte, dat hoor je dan weer wel. Bij de dood hebben we die associatie niet. Mijn moeder heeft een lang sterfbed gehad. Een week voor het einde had haar gezicht alle kenmerken van iemand die reeds overleden was.  Duizend rimpeltjes plooiden zich om de schedel, de gelaatstrekken leken verstard. En toen, bij die laatste adem, die je direct herkent ook al heb je het nog nooit meegemaakt, trokken die rimpeltjes weg. Met die laatste wegstervende unieke zucht, waarmee de ziel hoorbaar het opgebrande lichaam verlaat, op weg naar het onbekende, verdwenen ook ineens de sporen van de negenentachtig jaar tussen geboorte en dood.  Of je weer helemaal terug ging naar het begin van de geboorte. Alsof dàt geen wonder is.

Iemand die terminaal ziek is, verliest een kwart van zijn vrienden, zo bleek onlangs uit een onderzoek van de stichting Sire. We kunnen blijkbaar niet zo goed omgaan met dingen die we niet begrijpen, die moeilijk toegankelijk zijn zoals wonderen of kunst. We komen niet graag in een museum met ontoegankelijke kunst, we zijn niet geneigd nog in wonderen te geloven. Is er iets vóór de geboorte, en – nog belangrijker – is er iets ná de dood. Wanneer we ons daarmee bezighouden, dan zitten we in het gebied van de wonderen, van de kunst, van het geloof. Het ontoegankelijke toegankelijk en daarmee begrijpelijk maken. Misschien is er nog een onvermoede uitgang in die zaal waar de dood aan de wand hangt. Misschien verandert de lichtinval wat, en zien we toch een kier. Misschien zijn er geen uitzaaiingen en komen we een andere keer terug in het museum. Ook dat is een wonder wat soms gebeurt.

Zoniet, dan rest niets anders dan je te verdiepen in het kunstwerk wat daar voor je hangt. Alleen dàn wordt het toegankelijk. En dan kun je bij de verwondering daarover de hulp van vrienden goed gebruiken.

Onderwijs…of zoiets

Op mijn rooster staat een uur Nederlands gepland. Tegenwoordig is dat dan vaak iets van vergadertechniek, een telefoongesprek oefenen, notulen maken, een betoog houden, en soms zowaar nog wat spelling. Er zijn computers bij nodig, dat hoort zo; inloggen op een website, en aan de slag maar.  De klas begint -“Eerst effe roken meneer!” – binnen te druppelen. Nu kan ik natuurlijk op mijn horloge gaan staan kijken en leerlingen die te laat zijn, niet meer binnen laten, maar dat geeft naderhand een ongelooflijke hoop gedoe, dus ik laat de eerste binnenkomers maar vast een laptop ophalen bij de uitleenbalie.  Het is een klas boerenjongens, die normaal op de trekker of de shovel zitten en daarmee bijvoorbeeld hopen zand van A naar B schuiven , en die nog één dag in de week naar school moeten om een soortement van diploma te halen. “Studenten” heten ze tegenwoordig, ook op het MBO.  Ooit las ik een boek over een docent die kunstgeschiedenis moest geven aan een groep leerlingen van een slagersvakschool. Ach ja. Een collega.

Na twintig minuten is de groep dan grotendeels compleet aanwezig, en druk doende met het opstarten van de laptops, die niet meer helemaal state-of-the-art zijn, en dan blijken er ook nog enkele latops helemaal leeg te zijn; geen stopcontact bij de tafel natuurlijk, dus dat wordt gezellig samenklonteren met drie laptops in een hoek. Ze moeten eerst het schoolnetwerk op. Ze bestaan nog: jongeren die niks met computers en internet hebben. Wanneer je het grootste deel van de week op laarzen of klompen door de klei klost,  of dode varkens in een container kiepert, heeft het onthouden van de gebruikersnaam voor het schoolnetwerk, laat staan het onbegrijpelijke wachtwoord wat uit allerlei tekens en letters bestaat, niet je grootste prioriteit. Ik laat er geduldig weer een stel afreizen naar de systeembeheerder, die het wachtwoord voor ze kan opzoeken. De systeembeheerder is niet aanwezig. “Doe dan maar samen jongens”.

Na een half uur is de klas in het netwerk. Sommigen hebben het wachtwoord weten te achterhalen vanaf een vodje papier, weggefrommeld achter een pakje shag in de borstzak, neergekrabbeld in onbehouwen handschrift, daarbij niet wetend of het nou hoofd- of kleine letters waren. Nu het internet op, naar de site van de Nederlandse methode. “Ik kan niet inloggen meneer!” Er dienen hier andere gebruikersnamen  en wachtwoorden te worden opgegeven.  Die heb ik gelukkig ook nog ergens voor ze in de electronische leeromgeving staan. Of ze dan daar maar even bij willen inloggen. En ja, van die leeromgeving kan ik gelukkig  zelf de door hen vergeten inlognamen en wachtwoorden achterhalen, dus daar besteed ik de volgende tien minuten in toenemende berusting aan.

