Wauwels Oudejaarsoverdenkingen

 

Wel, beste lezertjes, op deze laatste dag van het jaar past het ook Wauwel om nog enige overpeinzingen in de avond van het leven op te rispen. Terwijl ik dit schrijf is mijn woning in het dorpje B, ergens op de Veluwe, gehuld in dichte kruitdampen, die veroorzaakt worden door irritante buurjongetjes van een jaar of negen, waarvan de ouders het blijkbaar goed vinden dat hun kroost mogelijk een oogje of wat vingertjes gaat missen. Een stuk mond of stemband zou trouwens ook een aardige optie zijn.
Vuurwerk is toch zóóó 2007, iets voor paupers. Hopelijk vliegt er zo’n onbeduidend rotpijltje tegen mijn raam, dan kan ik schuimbekkend van razernij als een soort Boze Buurman de politie bellen. Niet dat die zal komen natuurlijk, maar het idee geeft veel voldoening. Een peloton ME, wat van drie kanten het huis binnenvalt ( ook met bijlen via het dak ), de knaapjes in kwestie plat op de grond liggend met gespreide ledematen ( als die er nog aan zitten ), als lekker brokje ten prooi aan verscheurende politiehonden, de beide ouders jammerend en handenwrijvend afgevoerd in een politiebusje. Explosieven-opruimingsdienst erbij, want mogelijk zware explosieven in de woning, SBS 6 filmt vanuit de lucht, en vanavond zal Milika Peterzon ons haarfijn verslag doen van de sensationele ontwikkelingen naast mijn huis. Wordt het toch nog een gezellige oudejaarsavond.
Want ja, wat moet je. Drie dochters, en alledrie weg naar onbestemde feesten die ongetwijfeld zullen uitdraaien op een orgie van geweld, drank en drugs op een tijdstip waar beide ouders al lang met een mooi boek in de hand onder het leeslampje in bed liggen, nog nagenietend van de Oudejaarsconference van Wim Kan die ze twintig jaar geleden op video hebben opgenomen. Neem jij nog een oliebol, schat. Nee dank je, ik heb er al twee op. ’t Is al tien over twaalf, is het niet eens bedtijd?
De hele avond TV-kijken is dus not done, hè? Niets vreselijkers dan allerlei “bekende” Nederlanders die mekaar weer eens dikke veren in de al zo volgeprikte kont steken of Paul de Leeuw die ons uitzinnig schreeuwend en blèrend door de klok van twaalf moet hijsen. 2008: Het jaar van het Kwetsen moet kunnen. Het jaar van Je ding willen doen. Het jaar van Schijt aan iedereen. Het jaar van Weg met ouwe zakken. Het jaar van Ik-eis-respect! Het jaar van Milieu, wat is dat? Het jaar van Patjepeeërs, Tokkies, Bumperklevers en VVD-ers met dikke varkenskoppen die het nog eens extra opnemen voor de autolobby en de bonusregelingen voor topmanagers. Het jaar van nog meer onderwijsvernieuwingen.
Wauwel is een beetje somber dit keer. Het wordt dus tijd voor alvast een eerste oliebol, dat brengt de stemming er alvast wat in.
En misschien wordt het ook wel een jaar van wat meer vrede op aarde, en van wat verdraagzaamheid, van mekaar de ruimte geven,  van wat minder nemen, van eens luisteren naar elkaar en van respect verdienen in plaats van eisen. Misschien smelten de ijskappen wel wat minder hard, misschien blijven we komend jaar kerngezond, misschien slanken we wel af, hoewel vandaag het blijde nieuws in de krant stond dat mannen met een buikje gemiddeld anderhalf jaar langer leven. Als dat geen goed begin is, dan weet ik het ook niet meer. Nòg maar een oliebol dus.
Ik wens alle lezers een gezond en gelukkig ( van het één komt vaak het ander ) 2008. 

