Bejaard

Onlangs werd de wereld opgeschrikt door het vreselijke bericht dat maar liefst één derde van alle docenten in het MBO-onderwijs binnen tien jaar aan het pensioen toe is. Om het allemaal nog erger te maken, kan ik mijn lezertjes meedelen, dat ik daar ook bij hoor. Zoiets is natuurlijk allemaal heel schriklijk, maar aan de andere kant doet zo’n nieuwtje de fantasie ook rijkelijk op hol slaan. Laat ik daar maar eens aan toegeven:
Het MBO is dus deels bevolkt met bijna achter rollators schommelende en voortschuifelende docenten. Jonkies zijn er niet meer, want die willen wel wat anders dan in zo’n semi-geriatrische instelling te werk gesteld worden. Het aantal hoogbejaarden neemt dus snel toe, en dat komt ook doordat het kabinet ons eigenlijk het liefst tot aan ons negentigste levensjaar zag doorwerken, waarna verplicht vrijwillige euthanasie dient te volgen.  Hoe gaat zoiets voor de klas? ( Ik heb er trouwens al eens een keer aandacht aan besteed, schiet me nu te binnen; nou ja, hou het er maar op dat ik het ook allemaal niet meer zo goed weet, en door herhaling leert men toch het beste, ook al is dat tegenwoordig in het onderwijs not-done ).
Ik zie daar dus een lokaal voor me waarin een bureau staat omgeven door allerlei ziekenhuis-apparatuur: een infuus, hartmonitoren, kabels en slangen, een steek onder de stoel. De senior-docent zelf zit wat scheef onderuitgezakt op een kussentje tegen het doorzitten achter z’n tafel, een beetje kwijl op de mondhoek, wat op gezette tijden door een zuster ( zoiets kan makkelijk op een zorg-opleiding, dan hebben de leerlingen al een groot deel van het docentenkorps om op te oefenen ) wordt weggeveegd. Vóór de leraar is de klas; leerlingen zijn allemaal bezig met zelfwerkzaamheidsopdrachten, met het bepalen van hun persoonlijke leervraag, met het uitwerken van hun pop- en pap-gesprekken die weer een mooi plekje in hun portfolio moeten krijgen. Een vraag stellen aan de docent, dient met het volume van een scheepshoorn te gebeuren. De oren zijn niet zo best meer.
Pauzes duren extra lang, want het duurt even voordat het onderwijzend personeel met behulp van trapliften en rolstoelen de personeelskamer heeft bereikt, om daar, hevig morsend en schuddend, vanuit tuitbekers koffie, thee, pap of andere onderwijsvernieuwingen tot zich te nemen.  Daarna volgt een langdurige stoelgang ( paar keer per dag ) op de verhoogde toiletpot met handgrepen en noodknop die in elk schoolgebouw nadrukkelijk aanwezig zal zijn, het vervangen en schikken van de diverse luiers waarna de hele kudde weer schommelend, rollend en schuifelend en mogelijk nog na-lekkend richting trapliften gaat om weer hoestend, reutelend en gorgelend een les te verzorgen aan een groepje pubers die wel de moeite hebben genomen zich van MSN in de leerwerkruimte los te rukken.
De docent in zijn aangepaste stoel voelt zich niet gemakkelijk. Een functioneringsgesprek met een jonge, aanstormende manager, waar het onderwijs er tegenwoordig zeer velen van heeft, ligt in het verschiet. Dat betekent loskoppelen van alle apparatuur en wankelend naar het kantoor van de meerdere, waar het dossier al weer op tafel ligt: zijn de absenten genoteerd, is het verantwoordingsdocument ingevuld, kloppen de toetsgegevens in de toetskop met die van het examenbureau en de eisen van de onderwijsinspectie, heeft de docent zijn urenregistratie al geregeld en weet de docent wel dat de BAPO  afgewezen kan worden wanneer het schoolbelang vóór gaat?  En hij hoort al zo moeilijk; het hoorapparaat staat op tien en wat slechts doordringt  lijkt op niet meer dan een hinderlijke fluittoon, gelardeerd met mineurklanken. De manager praat en praat, maar het lijkt een gesprek tussen twee doofstommen.
Wel illustratief eigenlijk voor wat zich momenteel afspeelt binnen  -vooral- het MBO-onderwijs: een enorme kloof tussen top en werkvloer, een enorme kloof tussen jong en bejaard, een enorme kloof tussen wat men wil en wat men kan en een afgrond tussen onderwijsvernieuwingen, die steevast als verbeteringen worden gepresenteerd, en de realiteit van wat door bezuinigingen allemaal niet meer mogelijk is.   
Het onderwijs houdt zich moeizaam en wankelend staande met gehoorapparaten, leesbrillen, steunzolen, Tena-luiers, kunstgebitten en rollators. Afbrokkelende en stil wegkwijnende kennis en vaardigheden.
Verpleeghuizen staan qua zorg tegenwoordig in een ongunstig daglicht en lijken steeds meer op dat andere instituut waar we ons ook zorgen maken over onze bewoners, de leerlingen. Er is geen aandacht voor de patiënten, er wordt zwaar bezuinigd op de zorg, en de bestuurders -lees:de onderwijsinspectie- sluiten de gordijnen van hun kantoren om zo maar niet in hun prettige droomwereld gestoord te worden door dementerende en vergrijzende docenten daar ergens in de diepte van het klaslokaal.
 
