Wolk

MistIk loop in een wolk. Om mij heen stilte, slechts onderbroken door geklingel van koeienbellen en het druppen van water uit de dennenbomen om mij heen. Vaag zijn zij zichtbaar, doemen in flarden op, verdwijnen in zwijgende schimmen.
Een natte mist van druppeltjes waaiert om mij heen. De wereld is gekrompen tot een meter of tien. Het is wel goed zo. Ik zou weken door kunnen lopen. Langzaam, stap voor stap, hoger, hoger.
Er is niemand anders meer op deze aarde, in deze wolk. In deze witte cocon van natte draden, draag ik mij zelf omhoog; hoe hoog, ik weet het niet. Het zou rond zestienhonderd meter moeten zijn, straks tweeduizend. De aarde ontstijgen, op eigen kracht, een vogel zonder vleugels hoog in de lucht.
Het alleen zijn in de mistige, kille wade is een oase van rust. Waar beneden de wereld woedt, waar men elkaar letterlijk en figuurlijk uitmoordt, met kogels, zwaarden of met woorden, lijkt dit een ander heelal. Het geluidloze van de ruimte, de kou die langzaam in mijn botten dringt, die verdooft en kalmeert. Als het zinken in een verre oceaan, een oceaan van damp.
Zo nu en dan is er een flard van wind, die een kortdurend venster biedt op andere wolken om mij heen. Zij wervelen, tollen in soms herkenbare gedaanten, draaien weg, en herbergen elk een zelfde mens als ik. Toch zien we elkaar niet, blind drijven we omhoog in een klamme omstrengeling, ons roepen is een ijle zucht.
Boven mij wordt het langzaam lichter. Een parelmoer grijs, ik bereik het oppervlak, de top.
Ik veeg de druppels van mijn gezicht. Rondom mij strekt zich een eindeloze zee, wit, vlak, zonder golven, slechts een verstild raken aan een eindeloze kust. Een grijze oceaan, een horizon zonder enig schip.
Vreemde grauwe schelpen kraken onder mijn voeten, grijs zand, zover het oog nu reikt. Kleine golfjes mist slaan geruisloos, als rimpels, tegen mijn voet. Een bleke spiegel strekt zich voor mij uit, en daar, traag dichterbij, drijft een fles. Flessenpost. Een baard van algen heeft zich afgezet, het glas is dof in mijn handen, deels bedekt met zeepokken. Mijn nagels pulken aan de kurk. Ik ontwaar papier en schud de boodschap door de hals.
Er is hier nog iemand die iets zoekt. Wij spreken elkaar door de tijd heen, over een oceaan van wolken. Het papier ontrolt zich in mijn kleumende handen. Niets is er geschreven, een leeg bericht. Ik zoek of ik vervaagde letters zie, maar nee, het is een blanco vel. Een kreet zonder geluid.
Tussen de schelpen en de kiezels graai ik naar iets om wél te schrijven. Tevergeefs. Het kalk doet het papier slechts scheuren, ik staak mijn poging. Voorzichtig rol ik het vel weer op en schuif het terug in de fles. Ik duw de kurk weer terug en werp uit alle macht mijn woordeloze antwoord in de wolk. De zee trekt dicht. De fles verdwijnt. Ooit kom ik hier terug. Ik kan het vinden, ik onthoud de plek, wachtend aan de wolkenoever, wachtend op mijn post.

 

Afblijven!

afblijven

Het moment waar je zo lang naar hebt uitgekeken en waar je je op hebt verheugd, is dan eindelijk daar: op een stralende zomerdag laat je de aarde achter je en vlieg je hoog de blauwe hemel in, Nederland wordt kleiner en kleiner, je gaat het avontuur tegemoet. Je voelt je een ontdekkingsreiziger op weg naar verre oorden. Je kijkt uit naar de lome, tropische hitte en de geuren van Java, Bali, of naar het congres in Melbourne waar je je kennis en kunde gaat delen met anderen. Je verlangt naar de zwoele avonden waarop je met je liefde over het strand van het Bounty-eilandje Gili Meno zal slenteren door het kristalheldere water van de straat van Lombok. Een paar weken wég van alle drukte, van de spanning, van de zorgen, van de beelden van narigheid en oorlog zoals in de Oekraïne
Je hebt je in het vliegtuig genesteld, schoenen uit, reisgidsjes bij de hand, muziek in de oordopjes, een keus gemaakt uit de films op het schermpje in de stoel voor je. Je hebt je vermaakt om de eerste maaltijd -“Dit zou een soort kip moeten zijn”-  van de vele die tijdens de lange reis nog gaan volgen, je geniet van de rust die na de eerste opwinding bij het vertrek over je kinderen komt, je probeert je in te denken hoe zij zo’n verre reis ervaren, je geniet van hun onbevangen genieten, je ziet hoe ze hun knuffel , een zwart witte aap, in hun armen geklemd hebben, die gaat natuurlijk mee op reis, gaat ook alles zien.

