Ik geef een toets. Iets met computeren. Voor mij in het lokaal zeven doorgeschoten pubers, een klasje met speciale zorg. Vroeger zou de helft in het speciaal onderwijs zijn beland. De overigen zijn in de twee jaar die hun opleiding duurt afgevallen. Nu heb ik ze voor het laatst. Wat sommetjes in Excel, waar ze nu al een uur mee aan het ploeteren zijn.
Er zijn drie gabbermeisjes: paardenstaart, bomberjacks aan, shirt met teksten als “Hard Core Terror Corps”. Alle drie turen ze slechtziend naar het beeldscherm, want ja, een bril dat is voor kneuzen en softies. Zou een teveel aan XTC-pillen het zicht aantasten? Eén meisje heeft ondanks de buitentemperatuur een veel te diep decolletée, dat gelukkig grotendeels aan het oog wordt ontrokken door een enorme tatouage, iets van een arend of zo, ik durf niet goed te kijken. Zij loopt bij de dokter voor allerlei onderzoeken die een normaal mens de haren ten berge zouden doen rijzen. “Ja allemaal verklevingen of zo.”
Er is één jongen, we zullen hem Stanley noemen. Een lange, zwarte, zachtaardige slungel. Op zijn MP3-speler draait hij gospelmuziek. Zijn onafscheidelijke vriend, een knaap van een jaar of achttien, die altijd op een Nintendo-spelcomputertje speelt, is er niet. Waarschijnlijk vergeten dat er toets is. Allemaal een grote mond, stoer gedrag, onverschillig naar buiten. En allemaal een heel klein kinderhartje. Straks over een paar maanden zijn ze klaar, hebben ze, ook op dit meest eenvoudige niveau, een diploma. Ze gaan de maatschappij in, die hen zal opslokken of uitspugen, in elk geval zonder daar ook maar iets van te merken. Konden ze nog maar lang op school blijven, lekker tutten, af en toe een toetsje doen…..
