Vroeger – een jaar of vier geleden – hadden wij naast ons een rustig echtpaar van onze leeftijd wonen, met twee rustige kinderen, die qua gedrag ook van onze leeftijd waren. Tegenover ons – aan de voorkant – woonde een bedachtzaam type met pijp, een leraar op een LTS ( ik noem het maar even zo, dan weten we wat ik bedoel ). De tuin naast ons bestond uit een hoog begroeide, zorgvuldig onderhouden wildernis, met een overvloed aan kruiden, bloeiende struiken en bomen. Tegenover ons, aan de voorkant, ook hoge bomen, met een grote kolonie kwetterende mussen en broedende merels. Achter ons weilanden met een keur aan weidevogels. Naast ons kwam een jong stel, met kleine peuters, baby op komst. Aan de overzijde idem dito. Aan de achterzijde dreigen bouwplannen voor twee reusachtige kerken ( ja, Barneveld hè?) voor 2500 en 3500 bezoekers. De buren naast ons gingen voortvarend te werk. Met woest geweld – een voorbode – werd het struweel verwijderd tot op de centimeter langs de rand van de eigen grond. Daarna: grasplaggen, vooral veel tegels en een kolossale trampoline, die tweederde van de tuin in beslag lijkt te nemen. Of er ook een speelhuisje gebouwd mocht worden. Mijn vrouw stemt argeloos toe. We zijn nu in het voorjaar, het vier meter hoge speelhuisje is vrijwel voltooid, en naast mij klinkt gedurende ongeveer 24 uur per dag – onderbroken door korte pauzes vanwege aardappelen met sju- , een duivelend gekrijs. Het speelhuisje heeft inmiddels de proporties van de Python in de Efteling, en de bezoekersaantallen zijn dienovereenkomstig, want zo’n trampoline en een speelhuisje waar je een gehele Luchtmobiele Brigade met goed fatsoen van kunt abseilen doen het in de steeds kinderrijker worden buurt natuurlijk goed. Van boven de boom uit kijken enkele kinderhoofden op mij neer, en andere hoofden verschijnen in een constante regelmaat kort boven de schutting uit begeleid door het bonken van de trampoline. Er wordt niet gesproken, maar geschreeuwd met het volume van dokwerkers. Af en toe poogt één der ouders met zachte, aarzelende stem een vermaning uit te spreken, die in het oraal geweld natuurlijk volkomen verloren gaat. Er zijn schat ik zo’n zestig kinderen in de buurtuin actief. Eén tuin verder is nu ook een trampoline gebouwd, waar diep in de duisternis nog volwassenen op en neer pogen te stuiteren. In de tuin tegenover mijn huis wordt op dit moment een grote dennenboom, de ‘mussenboom’ met nesten en al gekapt… De buurman overweegt nieuwe speeltoestellen. Ik overweeg een nieuw IJzeren Gordijn in te richten. Ik droom van wachttorens, zoeklichten, prikkeldraad, hondsdolle pitbulls met aids, een gracht, schildwachten. En vooral een heel hoge muur, een meter of acht. Die kindertjes gaan geheid groter worden. Ik verwacht dan in de tuin een stevige skatebaan, een hangplek en een disco voor de buurt. Ook een hoekje om aan de brommers te sleutelen zal het leuk doen, een methadonbusje, een afwerkplek, je fantaseert er wat op los. Gelukkig gaat het morgen regenen. Ik hoop ernstig op een nieuwe ijstijd.