Ik ga er dus maar uit dat bovenstaande beschrijving niet meer is dan een boze nachtmerrie, een doemscenario wat altijd een beetje wordt aangedikt om zo wat meer jongeren voor de klas te krijgen. Ik huppel dus maar als een jonge hinde door de gangen, laat de schoolfeesten, de muziek, de klasse-uitjes naar de bowling, de gesprekken met leerlingen in de dip maar als een verfrissende lafenis over mij heen komen, en geniet er van, zo lang dat nog kan. Ook al voel ik me soms tachtig, wanneer ik denk aan de stapel correctie met toetsen van 15 kantjes en 9 pagina’s correctievoorschrift die nog op mij wachten.
 
De jonge generatie lezertjes met interesse voor onderwijs wil ik dan ook adviseren om eens een serieuze poging te wagen. Ben je jong en je wilt wat ( en je weet ook nog wat ), kies dan voor de klas. Je blijft er fris en fruitig bij, zeker tot je tachtigste.

Hollywood Hemel

Nou, Elizabeth Taylor is dus dood. Zo gaat dat soms in het leven.  Een mens komt en gaat, ongeacht de hoeveelheid botox die je er in spuit en de meters huid die je omhoog en naar achteren zeult. Gisteravond werd zij nog even op het nieuws getoond, de verleidelijke vamp van weleer die in een rolstoeltje een zaal in werd gereden, met bevroren glimlach, zwart geverfd haar of pruik en beverig wuivend met het handje. Beetje pijnlijk. Er komt een moment dat oudere mannen beter in de markt liggen dan oudere vrouwen. Een vrouw met een oudere man, veertien jaar of zo leeftijdsverschil, niemand die daar een probleem van maakt. Blijkbaar heeft zo’n man een uitstraling die een vrouw op diezelfde leeftijd niet meer heeft. Hoe ouder, hoe mooier, hoe rijper. Beetje grijzend aan de slapen, mja, dan kan heel goed. Heeft een man een veertien jaar oudere partner, zeker als dat een een redelijk beroemd persoon is, dan is hij al gauw op haar centen uit en wordt hij voor gek versleten en de vrouw voor zielig.  Liefde schijnt wel degelijk blind te maken, of misschien ook niet.  

Ik zou dus geen mooie vrouw willen zijn, want elke dag die voorbij gaat, brengt je een stapje meer naar de totale ineenschrompeling toe; ik heb dus toch wel een beetje respect voor die iconen van vergane glorie die er toch nog alles aan doen om in elk geval het masker aan de buitenkant nog een beetje in stand te houden. Geen rustig leven, lijkt me. Het moment waarop je merkt dat er toch wat minder fotografen in de struiken liggen en dat jongeren van je denken: Wie is die mevrouw ook al weer?  Niets is zo vergankelijk als roem, gebaseerd op uiterlijk. Elke dag in de spiegel geconfronteerd te worden met een karikatuur van je zelf.  Straks figureer je alleen nog op verzamelbeurzen, afgebeeld op kauwgomplaatjes. Dat was lang geleden in de mode. Een album vol plaatjes die nog sterk naar kauwgom roken en die artiesten toonden wier namen nu nog slechts een heel vaag belletje  doen rinkelen: Conny Froboess, Peter Krauss,  nooit van gehoord mensen. Ik  bied twee euro, meer niet, voor de hele map.

Een dag vóór het overlijden van Liz stonden in de kranten en op internet berichten en plaatjes over een man die een geheel nieuw gezicht had gekregen. Het waarom werd ook getoond. Een soort hoofd met daarin wat dalen en uitstulpingen op plekken waar eerst mond, ogen en neus hadden gezeten. Dat was dus nu veravangen door een echt ‘gezicht’ , hoewel de eigenaar dat hooguit  kan voelen, want hij was nog steeds blind. Nooit zullen weten hoe je er na de ultieme face-lift uitziet.  Misschien ook wel goed dat je de schrikreacties van degenen die je aanschouwen ook niet kunt zien, want een beeldschoon uiterlijk zal het wel niet geworden zijn.
Wil je wat bereiken, dan moet je dus mooi zijn volgens de huidige standaarden. Die standaard bestaat uit glossy tijdschriften en de wat armoediger varianten in de vorm van de Privé, de Story en de Weekend en uit programma’s als Shownieuws. De beelden tonen foto’s van gruwelijk verbrande zonnebank-koppen, rimpelige decolletés, in foute smokings gesnoerde uitgezakte buiken en kromme beentjes onder een bikini met lubberende kont op een vage foto van een uitstapje op een mondain strand. Kom je dus Liz Taylor in real life tegen, dan mag je niet schrikken, je produceert dezelfde bevroren glimlach als de hare want je vermoedt dat haar ogen nog niet zó zijn aangetast door grauwe staar dat ze je slechts als een vage schaduw uit vroeger tijden aanschouwen.