De klok van Arnemuiden

“Als de klok van Arnemuiden
Welkom thuis voor ons zal luiden
Wordt de vreugde soms vermengd met droefenis”

Enkele regels uit de bekende smartlap die in 1949 geschreven werd. Daar is Arnemuiden van bekend. Sinds Kerstmis 2007 zal de Klok van Arnemuiden echter ook een herinnering oproepen van “O ja, was daar niet die brand?”
Een schuldige naam voortaan, net zo als kerstavond voortaan een beetje schuldig zal zijn. In die avond waar de geboorte van Jezus wordt herdacht, verdwenen vier kleine kinderen voorgoed van deze aarde, gingen regelrecht naar de hemel, als kleine fonkelende kerststerretjes in een oneindig heelal, in het licht van de vlammen stegen zij daar op en Arnemuiden werd kleiner, kleiner en doofde in het zwarte niets, om plaats te maken voor een licht dat alle vuren en alle branden op de wereld deed verbleken. En die klok die luidt, en die luidt, een machteloze noodkreet in de nacht, een kerstklok die deze nacht wanhoop in plaats van hoop verkondigt.
Zo hoop je dan maar dat het is gegaan. als je gelooft tenminste, en dat doet men wel in Arnemuiden. Wat moet je zonder geloof. Mag je nog enig houvast hebben in deze wereld, die steeds meer bedekt lijkt door rokende sintels van verval, ook als het Kertmis is. Maar ja, misschien is dat wel de zin van Kerstmis: de hoop niet verliezen als je zoekt naar de zin van iets wat geen zin lijkt te hebben.

Vrete op aarde en in de mensen een wellness

 

Ik probeerde daarstraks met de auto de supermarkt te bereiken voor nog een paar vergeten kleinigheden. Reeds van verre zag ik, lang voor de bocht naar het winkelwalhalla, een enorme file en met een kerstmannenmuts getooid winkelpersoneel dat het verkeer stond te regelen. Direkt de eerste de beste zijstraat in dus maar, en daar ergens geparkeerd. Een beetje Nederlander schijnt de auto eigenlijk het liefst in de deuropening van AH te willen parkeren, en als dat niet lukt, dan maar op de invalidenparkeerplaats. Dan strompelen die oudjes met hun rollator maar een stukje verder, ze hebben toch geen geld om uitgebreid kerstboodschappen te kunnen doen, en een bekeuring kost je hooguit één gemarineerde varkenshaas.
Geen karren meer, waar er nog eentje verschijnt wordt de eigenaar nog net niet gemolesteerd en hem het voertuigje uit de handen gerukt. Gelukkig kan ik – eenvoudige van geest- het met een mandje af, en zo hoef ik straks ook mijn karremuntje niet te doneren aan de overvloedig aanwezige vertegenwoordigers van goede kerstdoelen. In de supermarkt zelf lijkt iedereen van plan om de kar zo dicht mogelijk bij zich te houden, en bij de tot  € 5,99 afgepijsde setjes met 4 miniscule gevulde amuseschaaltjes ( ja wie wil er anders nog van die troep ) is het een enorme opstopping. Veel opvoedkundig correcte ouders die ook hun kroost allemaal zo’n klein eigen kinderkarretje meegeven. Daarin past mooi een kistje port. “Niet tegen de benen van die meneer aanduwen, Maud Jan! ” Vooral niet naar de vader kijken, want je hebt zo een ram te pakken.

De Nederlanders geven dit jaar voor zo’n 710 miljoen euro aan kerstboodschappen uit. Het kerstpakket mocht een fiscaal vriendelijk aftrekbare waarde hebben van € 70 . Trends in de pakketten: aquakleuren en warme bruine tinten. De wellness-pakketten doen het goed en ook heel populair zijn de chocoladefontein en het pokerpakket.
Ik ben een beetje misselijk, terwijl ik dit schrijf. Te veel bonbons gegeten – niet echt lekker – uit het warme en bruine tinten-pakket van mijn vrouw. En we hebben nog twee van die dozen staan, en ik had nog kersenbonbons, twee Vienetta-ijstaartjes, een liter slagroom, een paar extra zakken kerstmusketkransjes, een banketstaaf achter de hand. Dat wordt wel door eten dan. Ik voel me nu al niet well.