Je kijkt op de route-informatie, en je ziet dat op de kaart dat het vliegtuig de Russische grens nadert. Ja, die plaatsnaam was de laatste dagen veelvuldig op het nieuws, daar gebeurt het dus allemaal. Daar beneden is het oorlog, gruwel, en hierboven vlieg je daar zó maar overheen. Heel ver in de diepte glijdt de oorlog onder je voorbij, verborgen achter het lichtblauwe waas, waarin je soms een verre rivier ziet, schitteren maar waarin verder niets te onderscheiden valt. Het is 14:14 uur, je moet je horloge nog verzetten, de reis duurt nog lang.

En dan, komt daar, vanaf die door wreedheid verscheurde aarde, die oorlog in een flits naar je toe, als een grijpende grauwe klauw, onverschillig voor wie of wat, in een niet te beschrijven ondeelbaar ogenblik, en die grijpt je vast en sleurt je omlaag, in een onbeschrijflijke wervelende vuurhel van rondvliegende brokstukken, het kind in de stoel naast je is weg, je hijgt naar zuurstof die er niet meer is, slechts vlammen, stank en flarden van bijtende kou en verschroeiende hitte. Het vliegtuig, die machtige witte machine, die enorme kracht, is weg, uiteen gereten. Traag buitelend valt het in een regen van rokende stukken naar een onbestemd ver veld in de afgronden van de onverbiddelijke wrede dood.
Het regent daar, een horror-regen van lange slierten dwarrelend papier, stukken kleding, verscheurde vliegtuigdelen en mensen, stukken van mensen, minutenlang gaat het door over een uitgestrekt gebied. En dat is géén Melbourne, geen tropisch Bounty-eiland in een azuurblauwe zee. Nee, de reis eindigt hier, voorgoed, in kale grauwe vlakten van Oost-Oekraïne. Je komt nooit meer thuis. Dit was je laatste reis. Je bent dood.

Wat rest, is wanhoop, machteloze woede, ongeloof en verbijstering. Jullie hadden daar niets mee te maken, jullie hadden niet om die oorlog gevraagd, jullie hadden er misschien een mening over, vóór, of tegen Rusland of Oekraïne, maar ze hadden niet aan jullie mogen komen. Ze hadden van jullie af moeten blijven, ze hadden jullie kinderen, jullie  on-schul-di-ge kinderen niet mogen vermoorden.  Het zijn ONZE kinderen, onze lichamen die daar verwrongen, stil en koud rusten.

Smerige stinkende kerels, gemaskerd, een sigaret in hun mond bungelend staan daar met hun geweerlopen ongeïnteresseerd in ons verloren leven te purken, gooien hun peuken over ons heen, graaien in onze spullen. Camouflage en vrolijke kleuren, dat mag niet samen. Blijf met je vieze tengels van de knuffel van onze kinderen af, hoe haal je het in je botte runderkop om daarmee op de foto te gaan? Heb jij soms op de knop gedrukt?

We zijn wanhopig, we grijpen in wanhoop naar withete woede en haat, we herkennen ons zelf zo niet meer. Laat hen die ons dierbaar zijn, die we in de meeste gevallen totaal niet kennen, tenminste met eerbied behandeld en geborgen worden. Laat de knuffel door hen die daar vanuit hun zware beroep mee om weten te gaan weer verenigd worden met het dode kind dat hem omklemde. Laat ons verdriet verdriet blijven, en niet omslaan in blinde haat.