Boven de dertig is het dus eigenlijk al mis. Voor mijn leerlingen ben ik op mijn zevenenvijfstigste zo ongeveer een hoogbejaard fossiel. Heel rustgevend eigenlijk. Je hoeft geen illusies te koesteren. Ik zorg er wèl voor dat ik niet in een geruit jasje met elleboogstukken en een nietszeggende terlenka broek met door slijtage glimmend achterwerk voor de klas sta.  Tegenwoordig mag het qua kleding allemaal wat jonger, zo kan ik voor mezelf de schijn toch een heel klein beetje ophouden. En er wordt wel degelijk op gelet.”Nou meneer, u draagt altijd een jasje, vanwaar nu ineens een sweater?”   Gelukkig ben ik geen filmster, niet beroemd, je kunt je dus een uitglijder permitteren.

Liz is niet meer. Is nu in de hemel voor Hollywoodsterren, de hemel die nu wel zo’n beetje vol is, want een hemel voor Goede Tijden, Slechte Tijden sterren, voor Popstars-sterren en andere mij volslagen onbekende VIP-types die ineens allemaal over acteertalent blijken te beschikken  en in films meespelen die over een maand al weer vergeten zijn, nee, dat lijkt me wat te veel eer.  Die blijken in de nabeschouwingen ook nog eens allemaal ernstige geschokt te zijn door Liz” verscheiden, hadden haar allemaal als lichtend voorbeeld en noemen haar allemaal een groot actrice die is heengegaan, ondertussen koorstachtig hopend dat dit ingestudeerde interview ook weer de nodige bekendheid in de Story zal opleveren.

Zo’n Hollywood-hemel heeft Liz wel verdiend. Uit haar lijden verlost. Nu echt stralen dan maar.

Merel

Eén van de mooiste geluiden die ik ken is toch wel het zingen van een merel. Het is tien voor zes in de ochtend en al om vijf uur werd ik wakker door het geluid van die vogel die daar in het stikkedonker heeft besloten dat het voorjaar is  -de eerste dag van de lente tenslotte –  en dat daar dus aandacht aan besteed moet worden. Dus ben ik op gestaan en schrijf ik nu dit blog.  De natuur, een merel , inspireert, en heeft dat al duizenden jaren gedaan.

Een zingende merel; je associeert dat altijd met talrijke situaties uit het verleden. Die hebben allemaal met rust te maken, vaak met vroege ochtenden in de duinen bij Bloemendaal, met momenten dat je als kind door koorts geplaagd wakker werd en lag te luisteren naar die merel onder je raam. Met die keer dat je als tiener op de Hoge Duinendaalse weg doolde, je liefste aan je zij en je haar mond kuste in het vroege morgenlicht, de overweldigende geuren van uitbottende populierenknoppen in je neus. Je hele leven nog voor je.
Met die uitzending van de Dodenherdenking op de Waalsdorpervlakte, het moment waarop de trompet het teken gaf voor de twee minuten stilte en de camera uitzoomde op de fakkel en het scheefgezakte kruis.   Je hoorde slechts de wind, het flakkeren van het vuur en daarboven uit, het zingen van een merel. Het herinnert je aan avonden in de vroege zomer waarop je in de tuin een boek leest, een glas wijn op het tafeltje naast je, na een dag hard werken en je toen nog kleine kinderen heen en weer naar school brengen, te eten geven en in bed stoppen.
Ik zie een middeleeuws klooster voor me, waar een monnik in de binnentuin op een zomeravond zit te schrijven aan een boek wat later bewonderd zal worden. Ik zie een Japanse kunstenaar, in alle stilte, slechts bij het geluid van een merel, werkend aan  zijn beroemde golf, die later gruwelijke werkelijkheid zal worden. Een merel is stilte. Is verleden. Verstilde rust.