Gelukkig komt nu mijn vrouw thuis. Zij heeft een poppenvoorstelling gegeven voor het kerstfeest van een grote groep  verstandelijk gehandicapte volwassenenen. Het publiek mocht het kerstverhaal meespelen, verkleed als schaap, hond, koe, herder en zo. Meest begeerd waren natuurlijk de rollen van Jozef ( lang, blond en mager ) en Maria ( een klein vrouwtje van een jaar of twintig met het syndroom van Down ). Maria’s jurk was niet echt op haar formaat berekend, dus die hing als een soort poncho over haar schouders. Met overgave werd het kindje Jezus, een pop, geaaid. Daarna kreeg iedereen limonade met kerstkrans. Ze hadden in ademloze aandacht genoten. “Een echt kerstfeest! En mag ik volgend jaar dan Jozef spelen?” mompelde een grote man het hoofd naar zijn schoenen gericht, stijf tegen mijn vrouw aangedrukt.

Kijk, het bestaat dus toch  nog echt, vrede op aarde en in de mensen een welbehagen. 

Mislukte hond

We hadden even een hond. Dat was iets wat ik mijn hele leven eigenlijk al wilde. Mijn gezinsleden ook, want door het uitlaten van een hond schijn je per jaar vijf kilo af te vallen. Een soort hondenleven dus. Maar goed, via via konden wij even een vijf jaar oude golden retreiver uitproberen – er zijn namelijk ook twee hoogbejaarde katten in huis- , en vrijdagavond was het grote moment daar.  Terwijl wij nog met de patatjes op tafel zaten verschenen daar Willis ( uit privacy-overwegingen heb ik de naam van de hond even aangepast ) en diens baasje.
Willis was een enthousiast typje en wandelde vrolijk kwispelend door de kamer, daarbij direct al een sterke hondenlucht verspreidend. De eerste kerstbal verliet de boom. Hij was eigenlijk ook erg groot, maar allemaal geen probleem, je wilt een hond of niet. Willis had drie speeltjes bij zich: een tennisbal, een koetje en een soort enorm opgezwollen plastic dildo die “piep” zei als je er in beet. Die zouden we als eerste door een onschuldig plastic badeendje vervangen, dacht ik bij mijzelf.
Trui, onze ene kat, had zich op de vensterbank achter het gordijn teruggetrokken om daar grommende en blazende geluiden te produceren, en Thijs, de andere kat, was nergens te zien.
Willis voelde zich meteen thuis, dat scheelde al weer. Na een uurtje vertrok het baasje en waren wij dus de nieuwe baas. Daar zaten wij dan, en even had ik een associatie met het moment waarop mijn allereerste kind als net geboren baby naast mij in bed lag: hoe gaan wij dit allemaal goed brengen? Willis leek de baas niet echt te missen, en was ook niet geïnteresseerd in Thijs, die inmiddels binnen was gekomen en volledig van angstzweet doorweekt met klamme pootjes bij mijn vrouw op schoot zat, de blik star op Willis gevestigd.
Dat was geen veelbelovende start, want het zou van Thijs afhangen of Willis mocht blijven terwijl Willis toch zo lief was. We gaven onszelf tot na de Kerstdagen, dan moesten ze toch wel zo’n beetje gewend zijn.
De eerste wandeling, direct wilde Willis het op een plassen zetten tegen de heg van de overburen. Nu zou ik er geen moeite mee hebben als hij de oprit van onze eigen buren zou hebben vol gepoept, maar de overburen waren van een iets ander slag, die wilde ik nog even ontzien totdat ik me ook aan hùn kinderen zou gaan ergeren. Op naar het platsoentje, waar Willis – gelukkig was het al aardedonker – langs de struikjes een spoor van drollen achterliet waar ik me normaal helemaal wezenloos aan zou hebben geërgerd. Zou ik nu gelijk al met zo’n zakje en schepje in de weer moeten om zo’n warme brei even voordelig in de prullenbak te wippen? Of zou ik wachten tot de volgende morgen vroeg ( ja dan ook al wandelen natuurlijk ) zodat de drollen tot fossiele dinosaurusuitwerpselen waren bevroren en ze dus makkelijker en geurlozer vervoerd konden worden ? Maar even laten liggen, en niet te veel meer aan denken. Lekker aso.
Willis wist gelijk de weg naar huis en sleurde mij de laatste meters bijna door de straat. Binnen moest met de dildo gespeeld worden en de katten waren nog kribbiger dan eerst.
’s Nachts sliep ik slecht. Ik had visioenen van Willis – of Thijs- die dwars door het glas van de serredeur sprong om de ander aan te vliegen. Bij het betreden van de kamer zou ik die morgen vroeg onder de kerstboom onthoofde dierenlijkjes vinden, of zou het nieuwe bankstel volledig ondergepoept zijn, of Willis zou geëlectrocuteerd zijn bij het doorknagen van de kerstboomverlichting, de kat zou op hoogbejaarde leeftijd een hartaanval hebben gekregen, Willis zou in het aquarium zijn gesprongen, dat daarop gebarsten was, zestig liter water over de vloer verspreidend, het parket tot aan het plafond krom getrokken, dat soort dingen. 
Op zaterdagmorgen om kwart voor zeven ’s ochtends liep ik weer  met Willis langs het plantsoen, op zoek naar de drollen, maar die waren blijkbaar door een andere hond opgevreten – er zijn er die dat doen – dus dat viel dan weer mee.