 

UPDATE: De foto van de man met de knuffel blijkt uit een filmpje te zijn, zo stellen mensen die op dit blog en op twitter reageerden: hij neemt korte tijd later zelfs zijn pet af en slaat een kruis, voor het oog van tientallen camera’s. Wat moet hij anders, met zijn sigaret in de hand, net als zijn doorpaffende makkers. Een stukje hoognodige pr, nodig om te verhullen waar zij steeds onmiskenbaarder schuldig aan zijn. Dezelfde man, waarvan later op internet beelden verschenen terwijl hij onafhankelijke waarnemers wegjoeg van de plaats des onheils. Wegwezen! Ik neem dus niet terug van wat ik schreef, en ik herhaal het nog maar eens: blijf met je vuile tengels van alle onschuldige slachtoffers en hun spullen af.

 

 

Dilemma

dilemmaIn het leven draait het om keuzes maken, en dat is op zich al een behoorlijk lastige klus, zeker als je – zoals ik –  wat hebberig bent aangelegd en eigenlijk álles wilt hebben. Nu worden gelukkig heel veel keuzes al voor je gemaakt zonder dat je daar ook maar enige invloed op hebt, maar er zijn gebieden waar je met een druk op de knop kunt kiezen. Op Facebook en Twitter bijvoorbeeld.

Mijn ouders waren gedurende hun leven redelijke aanhangers van het communisme. Alles uit Rusland was prachtig, mijn moeder volgde een cursus Russisch, onderhield zich met diverse Russische emigranten en reisde er zelfs naar toe. Mijn vader kocht een Skoda, die op de eerste de beste ochtend de straat uit gesleept moest worden, en ging, toen dit wonder van communistische knowhow halsstarrig dienst bleef weigeren, uiteindelijk overstag naar een grauw-beige Lada, die ik de eerste keer toen hij apetrots kwam voorrijden voor een tweedehands model aanzag. Ik groeide dus op tussen de Matrosjka-poppetjes en deed onder de klanken van het Kozakkenkoor mijn huiswerk.
Een beetje opgroeiende puber wordt dan natuurlijk van de weeromstuit een ultrarechtse VVD-er, maar op de een of andere manier nam ik het links gedachtegoed van mijn ouders over, geheel in stijl van de jaren ’70.
Nu wordt een beetje linksmensch natuurlijk gedreven door een overmatig ontwikkeld gevoel voor rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid, dus nam ik vanzelfsprekend de hele wereld op mijn nek, demonstreerde tegen rechtse overheersing en onderdrukking, en wond mij vanuit mijn veilige stoel op over van alles en nog wat.

Dat linksige is eigenlijk altijd wel gebleven, in stemgedrag en gedachtegoed, en op Twitter kun je een ideaal gezelschap van lieden samenstellen met de zelfde ideeën als jij. Om echter een gefundeerd oordeel te kunnen geven – mijn gezin verwijt mij nog wel eens dat ik dat zelden doe – moet je echter ook je vooroordelen opzij zetten en lieden met een totaal andere mening volgen. Doen alsof die niet bestaan, en veilig in je eigen kringetje het roerend met elkaar eens zijn, heeft natuurlijk niet zoveel zin. Maar, de ideale club bestaat niet. Niet in politieke partijen, niet op Twitter. En dat merk ik wanneer het bijvoorbeeld gaat om het nu weer opgelaaide conflict tussen Israël en Palestina. Ook dit heb ik van mijn ouders meegekregen: zij waren – ongeacht hun communistische sympathieën, pro-Israëlisch. Dat stamde dan weer uit de oorlog, en ik nam dat over, echter met toenemende kritische kanttekeningen en bedenkingen, maar nog steeds: pro-Israël, hoewel dat soms behoorlijk lastig wordt gemaakt.

Meer en meer werd het echter not-done om positief te staan tegen ook maar iets wat met deze agressor-staat te maken had, en de gemoederen op Twitter zijn inmiddels zó ver verhit, dat er geen nuance meer mogelijk is. Wie het ook maar enigszins opneemt voor Israël, is een vuile PVV-er, een Islam-hater en een racist, en wie Gaza steunt is een geitenwollen-sokken linkse anarchist en ook een racist. Daardoorheen wordt men aan beide zijden voor nazi uitgemaakt.