Het is eigenlijk nooit en nergens meer stil in waar wij leven. Ik heb een buurjongetje wat de onhebbelijke eigenschap heeft om alles wat hij denkt en doet luidkeels op het volume van een scheepshoorn van commentaar te voorzien. Een aardig ventje hoor, maar hij denkt en doet erg veel, ook als hij alleen is, en dat gebeurt dan zestig minuten per uur. Op sommige momenten zou je willen dat je stokdoof was, of dat er in plaats van een merel een of andere nare grote roofvogel in de buurt was, eentje die zoals in enge sprookjesboeken kleine kindjes rooft en meevoert naar een akelig nest hoog in de sombere bergen.  Geluid kan dus soms ook tot de hoogste graad van irritatie leiden, zeker als dat door de buren veroorzaakt wordt.
Ooit had ik ergens buren die ook niet goed tegen stilte konden. Die kregen ’s nachts bezoek van familie in een oude Mercedes die dan weer een uur lang rustig in de straat stond te ronken. Zei je daar dan de volgende morgen wat van, dan was het duizend maal excuses, waarna de volgende nacht het gedonder weer van voren af aan begon.  Was het eens een avond of een nacht stil, dan bleef je nèt zo lang wakker tot de herrie weer begonnen, en haalde je je gelijk tegen je vrouw die op wonderbaarlijke wijze wèl door alle herrie heen kon slapen, en die dan weer kwaad op je werd omdat je haar wakker maakte met je eeuwige geklaag.
Er zijn moorden gepleegd vanwege geluidsoverlast.   Iemand die doof is, leeft volgens mij een stuk minder gestressed. Het is tenslotte bewezen dat blootstelling aan geluid een ernstig negatieve invloed heeft op je gezondheid. Toch zou ik, allergisch als ik ben voor storend geluid, niet doof willen wezen. Het lijkt me vreselijk. Geluid is herinnering, bij elk geluid heb je beelden. Bij prettig geluid dan. Beelden, geuren, klanken vormen dan de volmaakte omgeving. Bijna altijd zijn dat natuurgeluiden.
Soms is het ook het totaal ontbreken van geluid. Vorig voorjaar stond ik een keer heel vroeg op na een nacht in de open lucht in de woestijn van Wadi Rum, Jordanië. Nergens heb ik zulke absolute stilte meegemaakt als daar. Het enige wat je hoorde, was het ruisen van je bloed in je aderen. Die stilte daar, die heerste daar al eeuwen. Een stilte als in het luchtledige in het heelal. Het had ook wel iets van een andere buitenaardse wereld, zó onwerkelijk als het was.
Die merel hier, die zingt nog steeds. Terwijl in de verte het geraas van de A30 klinkt, in de buurt een vrachtwagenmotor brullend tot leven komt met het geluid als van een dreigend naderende tank, blijft die vogel doorzingen. De beelden en de herrie van de oorlog in Lybië, de beelden en de afgrijselijke herrie van de tsunami in Japan: op beide zag ik vogels vliegen. Opgeschrikt, hun gezang onderbroken, op zoek naar een plek om straks weer rust te geven door het zingen bij zonsopgang. Dat zingen gaat alle eeuwen door, een rustpunt in de hectiek en de waanzin die soms over je heen lijkt te komen.

Zo’n merel die onwetend van tsunami’s en oorlogen blijft zingen, zonder zelf eigenlijk te weten waarom. Zinloos zou je haast zeggen. Toch niet. Het is een golf van rust, herinnering. Laat je meevoeren. Elk voorjaar weer.

[youtube]http://www.youtube.com/watch?v=1RF6N4zFp2Q[/youtube]

Jaaaaa! Sex!!!!

Het is soms fascinerend hoe vaak er  door mensen die op  dit blog terechtkomen werd gezocht op onderwerpen die iets met sex te maken hebben. Sex sells, en wie met zijn website of weblog veel bezoekers wil trekken, moet daar dus de nodige doses sex in verwerken.  Er is al op de meest vreemdsoortige begrippen en woorden gezocht. “Piemel” stond lange tijd bovenaan, en je kunt je ernstig afvragen in wat voor geestelijke gesteldheid iemand moet hebben verkeerd om dit woord in Google op te zoeken.
Blijkbaar denken velen dat Wauwel een viezig mannetje is wat veel vieze verhalen en plaatjes produceert. Die piemel die zal hier dus wel ergens op dit blog rondslingeren. Zelf ga ik dat niet opzoeken, want daardoor zouden de ongunstige statistieken alleen nog maar meer worden opgekrikt.

Even tussendoor: dit blogje is gelijk een test, en in de loop van de week volgt een update.  U merkt het  vanzelf wanneer u keurig netjes door leest.