Willis is weer weg. Terug naar zijn baasje. Thijs begint weer voorzichtig wat stapjes door zijn domein te wagen, waar hij veertien jaar onbekommerd en ongestoord rond heeft kunnen wandelen. Ik kon het de katten niet aandoen. Het zou niks geworden zijn. Thijs durfde zelfs niet maar naar beneden, zat alleen maar op zolder. Oudste rechten en zo. Ik heb weer heerlijk geslapen, uitgeslapen. Zometeen maar even met de kat knuffelen en daarna de hondenharen uit de auto zuigen. Een wijze les. Geen hond dus. Geen hondenleven.

Kerstboom 2007

 Het optuigen van de kerstboom is een activiteit die de bijbehorende kerstsfeer aanzienlijk kan verzieken. Ware het vroeger zo, dat je als vader ongeveer het alleenrecht had in de manier waaarop en waarmee het boompje werd vol gehangen, tegenwoordig heb ik te maken met mondige puberdochters.
In oude tijden werd er pas een dag of twee voor Kerstmis een boom in huis gehaald, die dan onder de klanken van stemmige kerstmuziek werd versierd volgens de regels van de familietraditie: bovenin de piek, niet zo’n vreselijk zilverkleurig standaardding maar een ouderwetse, die ook al bij oma op de boom stond: een soort kerstster van ijzerdraad, die elk jaar een beetje verder in staat van ontreddering verkeerde.
Vervolgens de lampjes, 12 stuks, vooral geen knipperdingen of leds, en daaromheen een dotje engelenhaar, uit de tijd dat je nog fatsoenlijk engelenhaar kon kopen. Die lampjes waren elke keer trouwens weer een crime om aan de praat te krijgen. Daar was je zeker twee lp’s Kings College mee bezig.
De ballen: zilverkleurig of rood, van echt glas natuurlijk, en hier en daar een enkele gouden. Vaste prik: het vogeltje op zijn klipje, de dennenappels en de zilveren klokjes, die echt nog als klokjes klonken. Drie peuters keken ademloos toe en mochten elk ook een kerstbal met bevende vingertjes bevestigen. Het hoogtepunt van de versiering bestond uit het ophangen van twee chocolade zonnen, bekleed met goudkleurig zilverpapier, die al zeker dertig jaar doos in-doos uit zijn gegaan. Als dat geen toppunt van zelfbeheersing is: al die jaren je moeten dwingen je niet aan die chocola te vergrijpen, ook al zijn beide zonnetjes inmiddels tot fossiele staat vervallen. De kerstboom bleef dus ook dertig jaar onveranderd.
Nu hebben we echter maar te gehoorzamen aan de trends die de designers van Intratuin en de Cosmo Girl ons voorschrijven. Bij de Intratuin had ik vorig jaar in een vlaag van impulsaankoop oranjekleurige verlichting gekocht, gevat in glazen bollen. Dat moest dus wel in die boom. Dat mocht, op voorwaarde dat de hele versiering dan ook een complete make-over onderging. Zo hebben we dus nu – ruim vòòr kerst – een onder de dreunende klanken van Sky-radio vrijwel geheel door de dochters opgetuigde, voornamelijk oranje-kleurige boom, oranje lichtjes, èn witte ledjes, bronskleurige en oranje ballen en slingers, geheel volgens de laatste trends, een boom waarmee je voor de dag kunt komen, waarbij Jan des Bouvrie wit weg zal trekken. Oma’s piek heeft de stormen des tijds overleefd, die mocht vader zowaar nog bevestigen, en die chocoladezonnen, ja, ze hangen er niet meer in, maar weggooien, dat nooit! Een kwestie van loslaten, denk ik maar.

Kerstnachtdienst

 

De kerstnachtdienst komt er weer aan. Gaan we wel, gaan we niet. Vroeger, in Haarlem, natuurlijk altijd. Op naar de grote St. Bavo. Een lange rij van Haarlemmers, in allen een flink welbehagen. Daar was toen eens een man, een demonstrant, met in zijn handen een groot kruis waaraan een geslacht en gekruisigd konijn hing. Tegen de massaconsumptie. Dat was wel een beetje eng ja, zo’n man. Daar moet je niet je warme kerstgevoelens door laten verknallen. Tenslotte stond je niet voor niets een uur buiten te blauwbekken in de vrieskou daar in die rij, en vervolgens nog eens anderhalf uur binnen kleumen op slechtzittende bankjes. Tot overmaat van ramp klonk daar tijdens de stilte van het gebed ineens een spetterend geklater vlak achter mij op de vloer, en een zurige lucht vertelde mij dat het kerstkonijn bij zeker één kerkganger die avond slecht gevallen was. Veel gestommel en gerammel met emmers. ’t Was een lang gebed. De gedachten niet bij het kindje Jezus in de kribbe ( ik weiger tot in lengte van dagen om “voederbak”te zeggen ), maar bij de vraag of de stukjes konijn ook achter op mijn broekspijpen en schoenen zouden zitten. De rest van de dienst wenste ik vergeefs in een roomse kerk aanwezig te zijn, want daar wordt tenminste nog flink met wierook gewerkt.
Gekruisigd konijn of niet, de Bavo was een traditie. Die sfeer, die galm van het orgel, die lichtjes, het geluid van de Damiaatjes als je door de oude straten in de kerstnacht naar huis liep.
Hier in B, het dorpje op de Veluwe waar ik pleeg te wonen, ligt het allemaal wat gevoeliger. Men is hier niet zo op oude gebouwen, en op sfeer. In sommige kerken is een kerstboom uit den boze, daarin schuilt het oog van de duivel. In die boom dan, hè? In onze kerk staat wel een boom, maar dan een kunstkerstboompje, beetje in een hoekje, alsof het zich geneert. De lichtjes erom heen gesnoerd, net als hier in de buurt bij een conifeer, die nu wat op een kerstrollade lijkt.
De lichten blijven meestal fel branden tijdens de dienst, die nogal modern van snit is. Een collecte voor de onderdrukte Palestijnse gebieden bijvoorbeeld. Met zo’n kerstproject en zo, en bijbehorend projectlied. Niet te zingen meestal, want modern. 
Wel heel oud: het koor. Elk jaar, ergens in juni denk ik, piekert de kerstcommissie zich suf over wat zullen we nu eens voor verrassends met kerst doen. Laten we eens het koor programmeren, dit keer maar op kerstavond in plaats van kerstochtend, en dan volgend jaar weer andersom. Het koor is heel groot, en heel oud. Ik schat dat het zo’n kwartier duurt voordat het laatste – en oudste –  koorlid naar de plaats bestemming is gestrompeld. Vervolgens barst men uit in gezang, onder het scherp oog van de dirigent die op een torenhoog staketsel is geklauterd om de gehele zachtjes heen en weer deinende – of wankelende? – menigte aan te sturen. Soms is er een soort van Engels lied. Doe mij dan toch maar even liever Kings College Choir. Aan het eind van het lied stommelt men weer amechtig hijgend naar de bankjes, en bij het volgende muzikale intermezzo wordt het hele ritueel weer herhaald. Zo komt zo’n kerstnachtdienst wel vol. Volgend jaar zal ik een gospelkoor suggereren. Voor dit jaar zal het voor mij wel de kerstspecial van All You Need Is Love worden. Maar misschien toch ook nog wel een kerstnachtdienst. Hangt er een beetje van af welke dominee. Niet zo’n moderne graag. Misschien toch nog wel naar Haarlem. Stijl en traditie graag.

Voebbal

 

Ik heb het niet zo op voetbal. Alleen al hoe dat woord wordt uitgesproken: “voebbal”. Mijn aversie tegen deze sport, waarbij een groepje heetgebakerede lieden, onder aanmoediging van kreten als “Trappem dood”, of gewoon aapgeluiden, achter een bal aanrent, is er na dit weekend waarin ik de heer Kesler tegen onze wetsdienaren tekeer hoorde gaan,  nog groter door geworden. Gelijk maar verbieden die hap. Alleen nog kinderclubs, tot 12 jaar of zo. Eenmaal op de grote school beland, kan men zich vervolgens overgeven aan kalmerende sporten als dammen, jeux de boules, op de maat van de muziek stokjes in de lucht gooien ( twirling? ), met van die bezempjes voor zo’n schijf op het ijs uit hollen, kaatsen of fierljeweppen. Ooit gehoord van charges te paard om woedende curling-supporters die elkaar met hun bezempjes te lijf wilden in het gareel te houden? Ooit groepen twirlers mekaar de stokjes in de strot zien rammen? Hoogtepunt van supportersrel is misschien het in machteloze woede door elkaar gooien van de damstenen als de nederlaag in zicht is.
Ik hou van sport waar beschaafd applaus weerklinkt vanaf de zijlijn, onder het genot van een kopje thee en een plakje komkommer. Daarna keuvelt men weer een uurtje verder over de aandelenkoersen of de beste beleggingsstrategie in de Aziatische emerging markets. Je mag er natuurlijk niet bij zweten. Basketbal, ook zo iets vreselijks: dat gepluk aan elkaar van zo’n stel hijgerige kerels met van die shirts die al dat okselhaar tonen. En dan dat samen onder de douche, of erger in een bubbelbad, de ene schunnige mop na de andere.  Dat zie ik die dammers toch niet doen. Die gaan gezellig na afloop van de partij met een loep elkaars postzegelverzameling bestuderen.

We zijn dan ook verlost van die sportverslaggers, die allemaal op zo’n op-de-grens-van-een-hysterische-aanval-toon een of andere topvoetballer interviewen die dan zijn oordeel geeft over de afgelopen “match”. “Ja hunnie waren dus toch effe beter en ik zat nie goed in de wedstrijd vnavend”, waarna de uitzending wordt afgesloten met een schetterende en gillende trompetfanfare. Straks de nabeschouwing van een groepje “deskundigen” met slecht gestrikte stropdassen, veel permanent-krullen en brillantine in het haar. Opnieuw veel “hunnies”en “hullies”. Als afsluiting van de avond nog beelden van de competitie in Binnen-Mongolië, waar SC Ulan Bator gelijkspeelde tegen Korloogin Chobailsan. Voebbal, mooie sport joh.
En dan die Kesler. Ooit was er een tv-serie, “Lifeline” geheten, waar een groepje verzetmensen het opnam tegen de nazi’s onder leiding van ene Kessler. Altijd al een hekel aan die naam gehad sindsdien. Dan maakt een s-je meer of minder ook niet uit. Ik ga een bosje bloemen bezorgen bij het dichtstbijzijnde politiebureau. Dat de acties nog maar lang mogen duren.