Lastig laveren dus. Ontvolgen, of blokkeren doe ik eigenlijk zelden, ik volg links en rechts. Ik heb weinig met voetbal, maar tijdens de wedstrijden is Twitter even een verademing, omdat dan de rijen enigszins gesloten worden en de voor- en tegenstanders broederlijk vanaf de bank het spel becommentariëren. Zodra de wedstrijd echter voorbij is, gaat men weer helemaal uit zijn dak en barst de propaganda-oorlog ( want daar zijn social media uiterst geschikt voor ) opnieuw volledig los.

Dus volg ik mensen die het met mij eens zijn, en krijg ik door Twitter mensen voorgesteld die mogelijk dezelfde denkbeelden hebben. Daar zitten redelijke griezels tussen, en dat is best wel beangstigend. Het geeft het grote gevaar van social media aan: men plaatst je in een vakje, op basis van wie je volgt, door wie je gevolgd wordt, en van wat je zegt. En ik wíl niet in een vakje. Ik wil ook niet iedereen terugvolgen, wat je -ook uit fatsoen- toch enigszins zou moeten proberen. Ik wil met mijn avatar op z’n kop blijven staan, vooral links, en soms een beetje wankelend naar rechts.

Cycloop

ogenMet het klimmen der jaren wil je wereldbeeld nog wel eens vertroebelen. Bij anderen verheldert het, maar als het ook maar enigszins de andere kant op kan gaan, sta ik vooraan. Nu heb ik volgens boze tongen al mijn hele leven een vertroebeld wereldbeeld, maar nu is het letterlijk. Het oeverloos staren op de monitor begon steeds meer een dubbele realiteit en een bijbehorende hoofdpijn op te leveren, Mijn ogen waren al niet best: ooit rechts afgezakt tot -13 of zoiets, en links -6,5. Dat leverde dus een bril of contactlenzen op waarbij je het idee had met het ene oog door de goede kant van de verrekijker te kijken, en met het andere door de verkeerde.

Het zat in de familie. Het wat duistere wereldbeeld erfde ik letterlijk en figuurlijk van mijn moeder, die haar laatste dagen met één oog turend door een ouderwets vergrootglas nog wat leesvoer tot zich nam; zoiets is geen aardig vooruitzicht, en jaren geleden al had zich in mijn rechteroog een soort vroege staar ontwikkeld waardoor ik in aanmerking kwam voor een operatie. U weet hoe dat gaat met mannen in ziekenhuizen. En inderdaad leed ik na afloop ’s nachts martelende pijnen, wilde mijn oog er met veel misbaar uitrukken – geheel volgens Bijbelse principes – en hield ik mijn gade uit de slaap.

Goed, in de jaren daarna was het verschil in verrekijkers iets minder groot, maar nog steeds hoofdpijn verwekkend. In het gezin was ik met de opkomst van het mobieltje een voortdurend onderwerp van spot, omdat ik dit slechts met één oog fatsoenlijk kon bekijken, en dan stak het ongeveer in mijn oog. Nu verwacht ik van Google ná de Glass ook iets dergelijks in de vorm van een contactlens, maar dan met een mobiel ingebouwd, dus het is nog even afzien.

Onlangs was eindelijk oog nummer twee aan de beurt. Na diverse bezoekjes aan het oogziekenhuis en een arts die volgens mij aan zijn assistente de meest gruwelijke details uit mijn oog opsomde, mocht ik mij melden op de afgesproken tijd.
“We gaan nog even een keer meten meneer”. Wie wel eens bij de opticien komt, weet dat je dan een mooi landschapje ziet met in de verte een wit huisje met een rood dak en een vuurtoren op een dijk, zo’n plek waarvan je denkt: Daar zou ik graag eens op mijn gemak naar toe wandelen, maar ja, waar ter wereld is het?
“Nu even de eerste verdovingsdruppels”. Vervolgens een kamertje met nog meer slachtoffers, die allemaal veel ouder lijken dan ik – ben ik dus al zó oud – die allemaal hele series druppels in hun oog krijgen. Dat van mij heeft intussen het formaat van een theeschoteltje zodat ik stevig aan de paddo’s lijk. “Er zal eigenlijk geen na-pijn zijn meneer”. Ja ja, dat zeiden ze 15 jaar geleden ook. In de operatiekamer gaat er een steriele doek over mijn hoofd en ontwaar ik nog vaag een schaar of een dolk die daarin een opening rond mijn oog snijdt. De dokter richt nu een enorm zoeklicht op mijn oog, waar ik zo recht mogelijk in moet kijken, en de paddo’s lijken hun werk nu tot in extremis te doen. Regenboogkleuren, sloten jodium, een lichtshow van jewelste en een stofzuiger die dwars door mijn oog de oude lens verpulvert en vervolgens de restanten opzuigt, met hetzelfde geluid en beweging waarmee je ook met een hogedrukspuit een verstopte toiletpot weer tot leven wekt. Er schijnen op dat moment twee buizen in mijn oog gestoken te zijn, zo heb ik mij door een geduldige en opgewekte zuster laten vertellen. Ik mag beslist niet bewegen, niet hoesten en zo, en ik probeer dus tien minuten mijn adem in te houden, want vóór je het weet zit zo’n chirurg met z’n buizen je achterste hersenkwab weg te zuigen.