Het is een gegeven. Wanneer het over sex gaat, is iedereen ineens gelijk geïnteresseerd. In een klas met hysterisch lawaaiierige pubers, die maar niet stil wilden worden, brulde ik een keer nog nèt iets lawaaiieriger boven hen uit : “SEX!!!”…. Iedereen was gelijk op slag stil, en je had de aandacht die je wenste. Nu zal een en ander niet meer werken in een borduurklasje met niet meer tot stilte te brengen geriatrische patiënten; het heeft tenslotte ook iets met hormonen te maken.  Ook als ze onderbewust zijn.
Ik was eens in Nemo, amsterdam. U weet wel, waar je allerlei proefjes moest doen. Eén van die proefnemingen bestond uit een schermpje waar je naar moest kijken. Daarnaast was op de tafel een lus bevestigd, waar je het topje van je vinger in moest steken. Vervolgens werd een willekeurige serie beelden vertoond, en daarbij werd de emotie die je bij het aanschouwen van de plaatjes toonde, nauwkeurig via je vinger geregistreerd. Cool als je bent, probeer je zo emotieloos de serie af te zien, want een beetje moderne man mag zijn emoties niet tonen. En al helemaal niet laten merken dat een sexueel getint plaatje méér jouw belangstelling trekt dan een afbeelding van een drol met een vlaggetje erop.  Er kwam van alles langs. Een bollenveld, een schip, een huilend kind, een ontploffend iets, en ja hoor, een bevallige jonge dame in bikini, die weer werd gevolgd door een foto van een rollator of zoiets.  Zonder met de ogen te knipperen aanschouwde ik de hele serie, en vond mezelf uiterst beheerst en wel opgevoed. Ik wist bovendien dat mijn gade mij nauwlettend observeerde, die had de test al voor mij gedaan. Je wilt tenslotte geen ouwe viezerik lijken.

De uitslag: met stip bovenaan, en enorme uitzwaaier in de grafiek, natuurlijk de bevallige jonge dame in bikini. Daar gáát je stalen masker van onbewogenheid. Onbarmhartig werd ik neergesabeld als gluurder nummer zoveel. Vrouwen schijnen iets nuchterder te zijn, die reageerden ook wel meer dan normaal, maar dáár was het huilende kind toch nummer één. Mannen staan dus toch nog een beetje lager op de evolutieladder dan vrouwen, denken toch iets meer met hun ding en wat minder met hun hersenen. Een man schijnt iets makkelijker een auto te kopen wanneer daar een kronkelend wulps typje op ligt, en een kirrende verpleegster krijgt een man eerder zo ver zich pijnlijk te laten prikken dan een of andere boertige broeder met zwart behaarde handen.

Viezige ventjes eigenlijk, die mannen. als het maar over sex gaat, zijn ze geïnteresseerd. Dit blogje gaat dus, alleen al vanwege de titel meer hits trekken dan normaal. Ik heb er ook over getwitterd, ik verwacht dus dat in elk geval al mijn mannelijke twitteraars direct dit blogje zullen lezen. De vrouwen zullen mogelijk denken “Bah, daar heb je hem weer!”, en dit blogje over slaan. Die vrouwen zijn natuurlijk niet geïnteresseerd in dit plaatje, wat ik hier uit oogpunt van mogelijk aanstootgevende afbeeldingen slechts als linkje zal publiceren.

Binnenkort meer over dit onderwerp, in de komende update van dit blog.

BN-er voor één avond (misschien)

Wauwel maakt zich op voor een reis van het platteland ( dorpje B. op de Veluwe ) naar de grote stad, Amsterdam nog wel, en – nog schokkender – het hart van Amsterdam, in de Balie. Zoiets zal voor veel trouwe lezers stuitend overkomen, dus een nadere toelichting is wel op zijn plaats.  Want wat moet Wauwel in zo’n schriklijk oord waar geld, drank en lekkere wijven voor veel boeren, burgers en buitenlui de dienst uit lijken te maken? In Amsterdam wonen enge mensen, daar zijn buitenlanders, je wordt er beroofd, geslagen en verkracht, en dat zijn dingen die bij mij op het plaatelaân natuurlijk nog niet voorkomen. Alleen al het kopen van een treinkaartje naar Sodom en Gomorra  ( ze doen hier nog niet aan OV en zo ) is al een gevaarlijke onderneming, waarbij je je pincode goed moet afdekken.

Wel, ik ding mee naar de Blogparel van het Jaar 2010, en dat is een prijs die volgens het oordeel van een deskundige jury ( hoe meer aangeschoten hoe beter ) wordt uitgereikt aan de persoon die het afgelopen jaar het aardigste stukje heeft geschreven in een reeks van genomineerde bijdragen. De uitslag staat al vast, dus dit geslijm zal niet meer helpen, maar voor de desbetreffende bloggers is het nog onzeker wie wint en onder wat voor liederlijke omstandigheden de prijsuitreiking zal plaats vinden.

Een en ander vindt namelijk plaats gelijktijdig met het Boekenbal. Het Bloggersbal beoogt de onaantastbare positie van dit fenomeen over te nemen sinds het schrijven van een boek wel zóóó 2010 is geworden. De grote schrijvers: Wolkers, Van het Reve en Mulisch zijn niet meer, en sinds elke zichzelf respecterende amateur die nèt iets meer opleiding heeft genoten dan het taalvaardigheidsniveau de Pedagogische Academie  zijn of haar zieleroerselen aan het internet kan toe vertrouwen is het dus nu tijd voor een Bloggersbal. Gala mag, en wie daar geen passende boerenkiel voor heeft mag zich ook hullen in een masker van Harry Mulisch, zodat diens geest nog enige uren kan ronddolen. Toch: een soort omgekeerd Elfstedentocht-festijn verwacht ik: BlogBal voor de Amsterdammers en de zich daartoe rekenende incrowd, en mensen van buut’n niet gewenst.

Ik ben dus ook zo’n amateur, en ik pretendeer dat niveau ook niet verder te ontstijgen, want ook bloggen schijnt al weer uit de gratie te zijn. Bovendien, ik ben geblockt door @BertBrussen, nou dan kun je het met je verdere leven en kansen op succes wel schudden, zeker wanneer je zoals ik al halverwege de geriatrische afdeling bent en voorzichtig rondkijkt naar een hippe rollator met ingebouwde po-stoel.
We twitteren nu: korter, sneller, de volledige werken van Tolstoi of de Bijbel in 140 tekens.  Voorlopig zullen de bloggers dus even mogen ruiken aan een glimp van roem, hoe vluchtig ook. De jury heeft bepaald wie die eer te beurt zal vallen: een avond een beetje BN-er in de Balie, waar bepaalde lieden verwachten zich te kunnen overgieten met kwistig rondgestrooide champagne.
Bloggers 2011: een schaars, uitstervend en gemêleerd gezelschap, wat achterin verscholen en rond lummelend in een rokerig zaaltje, een aangeschoten pianist die nog wat droefgeestige jazz produceert, omgevallen glazen, een gescheurde cocktail-jurk , een loshangende vlinderdas, een jury die zich lallend en wankelend naar het échte Boekenbal begeeft. Een enkeling neemt met dubbelslaande tong plaats achter de microfoon en poogt nog een bijdrage te declameren, maar dondert halverwege van het podium, de pianist mèt de slecht gestemde vleugel in zijn val meeslepend.

Maar ook de schrijvers op het archaïsche Boekenbal zijn allemaal eens begonnen met hun eerste stukje. En wat moet je met die roem? Vóór je het weet wordt er in RTL Boulevard gemeld dat je blij bent met de laatste botox-injecties in je door erectie-stoornissen geplaagde pik, of word je op de gevoelige plaat vastgelegd tijdens een intiem uitje met een blonde deerne die je er gedurende steelse momenten op na blijkt te houden. Vóór je het weet moet je lintjes doorknippen in het nieuwe winkelcentrum van Nieuw Amsterdam in de voormalige veenkoloniën. Vóór je het weet dans je een polonaise in Koffietijd en vóór je het weet presenteer je nog een actualiteitenprogramma met diepte-interviews op SBS6, en vóór je het weet ligt je eerste werkje bij de Slegte en word je gevraagd om een nèt zo nietszeggend boekenweekgeschenk als het huidige te schrijven.

Alle aanwezigen, op twee na – de winnaar van de publieksprijs en de winnaar van de juryprijs – gaan morgennacht weer naar huis zonder prijs en mogelijk een gefrustreerde met drank overgoten toekomst tegemoet. Dat heeft echter twee belangrijke voordelen: je kunt lekker ongedwongen blijven schrijven zoals je altijd al deed, en je vaste schare volgers blijft je ook wel trouw, zodat je niet aan al te hoge verwachtingen van hen die jou verkoren hebben hoeft te voldoen. Bovendien hoef je ook niet te vaak naar de enge grote stad, zoals in mijn geval.

Bloggen is gewoon leuk. Je vertelt wat vanuit je expertise, of je fantaseert er een eind op los, bijvoorbeeld over hoe je denkt dat een bloggersbal zal verlopen, en laat je daarbij vooral niet tegenhouden door wat voor negatieve uitspraken over je vaardigheid – “bloggen is dood”-  dan ook. Morgenavond dus maar helemaal los. En bijtijds naar huis in dorpje B. naar de Veluwe, want de laatste trein gaat al weer als het feest pas echt begint.

