Wauwel in Zuid-Afrika

Het is winter, en in de late namiddag zit ik in de laatste stralen van de ondergaande zon op de veranda onder en paar enorme koortsbomen. Ik ben in Zuid-Afrika, in de Ezulwini Game Lodge. Om ons heen is wildernis, boven ons roepen exotische vogels en een paar honderd meter verderop grazen zebra’s en plukken giraffes als voorwereldlijke mastodonten blaadjes van de acacia’s op de savanne.Een andere wereld, eentje waaraan je later, zittend op de veranda van het verzorgingstehuis, gekluisterd aan je stoel of luier, met weemoed zult terug denken. De laatste stralen van de zon die door de takken en bladeren door je gesloten oogleden schijnen, zijn als laatste flakkerende herinneringen aan de tijden van weleer, een zoete nasmaak van toen.
In Zuid-Afrika kun je wel oud worden, een land waar ik eerst niets mee had en waarbij ik de reis in een opwelling geboekt had omdat Indonesië al volgeboekt was. Velen zijn mij voorgegaan, en gebleven, door de eeuwen heen. In Pretoria bezochten wij het Voortrekkersmonument, en daar voel je dan toch iets van gêne wanneer je kijkt naar de slachtpartijen die de blanke kolonist daar onder de inheemse bevolking heeft aangericht, vereeuwigd langs de muren van het verder vrij lelijke gebouw. “Moet nie op die bankie staan nie”, wordt ons geadviseerd middels opschriften op de muur. “Dogtertjes het graag met vliesgesigpoppies gespeel”, zo lezen we bij een vitrine met kinderpopjes. Boerendochtertjes, die na een grote trek vol ontberingen besloten daar een gezin groot te brengen, en het genomen land niet meer af te geven: niet aan de Engelsen, niet aan de Nederlanders of Duitsers, en al helemaal niet meer aan de ‘Zwartmensen’, zoals de inheemse bevolking door de blanke zuid-Afrikanen die ik sprak, wordt genoemd.

Je komt in een andere wereld: anders al door het tegenovergestelde seizoen. Hartje winter, veel kale bomen in een bruin en dor landschap, en toch overdag redelijk zomerse temperaturen in de aanloop naar een vroeg invallende koude nacht. Je hebt een paar dagen nodig om daaraan te wennen, ik merkte dat vorig jaar zomer ook in Australië. Een ruimtereiziger gestrand op een andere planeet, die sterk lijkt op de eigen, maar toch met een ondefinieerbaar andere atmosfeer.  De vliegreis bracht ons al over allerlei brandhaarden. Beneden ons de kust van Libië, met brandhaarden als Misrata en Tripoli, en lager, na eindeloze kilometers of barre zongeblakerde zand- en rotsvlaktes in de invallende duisternis de oerwouden van Congo en Rwanda, en plaatsen met namen die herinnerden aan de afschuwelijke slachtpartijen tussen Hutu’s en Tutsi’s. In de duisternis vlamde een enorme bosbrand , een oranje kilometerslange hel van vlammen in inktzwarte omgeving. En dan Johannesburg, na ruim 10 uur vliegen.  Wanneer je niet in de luxe verkeert om businessclass te rijzen, is vliegen eigenlijk een vorm van middeleeuws transport, zeker wanneer je een lengte van 1,94 ergens zo voordelig mogelijk in moet proppen. En toch blijft het fascinerend, en zou ik de rest van mijn werkzame leven vliegend en reizend en daarover schrijvend kunnen besteden.
Johannesburg was koud; het had enkele dagen daarvoor in de heuvels nog gesneeuwd, zo vertelde een kruier mij tijdens het wachten op onze bus. Daar troffen we ook de andere groepsleden; het is altijd afwachten wat voor soort mensen dat zijn. Nu waren we niet in Marbella, dus dat levert vanzelf geen hooggeblondeerd, van tattoo’s en kitscherig goud voorziene kettingrokende en zuipende types op. Een grote touringcar voor een groep van 17 personen, inclusief reisleidster en chauffeur Louis. Die spraken een soort vernederlandst Zuid-Afrikaans, wat het ergste deed vermoeden, maar wat heel snel wende.

Rijden  in een luxe oase op wielen, langs een enorme krottenwijk, langs “Mandela-huussies”, langs een wereld waar het gist en pruttelt onder het deksel dat nu nog enigszins op zijn plaats wordt gehouden door de frêle vader des vaderlands, die enkele dagen daarvoor nog zijn verjaardag had gevierd. Op die verjaardag doet elke Zuidafrikaan gedurende 67 minuten iets zinnigs voor het land: van plantsoenen schoffelen, een afgebladderd verkeersbord schilderen tot sponsoracties voor een schooltje in een township.
Schooltjes zie je overal in het gele landschap. althans, je ziet schoolkinderen, als door een ringetje te halen in een keurig schooluniform, die kilometers langs snelwegen, provinciale wegen, landwegen en zandpaden lopen, in alle vroegte op weg naar school of schoolbus. ergens in the middle of nowhere. Langs die wegen ook veel kraampjes,  met koopwaar varierend van een paar pakjes sigaretten of een stapeltje bananen, tot kleurig gerangschikte trossen en bergen fruit. Ook kraampjes midden in de stad, in stille buitenwijken, de nood om geld binnen te halen lijkt hoog.
Langs die weg een ongeluk, waar tientallen auto’s zijn gestopt en waarvan de inzittenden nu in allerijl hun auto’s tot aan de berstuurdersstoelen volproppen met een lading afgevallen mango’s. “Koop nooit langs die weg,” roept de chauffeur in het Zuidafrikaans, “alles wat ie daar koop is gestool”. Het legt de enorme kloof en het enorme dilemma van Zuid-Afrika bloot. Blank tegen zwart, nog steeds, en meer. Hij was jarenlang treindienstleider, leidde ook jongeren op tot machinist. Met de komst van het ANC kon hij kiezen: overplaatsen naar een uithoek, of je biezen pakken. Dat overkwam ook onze reisleidster, die een goede baan had bij de televisie, die documentaires maakte en met groten der aarde in contact stond: ophoepelen. Dat overkomt ook de twee Duitse eigenaren van een schitterend in de bush gelegen lodge waar we overnachtten: binnenkort zullen jullie hier waarschijnlijk moeten vertrekken, wij nemen het over.
Je ziet het aan de straatnaamborden. Er gaat een andere onrustige wind waaien.

Wilhelmina is uit, Florence Ribeiro is in. Op zich niks mis mee en begrijpelijk ook, maar ik denk dat de prioriteiten beter bij andere, werkelijke problemen hadden kunnen liggen.
Die lodges, dat is het andere Zuid-Afrika. De wereld van Richard Attenborough, de wereld van het Kruger Wildpark, waar je meent de Big Five gespot te hebben, totdat je in alle vroegte ontdekt dat de meest gevaarlijke, number six, namelijk de voorzitter van je college van bestuur, op een meter achter je staat. It’s a small world. Mijn eerste – boosaardige – gedachte was natuurlijk: “Die is op betaalde studiereis om het onderwijssysteem in de wildparken van Zuidafrika te bestuderen”. Het zegt iets over mijn verdorven karakter. Dat is natuurlijk onzin, en het is frappant -en leuk! – hoe je elke keer weer bekenden ontmoet, in welke uithoek van de wereld je je ook bevindt. Tijdens een overhaaste evacuatie voor een reusachtige bosbrand in Zuid-Frankrijk, kwam ik in een met noodbedjes en hulpgoederen afgeladen sporthal een leerling tegen, op een afgelegen Noors eilandje een studiegenoot, en buren uit de straat op een klein bootje in de Egeïsche zee.

Terug naar de buffels, de giraffes en de leeuwen. Eten en gegeten worden, en je best doen om die hinderlijke gedachte dat je ergens in safaripark de Beekse Bergen rond rijdt, te onderdrukken.  De eindeloze savanne, de enorme kuddes trekkende buffels, de leeuwen en jakhalzen die in een hinderlaag liggen, de gieren cirkelend in de lucht; het is niet te bevatten, het kan haast niet echt zijn. De stekende kou ’s ochtends vroeg, waar je dik ingepakt met een deken over je knieën in de ochtendschemer op een jeep het park binnen rijdt, en de trillende lucht op het heetst van de dag boven een door leeuwen gewonde buffel, die geveld is  en blatend op z’n einde wacht.
’s Nachts, onder de overweldigende sterrenhemel op de veranda van de lodge, hoor je ze in de verte brullen, de leeuwen, ergens in het stikkedonker, in de nacht waar verscheurende dieren rondsluipen en elkaar naar het leven staan. Rondom om jou heen, en nee, dit is geen Beekse Bergen meer.

We komen aan de grens met Swaziland, waar 70% van de bevolking onder de armoedegrens leeft, waar Koning Mswati III met zijn vele vrouwen – hij mag er elk jaar weer een nieuwe bij kiezen – in weelde leeft, en waar in het schamele wc-gebouwtje bij de douane een enorme doos gratis condooms voor de bezoekers klaar staat. Swaziland kent het hoogste aantal hiv-besmettingen ter wereld, maar dat is iets waar je geen toeristen mee trekt. De gemiddelde levensverwachting is hier nog geen 48 jaar. En daar zit je dan, in de volgende luxueuze lodge, en je wandelt met een razend dure camera om je nek over een stoffig landweggetje honderd meter verderop, en je probeert een gesprekje aan te knopen met wat kinderen uit de omliggende dorpjes, die wel met een Engelstalig schoolboek onder de arm naar huis lopen, maar die nauwelijks Engels spreken of verstaan. Naar huis, dat is een eenvoudig hutje, veelal nog van leem, ter grootte van een tuinschuurtje, met er om heen wat kippen en een geit. Een stapel hout zorgt voor de verwarming en de grondmist van houtrook die je overal in heel Zuid-Afrika ’s ochtends en ’s avonds ziet en vooral ruikt. De geur van houtrook en verbrand loof, dat is Zuid-Afrika.  Het is ook de luxe en het mondaine leven aan het strand van Durban: disco, Hilton Hotel, clubben en chillen in een lounge-tent aan de Indische Oceaan, waar we een eindje verderop staan te kijken naar een groepje vissers die zich in het zweet zwoegen om een net met wat armetierige vissen aan land te zeulen, waarbij ze ondertussen afgeblafd worden door hun baas die werkelijk geen hand uit de mouwen steekt. Die baas is een Indiër, een van de velen die het in Durban goed voor elkaar heeft en die door de oorspronkelijke bewoners met een scheef ogen worden aangekeken. Nóg een ingrediënt in die borrelende en bijna overkokende pan.

De laatste dagen brengen we door in een resort in de Drakensbergen, een soort vreselijk Centerparcs, waar verveelde rijke Indiërs met hun volgeladen SUV’s komen aanrijden om een weekendje met rondhangen en naar ghettoblasters luisteren door te brengen.  Alsof we alvast weer worden voorbereid op het leven in onze westerse wereld. Een soort decompressiekamer waar je na een lange duik in een fascinerende onderwaterwereld weer moet acclimatiseren.
Nog even Zuid-Afrika dan: met een afgesplitst reisgezelschap van vier personen richting Johannesburg, richting vliegveld, honderd kilometer over een weg die al twee jaar voor de helft opengebroken ligt, waar al twee jaar niets meer mee gebeurt. Onze chauffeur blijkt het grootste deel van zijn leven diplomaat te zijn geweest, ambassadeur in Paraguay, consul in de VS en Italië. Nu rijdt hij, een bijna uit zijn voegen barstende zestiger, ruim na zijn pensioen, toeristen rond. Hoe het vroeger toch wel alles beter was, wèl vol bewondering voor Nelson Mandela maar bezorgd over de toekomst.
We zijn te vroeg voor het vliegveld. Of we nog naar Soweto willen. De reisorganisatie wil ons daar liever niet hebben, hoewel zowel reisleidster als chauffeur al jaren roepen dat het daar een stuk veiliger is geworden, net als Johannesburg zelf, waar we ook al angstvallig vandaan werden gehouden.  Ik voorzie angstige toeristen, opgesloten in een busje, belaagd door woedende hordes met kapmessen, een voortijdig einde van Wauwel met een brandende autoband om de nek, maar ik ben altijd al een enorme bangbroek geweest en gelukkig heb ik dan een vrouw die in roekeloosheid precies het tegenovergestelde van mij is.
En zo rijden we in de ondergaande zon langs wat het grootste ziekenhuis van heel Afrika heet te zijn, in het hart van Soweto: in weekends en op salaris-uitbetaaldag vertoont de afdeling spoedeisende hulp overeenkomst met een slagveld in oorlogstijd, zo horen wij. Schot- en steekwonden aan de lopende band. Toch kun je als toerist tegenwoordig heel goed Soweto bezoeken, als je maar bepaalde plekken vermijdt. Je kunt zelfs georganiseerde trips per fiets doen. Een eindeloze stad gebouwd van eenvoudige huisjes, die allemaal als kleine vestingen ogen met hun muren en hekken van prikkeldraad en glasscherven; wie in Zuid-Afrika een huis bezit, omringt zich met een soort mini-Berlijnse muur, of je nou arm bent of rijk. Het eenvoudige huisje van Nelson Mandela in het armoedige straatje van toen is nu een soort relikwie onder een glazen stolp, een museum temidden van terrasjes met prijzige comsumpties en souvenirwinkeltjes. We komen bij de Regina Mundi kerk, een sjofel bouwwerk dat diende als veilige haven en bolwerk van actievoerders tegen de apartheid na het bloedbad in 1976, waarbij de politie tussen de 36 en 500 betogers doodschoot. Dat verschil in getallen geeft de enorme kloof aan, die ook nu nog steeds door de bevolking loopt.  Bij de ingang is een soort bewaking, de deur wordt van het slot gedaan. Er heerst een groot rumoer, en wordt gezongen door een groot koor en daarvoor een roepende, springende en dansende menigte kerkgangers, allen op hun paasbest.
En dan ervaar ik daar die zelfde sensatie als in de beroemde scène uit The Blues Brothers, waarin Jake door een goddelijk licht gegrepen wordt en in een serie spectaculaire salto’s naar voren danst. Mijn camera met kostbare vakantiefoto’s om mijn nek voorkomt dat ik de reis alsnog met rug- en ander ongewis letsel moet afhaken.

Dit is het dus: de ziel van Zuid-Afrika. Je hoorde het in het volkslied, waarvan de hartverscheurend prachtige melodie door merg en been ging  toen we door een zingende en dansende groep personeelsleden in een lodge bij een wildpark begroet werden. Een lied van hoop en wanhoop. Je ziet het in Soweto, je ziet het in de Regina Mundi-kerk. Hoe gaat dit eindigen?
Voor mij eindigde de reis met een laatste blik uit het vliegtuig op de vele verdwijnende lichtjes  van Johannesburg met zijn uitgestrekte townships, in het duister van de nacht. Hoger en hoger, kleiner en kleiner. Ik wil terug.

 [youtube]http://www.youtube.com/watch?v=_mKku1_RRqs[/youtube]

 

Wauwel in New York

Als moderne en vooruitstrevende vader, die graag reist, gek is op gadgets en ook nog aan imago-building bij de jongste dochter wil doen, laat je een gepaste beloning voor een behaald diploma natuurlijk niet achterwege. Nu ben ik ook dol op tradities, en aangezien ik met mijn middelste dochter een tripje naar New York had gemaakt als beloning voor háár behaalde diploma, kon een herhaling niet uitblijven.

De portemonnee maar eens flink getrokken dus, en dat mocht ook wel, want alles was sinds een jaar of 6 geleden ongeveer twee keer zo duur geworden. Niet meer rechtstreeks vliegen dus, maar nu zo voordelig mogelijk, en dus met TAP, de Portugese luchtvaartmaatschappij, om 3 uur ’s nachts op Schiphol inchecken en dan eerst richting Lissabon om daar 4 uur te wachten op de overstap. Het eerste deel werd met een kleine Airbus 319 afgelegd, en dat is iets voor slangenmensen en andere acrobaten. Ook vliegvelden lijken zich er over de hele wereld in te specialiseren zo ongemakkelijk mogelijke stoelen voor de wachtenden te plaatsen, wanneer je tenminste niet tot de verheven klasse van zakenreizigers behoort, want die worden werkelijk overal krankzinnig in de watten gelegd. We stapten over in een groter toestel, waar ik een plek met wat meer beenruimte had weten te regelen. Tijdens het opstijgen klonk dof gebonk en geruis van vloeistof achter de wand voor ons, wat het ergste deed vrezen, en even later raakte de vloer onder mij – en ook mijn sokken – geheel doorweekt. De stewardess wist mij in een soort onverstaanbaar Engels duidelijk te maken dat er niets aan de hand was en dat ik maar wat extra dekens- die ook spoedig doorweekt waren –  op die plek moest leggen. Of er een ernstig incontinente reiziger werd vervoerd. Gelukkig bleek de vloeistof niet uit het toilet te lopen, maar uit de keuken achter het paneel. Een begeleidend schrijven bij de verstrekte maaltijd beweerde dat deze keuken voedsel van hoogstaande culinaire kwaliteit verschafte, maar de grijze pulpachtige substantie in het bakje deed meer een soort papier-maché vermoeden, en ook de smaak werkte daar ijverig aan mee. Gelukkig lagen er ook nog wat hompjes deeg, pakjes boter en een schaaltje groenig iets op het dienblad. Wie moet leven op vliegtuigmaaltijden, is binnen enkele dagen overleden.

Wie in New York rondloopt – ik was er al eerder geweest – zal constateren dat de gemiddelde Amerikaan ook een soort vliegtuigmaaltijden tot zich neemt, maar dan in krankzinnige hoeveelheden. Het liefst ook nog eens overgoten met een halve liter saus. Die halve liters krijg je ook wanneer je koffie of fris bestelt, maar bij fris bestaat de helft dan weer uit ijsgruis. De burgemeester van New York heeft inmiddels ook ingezien dat de inwoners te veel roken en veel te dik zijn, dus inmiddels is het roken ongeveer overal verboden – er wordt nu zelfs gewerkt aan een verbod op binnenshuis roken – en men streeft ernaar het verstrekken van ‘large’ porties voedsel en drank te verbieden. Nu is ‘medium’ voor Hollandse begrippen ook nog enorm, maar je moet ook niet teveel willen ineens. Wanner je dus met nadruk een small portie bestelt, en ook nog eens met nadruk verzoekt daar vooral geen saus overheen te gooien, is men werkelijk stomverbaasd. Het vinden van een gezonde maaltijd is in New York dus een behoorlijke opgave, en lukt zoiets toch, dan wordt deze vaak weer verpakt in grote hoeveelheden plastic: een plastic bak, daar weer een hard glimmende plastic deksel overheen. Je krijgt de indruk dat driekwart van het wereldafval in de VS wordt geproduceerd. Toch zie je dat op straat niet terug. Er wordt voortdurend ijverig geveegd en gebezemd, tenminste op de bekende toeristische plekken, de graffiti is geheel uit de ondergrondse verdwenen, er staat overal lekker zittend straatmeubilair en mooi ingerichte plantenbakken – zaken die hier na nacht één vernield zouden zijn – dus men doet z’n best. Dat groen en die zitjes zijn ook hoognodig. Je wordt alles argeloze toerist-met-jetlag getroffen door een overweldigende herrie. Iedereen toetert, er lijkt overal brand te zijn, waar brandweerwagens met scheepshoorngeluiden en hysterisch gillende sirenes op af stormen, er men is overal met drilboren, betonmolens of rammelende stijgerpalen in de weer. Tel daarbij op de als vliegen rondzoemende helikopters, de zee van reclame en de massa’s New Yorkers die al bellend, append en etend voortdurend op weg lijken te zijn naar of van hun werk, de tropische temperaturen met hoge vochtigheid ( “Feels like 117 %”). Je smacht dan op geregelde momenten naar een zitje in het groen, waar de New Yorkers in grote zandbakken achter hekken, met poepzakjes in de hand, keurig hun honden uitlaten. Voor katten lijkt me New York trouwens volstrekt ongeschikt. Ik heb geen tuin kunnen ontdekken, en op de rand van een balkon op de 70-ste verdieping lijkt me ook een hachelijke onderneming. New York neemt je op, je dompelt je er in onder.

Meest indrukwekkend natuurllijk: het 9/11 Memorial. Wat je daar dus ziet is eigenlijk heel wrang: langs de randen van de het prachtige monument, waar eindeloos water in een zwart gat verdwijnt in de twee lege gaten waar eerst de torens van het WTC stonden, staan de namen van alle slachtoffers van die dag in de omranding uitgesneden, de namen van zwangere vrouwen en hun ongeboren kind extra uitgelicht met een heel dun goudkleurig randje. Die namen lijken uit alle windstreken van de wereld te komen, honderdduizenden via Ellis Island, vanuit de misere elders gevlucht en opgenomen in de nieuwe wereld, een smeltkroes van nationaliteiten. Het wrange schuilt nu hierin, dat juist die vrijheid door anderen werd betwist, met als gevolg de aanslagen en de ellenlange rijen bij de douane op het vliegveld, de achterdocht bij binnenkomst, de papierwinkel, de vingerafdrukken, de foto die er van je gemaakt wordt. Vreemdelingen niet langer gewenst. Het vrijheidsbeeld heeft een kroon van prikkeldraad gekregen.

 

Maar zes dagen is wel weer lang genoeg. Dit stukje werd dan ook geschreven vanuit de onbeschrijfelijke leegte, stilte, rust, kneuterigheid en pieterpeuterigheid van dorpje B. op de Veluwe, vader en dochter vol indrukken weer veilig thuis in het land behind the dikes. Alleen vervelend dat ik nog steeds het gevoel heb hier niet alleen in een andere tijd en wereld, maar ook nog eens zes uur vroeger te leven.

Diploma

Hoeveel hoogtepunten heeft een mens eigenlijk in zijn leven? En hoeveel dieptepunten staan daar eigenlijk tegenover? En, naarmate dat leven verder gaat, beleef je dan meer diepte- dan hoogtepunten?  Het vervelende van hoogtepunten is, dat je die niet altijd beseft op de momenten dat ze plaats vinden; meestal denk je pas achteraf van ‘had ik maar meer’. Die dieptepunten, die hakken er vaak veel meer in. In de afgelopen weken was ik bij twee begrafenissen: de ene van een jonge moeder die vier kleine kinderen en een steeds zieker wordende , dove man in een rolstoel achterliet. Zij had zo dolgraag nog heel veel hoogtepunten willen meemaken in het leven wat nog voor haar lag. Als je jong bent, lijkt daar geen einde aan te komen. De andere begrafenis was van een leerling, nog veel jonger, 19 jaar oud, die in zijn leven wat nog voor hem lag alleen nog maar dieptepunten zag en besloot dat niet meer mee te willen maken. Een dieper dieptepunt bestaat er niet, een eindpunt is het na een veel te korte reis. Twee jaar verwijderd nog slechts, van een van de eerste hoogtepunten die je als jongere, met de toekomst nog voor je, kunt meemaken, namelijk de uitreiking van je diploma.  Het onbeschrijfelijke gevoel van vrijheid wat je ervaart met dat papiertje in je handen, de eindeloos lijkende grote vakantie in het vooruitzicht met de verre reizen en de volgende stap – een studie, een baan – in het verschiet.

Alles kan, alles is mogelijk, je bent maar één keer jong. Gelukkig kunnen we niet in de toekomst kijken, en gelukzalig staan we met de klas op de foto die nog één keer met z’n allen samen gemaakt wordt. Ik heb een oude klassenfoto die kort voor de oorlog is gemaakt in toenmalig Nederlands-Indië. De klas, leerlingen met verwachtingsvolle en ernstige blikken, geschaard om hun onderwijzer, trots in het midden. Drie jaar later zou die man in een kamp door de Japanners onthoofd worden.

Iedereen op z’n paasbest, zoals ik gister weer heb kunnen constateren bij de diploma-uitreiking van mijn laatste nog thuiswonende dochter. Een hoogtepunt om trots op te zijn, en dat er nog vele mogen komen.  Nu verkeer ik in de gelukkige omstandigheid dat ik dit jaarlijks kan meemaken, ook al zijn dat niet mijn eigen kinderen. Toch zijn daar ook elk jaar weer leerlingen bij, waarvan je later hoort: die jongen ligt nu in een ziekenhuis, met een enrstige hersentumor, dat meisje is in de prostitutie terechtkomen, en die leerling wordt mishandeld door haar vriend. Er zijn er bij, waarvan je bij het schoolverlaten al van te voren weet: dat wordt nooit wat, die gaan het niet redden in deze maatschappij, die niet iedereen met open armen ontvangt. Voor hen bestaat het leven enkel uit een aaneenschakeling van dieptepunten, ondanks een diploma tóch gezakt. Zo’n uitreiking van een diploma is dan zo’n beetje gelijk het laatste hoogtepunt.
Feestvieren dus, zolang dat nog kan, genieten zolang dat nog kan, en jong zijn zolang dat nog kan. Zorgeloos zolang het nog kan. Wat dat betreft is het werken in het onderwijs een fantastische baan. Je werkt met kinderen die – in het algemeen dan – redelijk zorgeloos door de wereld gaan, en dat stralen ze uit en daar laaf je je aan. Die dieptepunten soms, ja, die horen er helaas wel bij, maar die jaarlijks hoogtepunten bij een diploma maken alles weer goed.

Tits ’n Ass!

Heel oude pubers en lieden die al decennia in die tijd zijn blijven steken, zoals ik bijvoorbeeld, kunnen zich misschien nog de begintijd van de Golden Earring herinneren. De tijd  waarin we enkel nog zwart-wit televisies hadden en waarin muziek middels een viezig oortelefoontje uit een transistorradio kwam. Je lag dan gierend van de hormonen op het strand, en luisterde naar uitzendingen van Radio Veronica, vanaf het schip dat daar ergens verborgen in de verre zeedamp voor je lag. In gedachten was jij Barry Hay of Rinus Gerritsen en vielen alle meiden hysterisch in katzwijm aan je voeten, waar je ze dus voor het uitzoeken had. Tit’s ’n ass in overvloed, wat kan een puber zich nog meer wensen.

De vier heren hebben inmiddels een nieuwe plaat uitgebracht, om het anachronistische woord nog maar even te gebruiken, want net als velen in de popwereld is het natuurlijk lastig om dat fantastische leventje een keer achter te moeten laten, gekweld als je bent door stijve ledematen, een rochelende hoest, beginnende vergeetachtigheid, een flinke hoeveelheid vetschorten, enge vleesboompjes, een redelijk onwelriekende adem tussen je verkleurende kunstgebit door en tot overmaat van ramp drie keer per nacht naar de wc met lang nadruppelen toe. Je zou eeuwig willen leven, eeuwig aanbeden en toe gegild willen worden, eeuwig bekogeld met damesondergoed en eeuwig tits ’n ass in overvloed. Eeuwig stage-diven, met ernstig vergroot risico om de rest van je dagen met een slecht helende gebroken heup in een verzorgingstehuis te slijten.

Er zijn er meer die nog optreden. Laatst zag ik een opname van Blondie, zingend ( of wat daar voor door ging ) ergens in een feesttent op het Brabantse platteland, en dat was toch wel redelijk schokkend om te zien hoe iemand die je toch in aardige staat van opwinding placht te brengen weggezakt was tot het niveau van een met moeite in plooien overeind gehouden buikspreekpop. De Bee Gees hebben ook weer een poging gedaan, rond Tina Turner is het nu gelukkig wat stiller geworden en Cher zullen we ook niet meer op hoge leeftijd in een spartelpakje op de loop van een kanon van een oud oorlogsschip zien zitten.  Het houdt een keer op; was ik ooit een beroemde popster geweest, dan had ik het toch wat sneu gevonden je carrière te moeten eindigen met playbacken tijdens een schuurfeest voor Rock Oldies in Beetsterzwaag, tezamen met -om maar iemand te noemen- een playbackende George Baker en Dennie Christian. Mariska Veres, de ultieme droom van vele puberharten in vervlogen tijden verscheen ook nog eens een paar jaar geleden op de buis, kort voor haar dood, om iets ten gehore te brengen;  “Of je met een gewonde milva ligt te knarren”, zeiden de Cliché-mannetjes ooit.

Het aftakelingsproces grijpt bij vrouwen wat sterker in dan bij mannen denk ik. George Cloony-achtige types kunnen tot op hoge leeftijd op warme vrouwelijke belangstelling rekenen ( wat heeft zo’n vent wat wij niet hebben, mannen? ), en mijn eigen gade is bijvoorbeeld nog redelijk gecharmeerd van Twan Huys, die weer een beetje op die ene James Bond schijnt te lijken. Vrouwen vallen ook op geleefde types, zegt men, waar dat omgekeerd toch vaak niet het geval is. Een litteken schijnt het ook goed te doen, alleen komen die meestal niet meer van een gewonnen duel om de vrouwelijke eer te redden. De vier heren van Golden Earring menen dus nog enige indruk te maken om leden van de andere kunne, en een beetje moderne pubermeid die hun muziek nu hoort en de titel van de nieuwe plaat onder ogen krijgt denkt misschien: “Goh, vette shit, die wil ik wel eens even in levende lijve bewonderen!”

Hoe vreselijk zal de harde werkelijkheid zijn. Aanschouwe daar vier stramme heren, de jongste 64, de oudste bijna 66, die daar enigszins schril met hun laatste krachten Tits ’n Ass bezingen, toch vooral hopend dat het publiek, wat voornamelijk uit uitzinnige rijpere dames bestaat, niet de rollators zal wegwerpen, om vervolgens de vier iconen van weleer, die ook niet zo gemakkelijk meer kunnen wegkomen, te bekogelen met step-ins en met doordrenkte Tena-lady’s gevulde warme wollen onderbroeken, in een poging de idolen van weleer de kleren van het gerimpelde en uitgezakte lijf te trekken. Het sixpack is een biervat geworden, waar gelukkig dan nog alleszins redelijke muziek uit komt, dat moet je ze op hun leeftijd toch wel weer nageven. Maar om dat nu de titel “Tits ’n Ass” te geven, nee, want zoiets ga je dan weer voor je zien en wanneer die de zestig zijn gepasseerd, begint dat schoonheids-  en jeugdideaal toch wel een beetje aan slijtage en verval onderhevig te raken. Daar raken we niet meer heel erg opgewonden van, te gevaarlijk voor ons hart ook. Hooguit nog wat dover, maar dan zetten we ons gehoorapparaat gewoon een tandje harder.

Aan de andere kant, ze doen het toch maar weer. Zoiets geeft ons, mijn leeftijdsgenoten( 58),  hoop voor de toekomst in het verzorgingstehuis. En wanneer straks niemand het ziet, wanneer de gordijnen dicht zijn, dan kunnen we weer met de bezemsteel als microfoon of slaggitaar door de kamer springen, denken dat we Barry Hay zijn en zachtjes roepen: “Uitgezakte Tits ’n Ass!”  Je moet op onze leeftijd toch een beetje sublimeren. Go, guys, go!

Draaiorgel

Mijn vrouw zegt zeer geregeld dat ik mij minder snel moet ergeren. Dat is vrij irritant, vind ik eigenlijk. Ik moet me bij tijd en wijle kunnen ergeren aan zaken die hoogst irritant op mij over komen, en dat zijn er nogal wat. Sommigen vragen zich misschien terecht af of ik grootaandeelhouder van de firma Rennies ben, en waarom ik nog geen maagzweer heb. Vrouwen die getrouwd zijn met mannen die overal wat op aan te merken hebben, zijn denk ik niet te benijden; die moeten als een soort Ban Ki Moon voortdurend sussend tussen bepaalde partijen heen en weer pendelen en verhitte gemoederen tot bedaren brengen. Bestond de wereldbevolking uitsluitend uit leden van het vrouwelijk geslacht, dan stel ik mij iets zoetgevooisd voor, met bloemen in een wei en schapenwolkjes en zo, en waar elk voorwerp wat ook maar enigszins met techniek te maken heeft, zou ontbreken.

Ik zou mij daar trouwens niet bepaald thuis voelen, alleen al vanwege het feit dat je nergens meer de afstandsbediening kan vinden, want die is nu ook al voortdurend aan de wandel. Nu heb ik trouwens een flink aantal afstandsbedieningen binnen handbereik, want lekker veel knopjes en zo, en het zorgt er voor dat de vrouwelijke wederhelft niet te veel aan de apparatuur, in het bijzonder de televisie, gaat zitten. Mocht ik ooit nog een keer komen te overlijden, dan gaat de tv als eerste de deur uit, gevolgd door de hi-fi set met surroundspeakers, de Playstation, de 3D-brilletjes, de Nintendo Wii, de settopbox van UPC, de harddiskrecorder, de mediastreamer, de Apple TV en de Wifi-router. Daarvoor in de plaats komt vermoedelijk een transistorradiootje van de rommelmarkt van de gereformeerde Bethel-kerk. In feite zijn vrouwen eigenlijk reddeloos zonder man, dus het past hen niet te klagen over al die apparatuur. Dat eeuwige gemopper.

Nu las ik vandaag op mijn iPad ( “Je houdt dat dat ding méér vast dan mij!” ) een tweet van collega-blogger Ton Broekhuisen een tweet naar een hilarisch blogje van hem  waarin hij stelde dat “winkelend publiek érg opgewonden raakt van draaiorgelmuziek”. Als ik mij érgens aan erger, dan is het wel aan draaiorgelmuziek; dergelijke klanken roepen bij mij eerder de neiging op het hele winkelpand én de bijbehorende straat kort en klein te slaan, dan er iets in te winkelen. Iedereen kent ongetwijfeld het draaiorgel beneden bij de roltrap richting Jaarbeurs op Utrecht CS. Je komt al verhit uit die trein die mogelijk helemaal niet reed of in elk geval te laat was, en dan word je daar beneden verwelkomd door bonkende herrie en twee lieden die je bijkans de weg versperren en zo’n irritant rammelblikje onder de neus douwen. Broekhuisen pleit zelfs voor een emmer, maar dat is gezien de huidige bezuinigingen en hogere draaiorgel-BTW niet verwonderlijk. Het enige wat je dan nog wilt winkelen is een doosje paracetamol tegen de hoofdpijn.

Wat het nog eens dubbel erg maakt, is de muziekkeuze van de meeste draaiorgels in Nederland: bijna altijd Amsterdamse Jordaanklanken, die ik prompt associeer met patserige lieden als René Froger en André Hazes zaliger. Sigarettenrook, verschaald bier, bouwvakkersdecolletées, deinende aanstekers in de lucht en platvloerse lol bij Tante Greet.
Draaiorgels dienen uitgewezen te worden, of te worden omgeschoold tot het spelen van bijvoorbeeld rustgevende New Age muziek op klankschalen en zo in plaats van dat gehengst. Als Barnevelder zou ik ook nog kunnen pleiten voor psalmen op hele noten om het reformatorisch koopgedrag ( hoeden, lange jurken, zwarte pakken en blouses met veel fraanje ) te stimuleren.  Of een stukje Mattheüs-Passion, het publiek blijft dan ook wat langer staan, want het is zo onbeleefd het einde niet af te wachten. Vogelgeluiden mag ook, want genoemd draaiorgel bij Hoog Catherijne heeft ook nog eens de onhebbelijke eigenschap de duizenden spreeuwen die daar elk najaar op het dak van het Beatrixgebouw zitten, te overstemmen.
Nu we toch verkiezingen krijgen is het trouwens misschien wel handig om als tegenwicht voor Hero Brinkmans OBP of de schamele resten van het CDA ( waar ze volgens mij gék zijn op draaiorgelmuziek, alleen al vanwege het woord “draaien”)  een anti-draaiorgelpartij  of pro-ergernispartij op te richten, de ADP of de PEP, om alle kiezers die zich ergens aan ergeren, een plekje te geven om die ergernis te ventileren. Dat scheelt een hoop ergernis.

Leve de toets, en de rest bomt niet.

Een onderwijsdeskundige en een organisatieadviseur: een gruwelijker combinatie kan een mens zich niet voorstellen wanneer het gaat over lieden die menen hoe het in het kwakkelende onderwijs beter kan en moet. In een artikel op Managementsite.nl hebben twee ervaren stuurlieden het ultieme licht gezien en lezen de docenten in het basisonderwijs op gepaste wijze de les. Dat gepruts van die eigenwijze koninkjes in hun eigen koninkrijk moet maar eens afgelopen zijn, en er is nog maar één ding wat telt, en dat is de Cito-eindtoets. Wanneer een kind namelijk 2 punten meer scoort, 542 in plaats van 540, is het kind gered van een zinloos leven in bijvoorbeeld het VMBO en krijgt het een HAVO/VWO-advies: “Dat zou voor u en uw dochtertje een wereld van verschil kunnen uitmaken”. Het staat er echt.

Wat fijn dat meneer Kerklaan en mevrouw Verhoeff in hun functies als organisatie-adviseur en onderwijskundige dit zo mooi voor mij en het merendeeel van de Nederlandse ouders en hun kinderen hebben bedacht. De zon begint zo ongeveer te stralen over het kommervol bestaan van driekwart van de Nederlanders. Je kind zal toch naar het VMBO moeten, je kind zal toch een score van minder dan 542 hebben.

In hun alziende en ongetwijfeld duur betaalde wijsheid gaan deze lieden gemakshalve maar even geheel voorbij aan het feit dat er ook nog zoiets is als het geestelijk welbevinden van een kind op de school waar het zich bevindt. Dat geestelijk welzijn wordt gerekend tot “ruis en slecht controleerbare pr-activiteiten”. Daar heb je niks aan, zoiets valt niet in een cijfertje of iets meetbaars ( “met een druk op de knop” ) aan te tonen. Daar koop je niks voor in een maatschappij waarin alleen nog het resultaat telt, zowel voor de school als in de portemonnee van al die onderwijs- en organisatieadviesbureaus die het onderwijs hebben gemaakt tot de onoverzichtelijke puinhoop die het nu is. Het aantal organisatieadviseurs is sinds 1980 met ongeveer 1600 procent gegroeid ( “Bullshitmanagement”, Jos Verveen, 2011 ), en dat is ook ongeveer het moment waarop het onderwijs begon aan zijn steeds snellere aftakeling. We zijn nu in een situatie beland waarin de ene helft van Nederland de andere helft adviseert, en waarin die andere helft ook klakkeloos dat advies overneemt.

Leerlingen en docenten moeten zorgen voor “een betere performance” wanneer men niet aan de Cito-normen voldoet, aandacht voor “leuke zaken” ( wat zijn dat? ) moet “on top of” ( ik verbeter gelijk maar even de Engelse  spelfout in het artikel ) en niet “in plaats van”. Dat komt allemaal omdat de huidige leerkracht “geen professionele kenniswerker meer is”. Een beetje een sukkel dus, die leuke dingen met z’n kinderen wil doen op het moment dat daar ruimte voor en behoefte toe is. Zijn  die leerkrachten helemaal gek geworden, een beetje leuke dingen doen in plaats van rekenen en ontleden? Dat doen ze maar in hun vrije tijd ( die ze trouwens niet hebben omdat ze zo onprofessioneel hun stapels extra werk indelen ).

Kinderen mogen blijkbaar geen kinderen meer zijn, mogen vooral niet lager dan de norm scoren, want dan tellen ze niet volwaardig meer mee. Een regelrechte schoffering van allen die zich een slag in de rondte werken om kinderen te geven waar het in de eerste plaats op school om gaat: geborgenheid, een veilig leer- en leefklimaat, en het gevoel iets te betekenen en te zijn, ongeacht of je nu hoog of laag scoort volgens het Cito, ongeacht of je een beperking hebt of  niet. Beide dure onderzoekers gaan in hun kille advies-ijver geheel voorbij aan het feit dat dit de randvoorwaarden zijn voor een fatsoenlijk menselijk bestaan, juist voor kinderen die op dat gebied al zoveel ontberen.

Het zijn duidelijk voorstanders van de harde lijn. Voor straf ga jij maar naar het VMBO, voor straf word jij als docent ontslagen. Welnu, wanneer er hier straf uitgedeeld moet worden, dan is dat wel aan deze beide slechtste stuurlui aan de wal: ga in de hoek staan en ga je kapot schamen! En laat ik jullie niet meer zien!

 

Mooi, maar niet op 4 mei

Een collega van siebe Dirk in actie..
Een collega van Siebe Dirk in actie...

In een onbegrijpelijk streven naar correctheid heeft het Comité 4 en 5 mei besloten om tijdens de komende Dodenherdenking op de Dam een gedicht te laten uitspreken waarin een zielige SS’er centraal staat. Zielig, omdat hij de verkeerde keuze had gemaakt, zielig omdat hij bang was voor de Russen  die door diezelfde SS’ers bij miljoenen waren afgeslacht, en zielig, omdat hij nooit meer terug is gekomen van het oostfront. Hij hoopte toch zo op een beter leven; ja, dat deden zijn slachtoffers ook. Of deze zielige SS’er daadwerkelijk slachtoffers heeft gemaakt, zullen we nooit weten. Misschien heeft hij de ongeruste familie in Nederland wel leuke kiekjes gestuurd van doodsbange mannen en vrouwen, de handen radeloos in de lucht, aan de rand van de greppel waarin zij rücksichtlos, Befehl ist Befehl, zouden worden afgeknald, opdat SS’er Dirk Siebe later een beter leven zou hebben. Zulke foto’s bestaan. Er zijn er duizenden, allemaal gemaakt door lieden die een verkeerde keuze hadden gemaakt, en die graag het thuisfront op de hoogte hielden van hun wederwaardigheden.

Moet je medelijden hebben met dergelijke figuren? Tja, dat zou kunnen. Misschien wisten ze niet beter, misschien voelden ze zich gedwongen om hun vaderland te verraden en een beter leven te zoeken door in dienst te treden van een leger wat het uitroeien van Joden tot hoofddoel had gesteld. Als ik dan mag kiezen voor wie ik medelijden heb, en ik leef in een wereld waarin ik mag kiezen, dan weet ik wel dat er een groep is die oneindig veel meer recht op medelijden en gedichten heeft dan figuren als Dirk Siebe, namelijk hun slachtoffers. Die hadden niets te kiezen, hun werd niks gevraagd, en ook hun mening over het oplezen van het gedicht zo veel jaren later kan niet gevraagd worden door het Comité 4 en 5 mei. Het antwoord zal echter duidelijk zijn: hoe haal je het in je hoofd????  Is het comité 4 en 5 mei wel eens in Auschwitz of Majdanek of Mauthausen geweest? Of, veel kleiner: is het comité wel eens wezen kijken bij dat hele kleine monumentje in de stille bossen bij Vierhouten, waar het 6-jarige Joodse jongetje John Roelof Meijers samen met zijn vader door SS’ers werd doodgeschoten omdat hij geen keus had doordat hij Joods was? Ik ben bang dat het Comité zich onder politieke druk heeft laten verleiden zich niet te veel te verbinden met het huidige Israël waar beslist dingen gebeuren waarbij je de wenkbrauwen mag fronsen. Maar we hebben het nu over een andere tijd, en bij de dodenherdenking doen we niet aan politiek. Ook het huidige Israël heeft trouwens niet gekozen voor de situatie waarin het zich nu bevindt.

Er is in Nederland een toenemende onverschilligheid jegens de medemens, en wanneer die medemens al 70 jaar dood is, en wanneer die ook nog eens verbonden wordt met de huidige staat Israël, die toch al op minder en minder sympathie kan rekenen, dan is het blijkbaar niet meer correct om je al te openlijk en te nadrukkelijk te verbinden met miljoenen Joodse oorlogsslachtoffers. Het ceremonieel op de Dam is in mijn ogen toch al jaren verworden tot een plichtmatige en kille gebeurtenis, waarbij alle aandacht uitgaat naar bobo’s, VIPS en andere BN’ers, met 2 minuten stilte waarna weer gauw overgeschakeld wordt naar alle luchtige inhoudsloze prietpraat en kulprogramma’s op tv, en waarna alle verkeer wat enigszins de moeite heeft genomen om met frisse tegenzin stil te staan, weer net zo hard los gaat.  Die 2 minuten kunnen er eigenlijk niet meer af, er worden nu nog eens verontreinigd doordat we in die stille momenten ook met nadruk op die ene SS’er en zijn soortgenoten worden gewezen.

Een ongehoorde slag in het gezicht van alle nabestaanden, van mensen die generaties later nog steeds lijden door het onrecht wat is aangedaan door mensen die foute keuzes maakten. Een ongehoord foute keuze van het Comité 4 en 5 mei bovendien, waarbij een nieuw slachtoffer is gecreëerd, namelijk de scholier die het met de beste bedoelingen maar wèl uit een zekere onwetendheid heeft geschreven. Een mooi gedicht, maar niet voor deze gelegenheid.
Gisteren was ik even op ziekenbezoek bij de stokoude vriend van mijn overleden moeder: 92 jaar, oud-verzetsman, z’n hele leven strijdend tegen onrecht, eentje die destijds de goede keuze voor verzet maakte en daarmee levens heeft gered, in tegenstelling tot Siebe Dirk, die levens nam.  Hij kan eigenlijk niet meer praten, kan niet meer bewegen, zit daar hijgend en steunend te wachten op z’n dood. Het enige wat nog door zijn hoofd speelt, zoals in al die jaren dat ik hem ken, is die oorlog. Nu alleen nog maar, iets anders is er niet meer. We praatten er vaak over, over de oorlog. We hadden het ook vaak over de dodenherdenking. De huidige plannen durf ik hem echter niet te vertellen. Ik zou me er voor schamen.

UPDATE: Het Comité 4 en 5 mei heeft na alle ophef besloten het gedicht terug te trekken. Hopelijk komt er nu op 6 mei een discussie op gang over hoe in de toekomst verder.