Het is klaar. Ik kom overeind. Het beeld achter het kapje is volledig zwart. Of ik soms blind ben, piep ik, maar nee, wél verblind, maar dat trekt weg, zegt de zuster. Of ik een kopje koffie wil. Jazeker.
In de wachtkamer ernaast gaapt een gezelschap in afwachting van eenzelfde operatie mij aan. Nee, het deed geen zeer, nee, niks van gevoeld. Men haalt opgelucht adem.

Na een dag en een  – o, wonder, absoluut pijnloze nacht – mocht het kapje er af. Een wondere, nieuwe en kleurrijke wereld openbaarde zich. Nooit meer als een cycloop op mijn mobieltje turen, nooit meer een vertroebeld wereldbeeld. Nou ja, zo nu en dan, als het zo uitkomt. En dat gebeurt nogal eens.

Weg

wolkenWaarom wil ik toch altijd mee met elk vliegtuig dat hoog in de staalblauwe lucht zijn strepen trekt? Het maakt niet uit waarheen en wanneer. Ik ben rusteloos, wil altijd reizen. Altijd droom ik van terminals, hotels, dwalen door een onbekend en ver landschap. Altijd alleen ook, zelden een bekende mee.

Vliegen, ik kan het altijd doen. En altijd reizen associaties mee, ’s Nachts in mijn bed wat dan op zo’n moment mijn bed niet is, maar een tijdelijke rustplek in een vreemd en niet te vinden land. Vanuit mijn huis aan de rand van Haarlem zag ik ze vroeger komen:  van ver over zee strepen trekkend langs een ondergaande zon, omgeven door enorme torens van maartse hagelbuien, die tot in de hemel leken te reiken. Te hoog om hier te landen, onderweg naar verder. In de nacht een ver gerommel, soms ouderwets murmelend gezoem van propellers die het duister ranselen. Vracht, kranten, een zakenman, een heel klein lichtje schuivend langs het zwart. Ook een rij raampjes tussen witte xenonflitsen, zojuist gestart, hoger stijgend, onderweg naar Guangzhou, Kigali, Singapore. Ik volg het op mijn beeldscherm in een programma dat elk stipje een naam, een route en een nummer geeft. Mijn mobieltje is de sleutel tot de wereld, en het sleutelgat waardoor ik hem bezie, want onbereikbaar; je kunt niet mee, over enkele uren is het dag en fiets je naar je werk.

Vaak is daar toch nog een opening, en ga ik zelf. De geur van kerosine, de smeltkroes van de wereld bijeen in de vertrekhal. Het lange wachten, de controles, ik neem het allemaal voor lief. Het zachte bonzen wanneer mijn tijdelijke huis voor zo lang als mogelijk is wordt losgekoppeld van de gate, het zoemen van de flaps die straks de vleugels zullen sturen. Achter mij Engels, naast mij Spaans, voor mij iets wat Slavisch klinkt. De flitsen aan de vleugeltoppen bliksemen op het beton van de taxibaan, de laatste bocht. Blauwe lampen glijden spookachtig voorbij, het vliegtuig komt verend tot stilstand. “Cabin Crew prepare for take off”. Minuten staan wij daar, voor ons stijgt een toestel donderend op. Het geluid van de motoren wordt een gieren, de versnelling is intens, lichten schieten voorbij, het neuswiel bonkt als een steeds sneller kloppend hart. En dan, met een ruk, ben ik los van de aarde, verend en deinend draai ik weg, de stad vervaagt in wolkenflarden en glijdt steeds kleiner en langzamer onder mij door.

Het scherm vertelt mij dat het buiten -56 graden is, en dat wij op een hoogte van 32000 voet vliegen. Het is nacht, een korte nacht, ik vlieg tegen tijdzones in. Dit is een tijdmachine, maar ook een ontsnappingscapsule. Weg van waar ik was, kort naar een andere tijd, een andere wereld, een ander leven, ook al is het maar om toch weer terug te keren in een warm en heerlijk nest. Heel diep onder mij een puntje licht, ergens boven de onmetelijke Gobi Woestijn. Geen steden in de buurt. Wie woont daar? Onder wat voor zware omstandigheden? Wie kijkt omhoog en ziet mij gaan, wie ziet mij onbereikbaar hoog voorbij vliegen? Wie weet dat hij nooit dit leven zal leiden van de man die daar met bijna 900 kilometer per uur aan hem voorbij gaat? Recht opzij, ver weg, een vliegtuig dat in tegengestelde richting jaagt. In een oogwenk is het uit het zicht, en kijk ik naar het maanlicht op de vleugels. Aan het uiteinde het als een regelmatige hartslag flitsen van de strobes.  Achterin huilt kort een baby, een stewardess schuift langs; ik vraag nog een glas wijn, om drie uur ’s nachts. Slapen kan ik niet, nooit, in een vliegtuig. Alles wil ik meemaken, ook het ongemakkelijke hangen en draaien in de stoel die ondanks voldoende ruimte toch nooit lekker zit, en ook de onophoudelijke ruis in mijn oren, toch te hard om helemaal door mijn koptelefoon buitengesloten te worden. Dit is het reizen waar ik thuis, als ik niet weg ben, steeds van droom.

Mijn oren ploppen, ik daal in het ochtendgloren van Azië naar Hong Kong. De bergen in nevels,  een klein schip trekt een zog op zee. In de diepte de ontwakende stad. Miljoenen in torenhoge smalle flats, de dag breekt aan. Straks een paar uur drentelen op dit vliegveld, kijkend naar de bergen, de geuren en indrukken tot mij nemend. Het wachten op de aansluitende vlucht. Ik neem een koffie, ik zit duizelend aan het tafeltje. Slapen wil ik. Maar meer nog wil ik vliegen. Daar is mijn oproep, passengers now boarding. Ik pak mijn tas en drink mijn koffie op. Ik ga weer verder. Verder weg.

Trouwdag

Wij hadden een mezennestje in de tuin, in een kastje tegen de muur. Wekenlang stress, wekenlang heen en weer vliegen met takjes, pluisjes en later met rupsjes, wekenlang zorgen om zouden ze er nog wel zijn. Afgelopen zondag, na dagen slecht weer, verschenen de eerste mezenkopjes in de opening, en genoten wij, samen met enkele aanwezige dochters met aanhang, van het uitvliegen van het eerste exemplaar.

We waren bij elkaar om de laatste puntjes op de i te zetten voor de bruiloft van mijn middelste. Eentje die altijd blij is, altijd opgewekt, een open mind en het positieve in mensen ziet. Dat heeft ze niet van haar vader, nurksig schrijver dezes, maar van haar moeder, zonder wie haar vader nog véél nurkseriger en zwartgalliger zou zijn.  Een van mijn dochters vloog dus gisteren uit, nadat haar man  een jaar geleden op een regenachtige kille namiddag heel schuchter en ouderwetsch degelijk om haar hand was komen vragen. Nu ben ik ondanks mijn brompotterij een behoorlijk gevoelig typje, dus dat was wel even een moment om te slikken en te doen alsof je een kriebeltje uit je ooghoek moest vegen. De aanstaande schoonzoon was nogal afwijkend van hetgeen ik mij als aanstaand schoonvader had voorgesteld, maar na een lange periode van gewenning – ik wen moeilijk aan dingen – kostte het mij dit keer geen moeite om, zo gewichtig mogelijk, toestemming te geven, zowaar uit de grond van mijn hart. Een goeie jongen, die schoonzoon. Hij doet enge dingen, hard motorrijden en zo, maar mijn dochter zou dat er allemaal wel uitkrijgen. De rest van het jaar waren alle vrouwen in mijn gezin al ernstig druk in de weer met het bekijken en uitspellen van trouwbladen, het passen van astronomisch dure jurken en het zoeken naar locaties die je normaal alleen maar in Engelse romantische films ziet. Volgens mijn sombere kijk op de wereld overschreed de begroting van de bruiloft al snel meer dan een ton, maar ik zie nu eenmaal het liefst veel beren en donkere wolken op de weg.