“Mogen we al weg meneer? Het is nog maar vijf minuten! Kunnen we even roken!”  Ik besluit de toets voor de volgende week nog maar een tijdje op te schuiven. Ook zo sneu als ze geen diploma halen. “Dag jongens, doen jullie wel voorzichtig straks? En vergeet de laptops niet terug te brengen!”
Het zijn geen kwaaie knapen.Het groepsgedrag kan soms wat eh… vermoeiend zijn, maar je hebt toch de hoop dat je ze wat bij kunt brengen. Eenmaal aan het werk luisteren ze goed naar iets wat hen als chinees in de oren lijkt te klinken: het kofschip, nog nooit van gehoord meneer,  een werkwoord verbuigen, de eerste persoon enkelvoud, een zelfstandig naamwoord….. het opklaren van het gezicht als er iets doordringt.  Je staat dus niet voor de kat z’n viool les te geven.  Vooruit dus maar weer, want zoiets is leuk, zullen we maar zeggen. Zo lang je je maar niet te star aan de normen houdt… 

Onderwijs, elke dag anders. Zie het als een uitdaging…..

Drive-in geloof

Wauwel mocht zich de afgelopen week laven aan het immer zonnige Beach Boys-klimaat  van Los Angeles, Californie. Ik was daar verzeild geraakt vanwege een presentatie over Twitter, die verkozen werd tot beste van een groot onderwijscongres. De prijs bestond uit een studiereis, en deze week was het dan zo ver.

Een week in het Sheraton Park Hotel was mijn mijn deel, het congrescentrum en Disneyland binnen loopafstand, en, zoals dat gaat in Amerika, alles wordt daar groot aangepakt; voerdadig is mogelijk een passender woord. De straten zijn vijf-baans breed voor elke rijrichting, het plakje ham op je sandwich bestaat uit toch wel een heel Nederlands pakje, de scrambled eggs worden nog eens met suiker bestrooid en de Starbucks wordt je me liters tegelijk aangeboden.

Vlak bij – nou ja, op drie kwartier lopen – het hotel bleek zich nog een overdadig gebeuren te bevinden, eentje die zich presenteert als een regelrechte poort naar de hemel, namelijk de Crystal Cathedral die ook elke zondagmorgen in Nederland op tv tot ons komt.

Als bewoner van dorpje B. op de Veluwe, met uitzicht op twee enorme refo-domes waar een geloof van kommer, kwel, hel en verdoemenis over de arme gelovige wordt uitgestort, wilde ik deze uitgelezen kans op een ander uiterste natuurlijk niet missen, dus zo toog ik van de week richting aards paradijs, een enorm bouwwerk van – naar het inderdaad lijkt – kristal en spiegelglas. Nu met ik wel toegeven, dat het doel van mijn wandeling aanzienlijk minder verheven was, namelijk het aanschaffen van een iPad, wat inmiddels is gelukt.  Een bezoekje aan de Crystal Cathedral zou dus mogelijk voor het nodige tegenwicht voor het zojuist aangeschafte aardse slijk kunnen zorgen.

Nu, van aards slijk weet de kerk van Dominee Schuller mee te praten. De argeloze bezoeker betreedt een soort arcadisch landschap, waar je het verkeersgeraas dient te vergeten om je te vergapen aan het science-fiction-achtige bouwwerk, waar tonen uit een inmens orgel je tegemoet komen. De toegangen leiden over een soort christelijke hall of fame, marmeren tegels die allemaal voorzien zijn van een stichtelijke tekst en vooral van de namen van de gevers, die bijna zonder uitzondering gestudeerd hebben en meestal een gelukkig getrouwd gezin vormen: Dr. John F. Barrett and Karen Barrett. Je ziet ze voor je: een versteende tandpastagrijns voor de foto, goed in een pak met te brede schouders, blauwgrijs haar, wonend in een welgestelde buurt met een fiks inkomen.

Naast de kerk een groot aantal gebouwen, waarbij de dames-wc werd bewaakt door een meer dan levensgroot beeld, voorstellende de terugkeer van de verloren zoon, en een eindje verderop een tafereeltje dat de heiige familie op een ezel uitbeeldde, waarbij het kindje Jezus was voorzien van een verzilverd hoofd. Of je naar een plaatje uit Readers Digest in de jaren ’60 stond te kijken. Natuurlijk kon ook de heilige familie niet zonder sponsoring, en wanneer je van jezelf kunt zeggen dat je de heilige familie een plekje op het terrein van Dominee Schuller  hebt bezorgd, dan lijkt me je toekomst in het Hiernamaals toch wel verzekerd.

Er was ook nog een groot bezoekerscentrum, waar je plaatjes en koffiemokken met daarop diverse heiligen, bijbelteksten of hoofden van de Chrystal Cathedral voorgangers kon kopen, maar daar verwachtte ik niet al te veel geestelijk heil van. Dan had ik misschien nog meer  aan het bord bij de immense parkeerplaats, waar je voor het uitstorten van het geloof je auto niet meer hoeft uit te komen: