Het is deze week toetsweek bij mij op school. Gisteravond om een uur of half tien telefoon: “Meneer, wat moeten we eigenlijk leren voor de toets?”. En of ik nog maar even snel alle stof kon uitleggen. “Ach, weet je wat, leer eigenlijk maar het hele boek”. Ja, wat moet je.
Voordat een toets begint moet je tegenwoordig zeggen dat ze de petjes af moeten zetten, toch maar liever niet de tafels tegen elkaar aan geschoven moeten laten, dat de mp3-spelers uitgezet èn opgeborgen moeten worden, dat de mobieltjes echt helemaal uitgeschakeld moeten zijn dus ook niet op stille modus mogen, dat de mobieltjes ìn de tas moeten en dat de tas bij de deur moet blijven staan. Dat als het ècht belangrijk is, dat ze dan wel naar de school bellen en dat er dan wel iemand jou komt waarschuwen. Dat de geheugens van de rekenmachines gewist moeten worden, dat ze geen rekenmachine van een ander mogen lenen omdat ze zelf de rekenmachine vergeten zijn, en dat ze de mijne ook niet mogen lenen omdat ik het nog steeds zonder kan.
Na een kwartier zal de eerste klaar zijn, of eigenlijk al na enkele minuten, want vergeten te leren of zo. Je kunt tenslotte herkansen, en gisteravond was het ook te druk om te mog iets aan school te gaan doen. Beter “America’s next topmodel” kijken.
“Meneer, wat betekent ‘siteren’ of zoiets”.
“Dan schrijf je bijvoorbeeld letterlijk op wat iemand zegt, meisje.”
Zo gaat de toets verder. Enkelen schrijven als bezetenen. De pen als een kolenschop in de vuist geklemd; dat wordt straks weer een hele ontcijfer-test. Anderen kijken om zich heen of spelen met het dopje van het flesje water. Het lijkt wel of iedereen tegenwoordig een flesje water bij zich moet hebben om de hele dag uit te lebberen. Weer anderen proberen enorm af te kijken, de ogen draaien zó ver opzij dat je haast alleen maar wit ziet.
“Niet te veel afkijken, want anders rollen je ogen uit je hoofd, en dan moet je weer onder de tafel gaan zoeken, dat gaat lastig zonder ogen en dan gaat een ander er weer met z’n lompe voeten op staan en dan hoor je ”Splet!’ en dat is ook zo’n gedoe!”
Zulke dingen moet je natuurlijk niet tijdens een toets zeggen en het duurt een paar minuten voordat iedereen klaar is met daarop reageren en de rust weer enigszins weer keert. Maar goed, een stuk of zeven toetsten van de week. Gemiddeld cijfer zal een zesje worden, schat ik.
Weer weekend (november 10 )
Het is weer weekend dus weer tijd voor wat ontspanning: ik heb hier al vaker dingen van hem gepost, maar nu maakt hij ook animatie-filmpjes. Ik spreek over de Engelsman Cyriak, die werkelijk spectaculaire dingen doet met foto’s ( vind ik dan ). Het resultaat is absurdistisch, bevreemdend, fascinerend en soms ook gruwelijk. Hier het filmpje op YouTube.
[youtube]http://nl.youtube.com/watch?v=f9iIgQN5uZE[/youtube]
Directeur

Er is een nieuwe directeur bij ons op school. Dat is natuurlijk altijd spannend. Misschien leest hij dit ook al mee. Misschien.
Ons eerbiedwaardige onderwijs-instituut had een bar, roergangerloos jaar achter de rug. Natuurlijk was er wel verhoogde dijkbewaking in de vorm van een adjunct-directeur, maar toch, je mist de ouwe, die als een rots in de branding, de in laarzen gehulde zuilen van benen in het brugdek geplant, de pijp stevig in de mond geklemd, met doorweekte baard en verweerde kop, scherpe blik onder de klapperende zuidwester, de naderende stormvloed in de gaten houdt. Die scheldt en tiert en het volk het want in jaagt waar dat nodig is. Kielhalen! Volle kracht vooruit, en rammen , die geit.
Afgelopen week ontlaadde alle opgekropte spanning met de komst van de nieuwe leider, de grote roerganger. Zijn postuur heeft hij mee. Je schat hem persoonlijk in staat om die ijsberg waar de Titanic op stuk liep met een achteloos gebaar terzijde te schuiven. Hij ziét hem niet eens. Dichte deuren? Daar doet hij niet aan. Hij loopt er gewoon dwars doorheen. Soort Schwarzenegger ook, lijkt me. Rookt waarschijnlijk echter geen sigaren, maar vreet ze gewoon op, misschien wel brandend en al. I’ll be back.
Dat wordt dus allemaal oppassen misschien. Een kwartier voor de aanvang der lessen in het lokaal aanwezig. Zijn denken zou hoekig en nors kunnen zijn, om met Bint te spreken ( voor de moderne student:”Bint” is de titel van een boek van Bordewijk, een bekende Nederlandse schrijver. Misschien vind je nog ergens een uittrekseltje ).
Voortaan maar weer netjes de absenten noteren, en er vooral voor zorgen, dat het blaadje op tijd in het vakje van de administratie ligt. Verder: geen bekertje koffie meer mee naar de lokalen. Wat het natuurlijk ook heel goed doet bij het management: op vrijdagmiddag half zes even achteloos langs het kantoortje van de directeur lopen, en dan even hurken om je schoenveter vast te maken, of een stapel proefwerken laten vallen, die je in het weekend na wil kijken ( zogenaamd dan ). Zoiets doet het goed. Als hij je ziet, tenminste, anders heb je daar voor niks op vrijdagmiddag de hele tijd lopen treuzelen en vervelen. En waar ik trouwens wel een voorstander van ben: een stropdas om. Zo lijk je ook een beetje op de directeur, de enige hier tot dusver die een das draagt. Eindelijk, nu mag ik ook eens. Ik verheug me al op maandag. Kan ik mijn nieuwe Hugo Boss-kostuum eens aan, wat ik al een aantal maanden voor deze gelegenheid werkeloos in de kast heb hangen. Dan zie ik er ook net zo netjes uit. Weg met die sloddervos-collega’s. Weg die versleten spijkerbroeken, weg die t-shirts met opdruk en weg met die afgetrapte gympen. Zootje ongeregeld. Zo’n borstzak met van die goedkope op de onderwijsbeurs bijeen gegraaide balpennen: ’t is niet te geloven gewoon.
En gelijk de leerlingen ook maar allemaal weer in uniform. Iets met grijs en donkergrijs of zo. Haar knippen, fris wassen. Mobieltjes? Die stampen we gewoon plat bij het eerste de beste piepje.
Er gaat een frisse wind waaien. Dijkbewaking! Het water komt! Superstorm. Eindelijk.
Engelse wals op bergschoenen
Al weer enige weken volg ik braaf met mijn gade de danslessen bij een dansschool hier in het dorpje B. Mijn aanvankelijke scepsis heeft inmiddels plaats gemaakt voor waar genoegen, dus zo wandelen wij elke week laat op de avond richting dansinstituut, dat gelegen is in een somber en verlaten ogend industriewijkje. Nu was ik de afgelopen keer een beetje laat. ’t Was mijn BAPO-dag, dan loop je er toch al niet op je voordeligst bij; normaliter wil je bijvoorbeeld middels een spetterend gekleurd oranje jasje of zo de nodige jeugdige indruk op je leerlingen maken, maar op zo’n vrije dag slof je dus met uitgezakte buik een beetje rond het huis en je geeft de geraniums maar weer eens water. En dat alles natuurlijk in een makkelijk passend gebeuren, en daartoe reken ik ook een paar stevige bergwandelschoenen, die mij toch erg makkelijk zitten.
Bij het betreden van de danszaal – ik had gelukkig wel mijn oranje colbertje weer aan – ontdekte ik mijn vergissing. De eerste danspassen deden vermoeden dat de vloer was ingesmeerd met lijm, en zo zwierde ik dan de zaal rond waarbij de buitenstaander de indruk had dat ik persoonlijk de Drentse heide met mijn schoenen aan het afplaggen was.
Een dodelijk vermoeiende bezigheid, zo’n wals op bergschoenen en voor de partner op redelijke stiletto-hakken een ernstige en bovendien bedreigende situatie. Ook aan het scherpe oog van de steeds slanker lijkende dansjuf was mijn schoeisel niet ontgaan, hetgeen me op een kritische beschouwing kwam te staan. Ik gaf haar nog in overweging een vrolijk Tiroler Alpendeuntje op te zetten, om daar vervolgens een Beierse horlepiep op te kunnen dansen – men moet toch wat daar op die steile berghellingen – maar een dergelijk minder fijnbesnaard deuntje zat niet in het bestand. Dat werd dus de rest van de avond peentjes zweten, in bovendien erg warme sportsokken, en uitgeput strompelde ik na afloop naar huis.
Er zitten ook nogal wat boeren hier op de dansles. Zij stijgen daardoor nog verder in mijn achting. Die kunnen zich denk met moeite één avond in de week aan de klei of gier ontworstelen en komen dan derwaarts, maar geen klompendans op de les hoor. Ik heb daar al visioenen van. Ik zou er met mijn bergschoenen trouwens niet voor onder hoeven te doen: “Gooi nu uw partner met een ferme zwaai door de lucht, en vang haar lichtvoetig huppelend een paar meter verder weer op!” Met mijn bergschoenen heeft dat wel een voordeel: je wordt niet zo snel door rondvliegende klompen getroffen.
Maar het walsvierkantje zit er inmiddels aardig in. Ook in de dansvloer, denk ik. Volgende keer maar eens open sandalen proberen, van die buine achteruitloopschoenen. Is wel een stuk luchtiger.
Zwijn
Ik woon zo’n beetje op de Veluwe en daar heerst een zwijnenplaag, zegt men. Elke ochtend kijk ik dus vol verwachting uit mijn raam in de hoop dat een fikse kudde mijn grasveld heeft omgeploegd, maar het enige wat ik zie is de kat die naar binnen wil en in de verte wordt de horizon tegenwoordig verpest door ambitieuze bouwsels, die nu niet direkt ronddolend bosgedierte doen vermoeden. De zwijnen houden de gemoederen hier ernstig bezig. Hadden wij hier jaren geleden Sneeuwvlokje, een albino-zwijntje wat net als ijsbeertje Knud de harten van velen veroverde, daarna scheen er een dolgeworden poema rond te waren en zich verdacht in mijn achtertuin op te houden en nu dan dit weer. Nietsontziende evers overvallen argeloze kampeerterreinen, botsen tegen automobilisten op en spitten volkstuintjes en boerenakkers om ver. Wij gaan duidelijk terug naar de natuur en naar de oertijd. Straks nog wat wolven erbij en de echte ouderwetse wintergedachte is weer compleet.
Men beraadslaagt hevig over hoe de beestjes te decimeren. Ik stel een leger-excercitie voor. Men wil inkrimpen, waarom dan niet het spul even degenlijk inzetten: gewoon een stel F16’s en dan met napalm die bossen bombarderen. Niks drukjacht, dat is voor mietjes. Iedereen gebraden zwijn in het kerstpakket, want dat zit er ook weer aan te komen.
Kinderlijk
Hoe komt het toch dat vrouwen nooit meer met Barbies spelen als zij eenmaal volwassen zijn en dat mannen op die leeftijd vrolijk door gaan met hun treintjes, soldaatjes en vliegtuigen? Zaterdag was ik -en met mij vele mannen- op het Flightsimulator weekend in het Aviodrome bij Lelystad. Reeds buiten lange rijen, en allemaal met de zelfde opgewonden blik in hun ogen van “straks krijg ik de cadeautjes”. Een blik die je ook bij kleine kinderen vlak voor Sinterklaas aantreft. Tout Europa was aanwezig en zelfs van daarbuiten kwamen nog blijde mannen acte de presence geven.
Wie ooit wel eens de grootste computerbeurs van Nederland ( de HCC-dagen ) heeft bezocht zal het beeld herkennen. In de jaarbeurs zag je dan bij de telefoons naast de ingang hele rije mannen, allemaal met enorme stapels dozen naaast zich, en allemaal met een opgewekt en blij gezicht hun vrouw aan het voorbereiden op weer een nieuwe en uiterst noodzakelijke aanschaf. Straks zo snel mogelijk naar huis, snel dat mens even wat zoenen en voor de vorm even wat in de huishouding helpen en dan als een haas naar boven om het nieuwe speelgoed uit te proberen. En als het even kan het weekend geen visite want dat komt dan wel heel slecht uit. Vader is weer in zijn element. Het blijven echter wel mannen. Toen daar eens , midden in die enorme afgeladen hal , een groepje schaars geklede dames optrad ( “Centerfold” ) stroomden alle stands leeg richting optreden, en was het verder heel rustig winkelen.
Wel, in het Aviodrome waren tal van hobbyisten-clubs aanwezig die zich temidden van een enorme wirwar aan draden en computer-apparatuur verlustigden aan het naspelen van vliegen met een Jumbo. Velen hadden een namaak vliegtuigstuur opgesteld, droegen allemaal koptelefoons met microfoontjes en spraken elkaar in steenkolen Engels allerlei opdrachten toe: “Cabin-crew prepare for take off!”, en daarna was het even niet storen want de start vergde alle aandacht. Zo vlooog men de hele virtuele wereld over, gezeten in een plastic stapelstoeltje. Wie over wat meer geld beschikte had uit triplex een complete cockpit nagebouwd met veel lichtjes en intstrumenten en wie miljonair was of genoeg over had van de afkoopsom om de vrouw het huis uit te krijgen kon voor 86000 euro een echte mini-flightsimulator aanschaffen, een bewegend ei op hydraulische pootjes voor in de huiskamer.
Maar ja, het kan altijd nog erger. Ik herinner mij eens een uitzending op televisie waarin een keurige ambtenaar zodra hij thuiskwam alle meubilair aan de kant schoof, om vervolgens, voornamelijk gezeten op de vloer, met allerlei zelfgemaakte popjes en vlaggetjes en andere attributen de volledige Olympische spelen na te bootsen, inclusief het afspelen van alle volksliederen, waarbij hij plechtig in de houding bleef staan ( “Als ik van een land geen volkslied kan vinden dan neem ik het volkslied van een land uit de buurt”). Zijn vrouw zag alles welwillend aan en bracht geregeld een kopje koffie :”Ja voor het zelfde geld zit hij elke avond in de kroeg!”. Overdag zat de beste man weer gewoon op kantoor.
Ik heb dus ook zo’n namaakstuur gekocht. Het vliegt fantastisch. Net echt! Nu nog wachten tot mijn vrouw koffie komt brengen. Maar dan kan ik lang wachten….en gelijk heeft ze.
Toch een mooie dag
Gister, gewoon tijdens de les, je maakt een praatje met een leerling hier en een praatje met een leerling daar.
“Hoe gaat het nu met je?”
“Nou iedereen staat op instorten. Mijn moeder heeft borstkanker en we gaan er bijna allemaal aan onderdoor, maar het gaat nu wel vooruit”.
En dan volgt de rest van het verhaal. Van angst en wanhoop, maar gelukkig zicht op verbetering. En toch, zoiets hakt er in, en je neemt je voor die leerling goed in de gaten te houden en je zegt “Bel me maar als je het niet meer trekt, je kunt altijd bellen”. Een schrale troost.
En nog geen vijf minuten later een andere leerling: tranen springen te voorschijn. En in de rust van een spreekkamer komt daar een gruwelijk verhaal op tafel en je krijgt zin om een potje mee te janken met de nu in een hoopje ellende veranderde, net nog zo stoere en coole puber, die hartvertscheurend zit te snikken om een klein broertje van tien, dat van de ene op de andere dag uit huis is geplaatst, dat blind gaat worden, dat autistisch is, dat nog een hele hoop andere andere kwalen had en dat door zijn gedrag het hele gezin terroriseerde en het iedereen erg moeilijk maakte om nog van hem te houden, terwijl men dat toch zo graag wilde. Zo triest, zo triest.
Je zou zo’n leerling in huis willen nemen en de kans en de mogelijkheid willen geven weer eens een tijdje onbezorgd puber te kunnen zijn. Een tijdje rustig vaarwater. Dat gaat natuurlijk niet. Dus geef je troost zo goed en zo kwaad als het kan.
En als je thuis komt, dan is het toch een mooie dag geweest, want je hebt ze misschien niet altijd iets geleerd, maar je hebt wel wat kunnen betekenen.
