
Een mens kan tegenwoordig nauwelijks meer ouderwets griezelen. Bang zijn kan wèl, te vaak zelfs. Doodsangsten kan iemand uitstaan; maar griezelen, nee, dat is niet meer van deze tijd. We weten alles al, we kunnen alles verklaren, we vinden het antwoord op Google, en als we verdwaald zijn hebben we GPS op ons mobieltje. Overal is bereik, de donkerste bossen worden gereduceerd tot een klein verlicht schermpje waaruit een zachte vrouwenstem ons de weg toespreekt.
Griezelen lijkt enkel nog voorbehouden aan kinderen, en dan ook nog in afnemende mate. Wauwel mocht daarin vanavond een bijdrage leveren in de vorm van een spook tijdens een spooktocht. De combinatieklas van de basisschool waar mijn vrouw werkt, is drie dagen op schoolkamp in de bossen bij Otterlo. Tien (!) kindertjes, van groep zes, zeven en acht. Een dorspsschooltje, maar wel een heel bijzondere, want dit zijn soms kinderen die angsten hebben meegemaakt waar een volwassene in zijn ergste nachtmerrie nog niet aan toe komt.
Het kampgebouwtje is een omgebouwde veeschuur, met hufterproof meubilairvan het soort wat je op grote rommelmarkten gratis mee mag nemen. Zwakke, kille lampjes aan het plafond, en ouderwetse ijzeren bedden in zaaltjes die door de openstaande ramen een waar paradijs voor muggen vormen; het kan echter zijn dat deze levende have bij binnenkomst dood neervalt door de verpestende stank van zweetsokken.
De tien kinderen weten enorm veel lawaai te produceren; een argeloze passant zou hun aantal op vijftig schatten. De zenuwen voor de op handen zijnde spooktocht spelen ernstig mee. Wauwel begeeft zich met zijn spookattributen, vergezeld door enkele ouderspoken, in het werkelijk aardedonkere bos. De spoken installeren zich, halen zich de benen en nek open aan scherpe takken, en na enige tijd daalt de rust opnieuw in het struweel neer. Hier en daar schijnt heel vaag een lichtje.
Wauwel heeft zijn spookbenodigdheden strategisch geïnstalleerd: een lang stuk elastiek, één eind aan een boom aan de overkant van het pad gebonden. Zelf zit ik aan de andere kant tussen de struiken, en hou het andere eind vast, waaraan ik enkele plastic zakken heb gebonden. Op het moment dat de eerste huiverige groepjes langslopen, zal het elastiek losschieten en zullen de witte zakken rakelings en ritselend voor hun voeten langs bolderen.
Ik wacht. Het is doodstil nu, tussen de takken zie ik myriaden sterren, die een stadskind nog nooit gezien heeft en ook nooit zal zien zolang het niet tussen de woonblokken vandaan komt. Zulke kinderen bestaan. Nooit in een bos geweest, nooit echt in het donker geweest.
Het bos ruikt sterk, een vochtige aarde-lucht, met een vleugje paddestoel. Het is zwoel. Ik zou languit op de bedauwde bladeren willen gaan liggen, de kevertjes en herfstdraden over je huid voelen lispelen. Hoe ik ook probeer, ik word niet bang, er is niets griezeligs. Scharrelde er maar iets groots en gruwelijks door de duisternis op mij af, een sterke muskusgeur verspreidend. Was er maar een gesticht voor levensgevaarlijke boeven naast het terrein gelegen. Vloog er maar een duistere schaduw voor de maan langs. Trok er maar een grondmist op die alle bomen op verkrampte gedaantes met knoestige armen en gezichten deed lijken.
Als kind riep ik vaak ’s nachts om mijn ouders: “Mama, gaat de stoel niet bewegen?” Wekenlang ging ik angstig slapen, omdat ik – het is echt waar – pal voor mijn gezicht in een grote opening in het behang een reusachtig, kronkelend en gelig glimmend weerwolfachtig wezen had zien kronkelen, na het voorlezen door mijn moeder van een verhaaltje van Annie M.G.Schmidt.
Er knapt een tak. Eindelijk! Zou het dan toch? Maar nee, een medespook gaat verzitten, het wachten duurt lang.Verderop in het zwart klinkt nu rumoer: de eerste groep heeft zijn eerste spook ontmoet. Gekrijs en gegil, zenuwachtig gelach. Daar komt mijn clubje aan, ze zijn inderdaad nauwelijks te onderscheiden. Nu voel ik toch die ouderwetse spanning van het bijna betrapt worden, dat heerlijke gevoel wat je had toen je als kind, als indiaan, in de struiken de cowboys langs je hoorde lopen, in het schemerige plantsoen. Je moest je bedwingen om niet schreeuwend overeind te springen, en je hoopte dat de avond, die zo heerlijk eindeloos leek te duren, nog lang niet voorbij was. Als je om negen uur naar je bed moest.
Een kind van nu beleeft, als het pech heeft, zijn avonturen binnen, aan de beeldbuis gekluisterd, tot elf uur ’s avonds. “Genieten” van de avonturen van bekende Nederlanders of hippe stellen, die omringd door camera’s, iets griezeligs moeten doen op een zogenaamd onbewoond eiland.
Daar is de volgende groep, ik hoor mijn vrouw die een smartelijk huilend kind aan haar been geklemd weet. De juf als laatste houvast in de griezelwereld. Zo’n meisje wat een half uur geleden nog het hoogste woord voerde; hoe camoufleer je je angst- door stoer te doen. Een marteltocht is het voor haar. Zo snel mogelijk terug morgen, naar de stad en de televisie, weg van het bos. Ik laat het elastiek toch maar weer schieten. Hysterische uithalen zijn het gevolg.
Als we terug zijn, bij de limonade, de knakworstjes en het brood, is alle leed geleden. Ze voeren allemaal het hoogste woord, ogen op steeltjes, te groezelig om met een tang aan te pakken. Boswezentjes haast. Morgen is het weer voorbij, dan fietsen ze naar huis, vol met sterke verhalen. En dan gauw de tv op Jetix en de computer aan. Met chips op de bank.
Hopelijk denken ze er later aan terug, aan die momenten van heerlijke angst, van griezelen om een plastic zak aan een elastiek. Later, als je geen kind meer mag zijn, want dat is niet stoer.

Heerlijk geschreven.
Ik kan me nog heel goed herinneren dat ik zelf door zo’n bos liep, een touw volgend en met een blinddoek om. En hoewel het eigenlijk helemaal niet zo eng was, flink gillen als er iemand van het groepje schrok. HAHA. Gelukkig heb ik vorig jaar als leiding bij een jongeren kamp ook meegemaakt hoe het is om aan de andere kant te staan.