Afgelopen maandag waren alle jonge meesjes gevlogen, het kastje was leeg. De ouders hadden het eerste deel van hun noeste arbeid succesvol afgerond  Ik moest nog steeds een toepspraak bedenken, en dit was natuurlijk een ideaal aanknopingspunt en bood ideale beeldspraak. Naast de speech moest nog veel meer worden geregeld. Het bruidspaar hield veel in eigen hand, de planning was ingewikkeld voor een traditioneel persoon als ik, Uit allerlei archieven moesten foto’s worden gedigitaliseerd, en een heel 26-jarig leven trekt dan in een doorlopende voorstelling van 5 seconden per foto op het beeldscherm aan je voorbij. Een tijdmachine, een jeugd teruggebracht tot 10 minuten, vijf seconden voor de baby in je armen, voor het badderen in een afwasteiltje, voor de blutsen en pleisters na een valpartij, een verjaardag met slingers en taart en het uitblazen der kaarsjes, voor het slapend in je armen hangen na een lange en hete stranddag, voor de onbeholpen eind-musical in groep 8 van de basisschool, voor het diploma na de havo, de verre reizen met je grote dochter naar New York, samen roeiend in het bootje in de vijver in Central Park, quality time voor vader en kind. vijf seconden voor de vakantiefoto’s met de vriend die uiteindelijk haar man zou worden. Vijf seconden voor dingen die toen een gelukkige eeuwigheid leken te duren,  en elke vijf seconden groeit je eigen mezenjong een stukje groter, dichter naar het moment waarop zij uiteindelijk het nest zal verlaten, niet meer aangewezen op de ouders, maar dan gericht op de man die zo lang mogelijk bij haar zal zijn, langer, hopelijk veel langer, dan ik nog kan.

Het trouwfeest kon niet mooier zijn: een stalende zon over een trouwprieeltje in de natuur, witte hartjes op het gras, zingende merels als orkest, een beeld van een bruid en een stralende bruidegom. Zó je dochter weg geven is geen last, en je weet dat je jouw deel goed hebt afgerond. De toespraak verliep uitstekend, ik veegde slechts een kriebeltje uit mijn ooghoek. ’s Avonds verdwenen zij, omgeven door spetterend vuurwerk en stralende sterren in een inktzwarte nacht, lopend over het bospad naar hun hotel. Een witte oplichtende fee in een donker dennenbos.

Vandaag dan ontbijt met alle gasten, nóg wat toespraakjes, de auto’s volgeladen met cadeaus in afwachting van het vertrek. Ik omhels nog één keer mijn dochter, voordat zij gaat. En opeens voel ik mij honderd jaar oud. Ik schrompel ineen, een zee van kriebeltjes verblind mijn ogen. Ik wil haar nooit meer loslaten. Maar zo hoort dat niet, dus verman ik mij, ik lach en zwaai.  Daar gaat ze, definitief vliegt zij zingend de wereld in. Ik hip nog wat rond, maar er zijn geen rupsjes of torretjes meer te geven. Ze doet het nu zelf, en ik weet: dat gaat haar zeker lukken.

trouwdag2

Yessss! Geslaagt!

neanderthaler

Waarschuwing vooraf: een saai stukje, dit keer.

Is het fatsoenlijk en foutloos Nederlands reddeloos verloren? De Nederlandse taal is een monumentaal pand in staat van ernstig verval. Nu mag ik graag een beetje chargeren, dus onderstaand artikel is dan ook vooral bedoeld om wat discussie uit te lokken.