Dali, tsunami

De volharding der herinnering

Een dag kan soms wat anders verlopen dan je bij het opstaan verwacht. Direct eigenlijk al: de tv toont eerst beelden van een adembenemende kilometerslange witte deken van schuim die in een kaarsrechte streep onverbiddelijk op land in de verte afrolt.  Je hebt eigenlijk geen idee van grote en afstand, het zou Zandvoort aan Zee kunnen zijn of het zuidstrand van Texel.  Dan beelden van een gitzwarte berg modder en puin die legoblokjes en strootjes met zich meevoert over keurig gestreepte akkers; een rijtje auto’s op een nabij gelegen weg blijft weerspannig staan, mogelijk onbewust van het naderende onheil, terwijl de helikopterbemanning met de camera machteloos moet toekijken. Wanneer  de beelden later op de dag nog vele tientallen malen herhaald worden, zie je dingen die je in je verbijstering de eerste keer niet opvielen:  uit de achterste auto stappen enkele zwarte stipjes, die rennen voor hun leven om nèt voor het einde van het shot door de kolkende massa ingehaald te worden.
Beelden van een klein geel rondje, waarbinnen een hond radeloos over een dijk heen en weer rent, naar links, afgesneden door het water weer naar rechts, om tenslotte te verdijnen in een donderende massa schuim.  Geluiden hoor je er niet bij, behalve dat van de helikopter.

Vandaag dan nieuwe scènes mèt geluid:  onwaarschijnlijk gekraak en geknars zoals alleen in de hel zou kunnen klinken begeleiden huizen die als snoeppapiertjes ineen gefrommeld worden. Mensen zie je eigenlijk niet. Alles lijkt uitgestorven, of het slechts een knap gemaakte shot uit de requisietenafdeling van een filmstudio is. Daarna, wanneer het water tot rust is gekomen, een apocalyptisch schouwspel van verwoesting als in het schilderij van Dali, waar de tijd langzaam uiteen vloeit en tot stilstand lijkt te komen op het moment dat de ramp zich voltrok: “De volharding der herinnering”

Gisteravond laat, bij het weggaan na een bezoek in Utrecht kreeg mijn vrouw ineens hevige pijn op de borst, uitstralend naar de arm. Praten was moeilijk, ademhalen deed zeer, en aangezien ik bij dit soort gebeurtenissen ogenblikkelijk terug val op het meest zwarte scenario, werd de route spoorslags verlegd naar het UMC, het dichtstbijzijnde ziekenhuis.  Zeven kilometers die eindeloos in de tijd leken te duren en dan deed de spoedeisende hulp van dit hospitaal er ook nog alles aan om zo moeilijk bereikbaar te zijn als maar mogelijk is. Busbanen, fietspaden en wegen met éénrichtingverkeer werden tegen alle regels in genomen, en uiteindelijk bleek in een uithoek van het terrein de bestemming dan toch te bestaan. Iets met het hart, het zekere voor het onzekere, verder onderzoek nodig, longfoto’s, thorax, hartfilmpjes en high care-opname.  Gaat u maar rustig naar huis, maar wel graag uw telefoonnummer even achterlaten. Slachtoffer van een aardbeving, slachtoffer van een tsunami aan gevoelens en emoties waar je niet tegen op kunt rennen. Allerlei rampscenario’s – hoe betrekkelijk is eigenlijk het woord  ”ramp”? – passeerden mijn geest, en de rit alleen naar huis was een surrealistische reis door een zwarte tunnel, waar zo nu en dan kolonnes voertuigen van wegwerkers met oranje zwaailichen en verblindende lampen die indruk van naderend onheil nog verhevigden. Grijpers die naar je toezwaaiden en weer verdwenen, brullende machines die flitsend aan het asfalt knaagden, en dan weer hele stukken duisternis waaruit je nieuwe opduikende monsters zou verwachten.

Om half drie dan het bed, en voorstellingen dat je daar mogelijk de rest van je leven in je eentje zou moeten doorbrengen, wachtend op het moment dat wanneer je eindelijk de slaap zou vatten, de telefoon zou gaan. De slaap die maar niet kwam, en die tegen zevenen dan toch nog uitmondde in een korte droom van een wandeling door een bos, dennegeuren en zandpaden in het vroege morgenlicht van een mooie dag in maart.

Dat telefoontje is trouwens wel gekomen, maar dan anders: “Haal me maar weer op, het is onschuldig”.

Er zijn momenten dat je de tijd stil zou willen zetten, terugdraaien zelfs. Er zijn ook momenten dat je de tijd zou willen overslaan of snel doorspoelen naar andere tijden. Herinneringen wis je niet uit, ze volharden in je geest, buigen zich om je heen; ze voeren je mee in een tsunami door de tijd, naderbij stromend en weer wegebbend.
13-3-11: Even nog een kleine update ( er waren wat ongeruste volgers ): Er is niets aan de hand hoor. Een onschuldige ontsteking van een spieraanhechting bij een rib veroorzaakte dit soort enge klachten. Zo, nu is iedereen weer op de hoogte. 😉

Ode aan de spruitjes

O spruitjes, groene kogels van de lust,
u wekelijks op mijn bordje is een absolute must.
Laat mijn geest toch laven aan uw groenig aangezicht,
sterk geurend in het kalme spaarlamplicht.

Ik zou nog wel een tijdje door kunnen gaan met een lofzang op deze begeerlijke knolletjes, door mijn kinderen in het algemeen zeer gehaat, en door velen met hen verguisd. Maar ja, mijn dochters zijn steeds meer uitwonend en sinds ook de jongste voor een aantal maanden naar Australië is afgereisd, kan de beer hier los. Kinderen zijn, hoe vooruitstrevend ook, wanneer het om eten gaat nogal van de vastigheid en regelmaat, en hebben een sterke voorkeur voor bepaalde soorten groenten en een enorme afkeer van een nog groter aantal groenten. Spruitjes – “Strontkogels”-  horen daar meestal bij.

Waarom vind de ene mens spruitjes lekker en gruwt de andere er van? Voor zover ik weet is er nog geen toonaangevend wetenschappelijk onderzoek geweest naar deze vraag: waarom verschillen smaken toch zo op etensgebied? Nu ben ik zelf ook nogal een kieskeurig typje, en zo’n peperduur bordje haute cuisine met wat sprietjes en een kwakje saus over een paar onbestemde brokjes, nee. Dan maar liever boerenkool met worst of zuurkool met zo’n lillend stuk vier-uur-gesudderd zuurkoolspek. Althans, het vlezige gedeelte daarvan; die witte dril die er ook bijgeleverd wordt, daar halen zelfs onze katten nog hun neus voor op.  Veel mensen lijken wel een beetje op katten: nèt zo kieskeurig en eenkennig als het om eten gaat.  Alleen maar brokjes van merk A.
Vis, ook zoiets. Ik lust heel veel verschillende soorten eten, maar gekookte vis, nee. Er moet iets te bijten en te knagen zijn. Maar wel netjes. Laatst had ik met een innemende collega een diepgaande discussie over het consumeren van kippepootjes en van die oertijdbotten met stukken vlees er aan. Ik doe dat dus alleen maar met vork en mes. Gebakken vis en forel en dat soort dingen? Doe mij eigenlijk maar vissticks; geen geklungel  met graten  die je keel doorboren. Romantisch dineren zal voor mijn tafelgenoot dus een hele opgave zijn, wanneer je onder het geluid van een gevoelig spelende violist moet kijken naar iemand die bij kaarslicht en flonkerende rode wijn zijn Iglo vissticks naar binnen zit te schransen.

Ooit had ik eens een diner ter gelegenheid van een vijftig-jarig huwelijk of zo. Daarvoor was een etablissement uitgekozen wat typerend voor dat soort gelegenheden is. Nu gesloopt trouwens, restaurant Het Bolwerk in Haarlem.  Biefstuk stond op het menu, en geen klein stuk ook. Ik ben niet zo”n biefstukmens, want dat moet rood van binnen en zo en dan schijn je het opgewekt en blij weg te moeten kauwen, zo’n bloederige homp. Dat ging dus niet lukken toen. Tien minuten zitten kauwen en kokken op een veel te groot stuk ( je wilt er snel van afwezen ) en dat vervolgens in een servet wegwerken waar nóg drie stukken zijn voorgegaan. Je komt wat tegen als ober.

Mijn vader was iemand van een goed stuk vlees, waar een randje vet aan moest zitten. Hele zondagmiddagen heb ik doorgebracht aan tafel, de rest van het gezin al lang vertrokken naar de voorkamer bij Meester G.B.J. Hilterman, maar kindje Wauwel moest nèt zo lang blijven zitten tot alle vlees – “Het beste van het beste!” – was opgegeten. In mijn geval betekende dat stukje bij beetje verdwijnen in de broekzak, zodat je met je hand begraven in een soort kil rottend lijkje eindelijk kon wegvluchten naar het toilet om daar de boel weg te werken. Ik neem het ze trouwens niet kwalijk, anders had ik ook nooit dit stukje kunnen schrijven. Zo had ik ook als kind te lijden onder stoofpeertjes, gekookte lof met heel veel paneermeel en bindmiddel, en als één van de ergste dingen lauwe zelf gekookte griesmeel of custardpudding met zo’n vel er op wat ‘knap’ zegt wanneer je er met je lepel door heen prikt.

Kinderen nu lijden volgens mij veel minder, ouders ook trouwens. Je rukt iets uit de magnetron, je vriest iets in wat ze wel lekker vinden en vlees met zeentjes bestaat niet meer of is vervangen door een snack in de vorm van een teddybeer.  En nu ze het huis uit gaan komen hier weer de meest gruwelijke maar lekkere maaltijden op tafel. Op de meeste rare tijdstippen en plekken bovendien. Gedaan met orde en regelmaat, de vrijheid lacht ons toe. Spruitjes met kaassaus of op Indiase wijze bereid met kardamon, kerrie en kaneel, lof met ham en kaas.

Alleen nog die stoofperen…. nee, dan rest er voor mij de pizzaboer.