Examentijd nadert. Straks op Twitter: “Ik ben geslaagt!”
Docenten Nederlands doen hun uiterste best om te redden wat er te redden valt, maar een monumentaal pand waar enige tientallen jaren geen fatsoenlijk onderhoud aan is gepleegd, is niet zo één twee drie te restaureren, zéker niet wanneer je het werk door een wat louche clubje vage ambachtslieden laat doen. Het werk van Beun de Haas lijkt met het vorderen der jaren tot steeds groter instortingsgevaar te leiden.
Laat ik even benadrukken dat de meeste docenten Nederlands geen blaam treft. Wacht dus nog even met het uitstrooien van pek en veren over ondergetekende.
De oorzaken liggen vooral elders: gebrekkig taalonderwijs in het basisonderwijs, en gebrekkig taalonderwijs in het hbo. Daarnaast worden leerlingen steeds meer geconfronteerd met foutieve taaluitingen in de media. De enkele leerling die nog wel eens nieuws leest, doet dat bijvoorbeeld op zijn mobieltje, en komt dan vanzelf uit bij sites als Nu.nl. Wie daar geregeld met een deskundig oog de geplaatste schrijfseltjes beziet, zal niets meer kunnen doen dan wanhopig en in overspannen toestand het pand verlaten, om vervolgens nooit meer teruggevonden te worden.
Een doorsnee-leerling echter, en ook een doorsnee-docent, -ouder , -volwassene zal echter genoegen nemen met het bedroevende niveau, en zich totaal niet bewust zijn van de overdaad aan fouten die daar en ook elders wordt uitgestort. Men heeft immers nooit geleerd, of nooit begrepen, dat dit fout is. Een steeds groter wordende groep zal zich dus een gebrekkig Nederlands eigen maken, en dit ook weer doorgeven aan een volgende generatie.
We zakken dus steeds verder af naar een vorm waarbij we communiceren middels symbooltjes en uitingen van maximaal 140 tekens. Fokking vèt, zullen we maar zeggen. En dat is fatsoenlijk Nederlands, want de deelnemers aan Utopia bezigen deze uitdrukking ongeveer elke 10 seconden, dus wie is de docent Nederlands dan helemaal om daar wat van te zeggen?
Zolang dagelijks tussen de 800.000 en 1 miljoen Nederlanders naar dergelijke programma’s kijken en het taalgebruik klakkeloos kopiëren voorzie ik een moeizame restauratie van het gebouw, en eigenlijk verwacht ik binnen afzienbare tijd een verdere ineenstorting tot een gammel hutje op de hei. Daarin is geen plaats voor het lezen van boeken, tenzij we de biografie van Badr Hari of Barbie tot literaire hoogstandjes gaan rekenen, iets wat ik niet geheel onmogelijk acht, gezien de aandacht die dergelijke uitgaven krijgen.
Er ligt dus een schone taak in het verschiet. Gaan we dit nog redden? Voorlopig niet. Er wordt een generatie docenten gekweekt die zélf de Nederlandse taal niet goed meer beheerst. Die niet is opgegroeid met het lezen van écht literair werk. Een generatie die niet is behept met een flinke berg geestelijke bagage die nu eenmaal nodig is om op allerlei gebieden mee te kunnen denken en mee te kunnen praten. Die afhankelijk is van Google. Die zonder Tomtom reddeloos door de wereld doolt. Die lesmateriaal schrijft waarin gruwelijke taalfouten zitten als: “Ik heb het werk uitgedeeldt”. Die je nauwelijks vier jaar geleden nog met een onvoldoende voor Nederlands uitzwaaide en die nu als collega naast je in de docentenkamer het foebel van het afgelopen weekend bespreekt. Op hun vakkennis is vermoedelijk niets aan te merken; ik kan dat niet beoordelen. Het zijn ongetwijfeld goede docenten op hun vakgebied. Maar treden we daarbuiten, dan gaat het bij velen mis.
Ik pleit, hopeloos ouderwets, voor het instampen van een veel grotere hoeveelheid geestelijke bagage, waarbij we weer het uiterste vragen van algemene kennis en taalvaardigheid. Waarbij het onderwijs niet meer “vét leuk en kicken” moet zijn, maar waarbij we eindelijk weer eens echt gaan leren en hoge eisen stellen aan onszelf. Voor minder doen we het niet. En dat is geen Utopia