Opera

Laatst was ik bij de opera. Niet iets wat ik nu wekelijks doe, maar het moest er maar weer eens van komen. Geen eenvoudig stuk: Siegfried, van Wagner, ruim vier en een half uur zitten, wél met twee pauzes er in. In die tijd ben je ook al halverwege New York.

Gestudeerde en cultureel onderlegde lezertjes kennen mogelijk het verhaal, de held Siegfried die de draak verslaat en de schone maagd Brünhilde op haar door vuur omgeven rots wakker kust.  Nu zit de ware cultuur tegenwoordig, in tijden waarin een miljoen Nederlanders zich vergapen aan de boeiende avonturen van een stel amoebes  in Utopia, een beetje in het slop, dus ís er de mogelijkheid een snuifje échte kunst mee te pikken, dan moet je zo’n kans met beide handen aangrijpen. Wauwel toog dus met gade naar het Muziektheater in Amsterdam. Eigenlijk zou ik naar zoiets het liefst in onberispelijke en smetteloze smoking gaan, ontspannen bewegend met losjes een trosje halfnaakte en beeldschone vrouwen om mij heen, maar een dergelijke dresscode is tegenwoordig niet meer usance en ook mijn gade was niet van zins zich tot een dergelijk niveau te ontkleden. Mijn James Bond-act werd dus terug gebracht tot een geheel zwarte outfit, dat dan weer wel, want daar houd ik nu eenmaal van.
Het publiek was dienovereenkomstig; geen enkele smoking, maar variërend van afgetrapte spijkerbroeken tot gewoon een redelijk net pak, en dames van warme zelfgebreide schapenwollen hobbezak-truien tot mantelpakjes. En toch, jawel, twee maagden in echte avondjurken, compleet met glitters. Die stonden dan ook wat onwennig en besmuikt hun outfit te verbergen en nadrukkelijk niet aanwezig te zijn. Eeuwig zonde, zoiets, je zou het strafbaar moeten stellen wanneer men niet in avondtenue verschijnt.

De voorstelling begon. aan onze voeten een grote tas met Smarties, flesjes drinken, gemengde kruidvatdrop, koekrepen. We blijven Nederlanders, als we dan toch niet schitterend uitgedost mogen, dan ook je eigen overlevingspakket  mee. Het decor was minimalistich, dat moet tegenwoordig. Plaatstaal, platen perspex en aluminium, neonbuizen.  Ik hou daar niet zo van. Doe mij maar veel coulissen, rijk beschilderd en behangen, met kartonnen deuren die open en dicht gaan en torentransen waar vanaf wenende jonkvrouwen zich radeloos te pletter werpen, gevolgd door lange sterfscènes. Ik ben nu eenmaal een erg ouderwetsch mannetje op allerlei gebieden.

brunhDe zangers, twee corpulente heren van middelbare leeftijd, deden goed hun best. De jonge held bezong zijn tragische leven en zijn zoektocht naar de draak, die naderhand uit twee grote lampen en op en neer gaande houten balken bleek te bestaan. Er was wel veel vuur. Je zou verwachten dat de zaal in vlammen op ging, en dat de helden levend geroosterd werden, maar dat bleek mee te vallen.  Drie uur later zakte een baar met daarop de schone slapende maagd zachtjes langs een helling  omlaag. Wauwel aanschouwde twee voeten, daarboven een enorme dikke buik, waarachter links en rechts een zware boezem opzij dreigde te kantelen, en een heel klein neuspuntje.  Dat zakken ging heel traag, waardoor ik – en volgens mij de gehele zaal die er vanuit mijn plek tegen aan keek, steeds meer geobsedeerd raakte door die buik. Het had iets van de tewaterlating van een aangespoelde walvis.  Was ik de regisseur geweest, dan had ik beslist voor een ander aangezicht gekozen.  Nu moeten operazangers, en vooral de zangeressen, het nodige volume bezitten om tot hun prestaties te komen, maar in dit geval zat het toch ernstig op de verkeerde plek. Maar ja, waar vind je tegenwoordig nog een schone maagd met slank postuur en jonger dan in de vijftig?

Uiteindelijk, na lang aandringen van Siegfried, ontwaakte de schone maagd – gelukkig kwam ze nu overeind –  en kwam het tot gezongen uitwisseling van verliefdheden. Zoiets eindigt natuurlijk altijd goed.  Enigszins stijfjes toog Wauwel weer naar dorpje B. op de Veluwe, weg uit de grote stad, geen James Bond meer, terug naar de kippenschuren en een wat saai en eentonig bestaan als simpele decaan in het onderwijs. Geen draken meer, geen vuurspuwende bergen in een decor van plaatstaal, vlechtijzer en perspex, maar uitzicht op de kerk van de Gereformeerde Gemeente in Nederland, waar Siegfrieds, draken en Brünhildes vér te zoeken zijn. Een wreed ontwaken, de volgende dag, dat wel.

Gauw maar weer ergens een vuurspuwend monster zien te vinden, ook al is het dan minimalistisch, dat geeft een beetje sjeu aan het burgerbestaan.

 

Nieuwe buren

Nieuw buren

Op mijn leeftijd – eigenlijk al gedurende mijn gehele leeftijd – kan ik slecht tegen veranderingen. Ik denk dat ik dan ook minstens een ernstig aantal syndromen en andere afwijkingen heb: ik ben autistisch, ADHD’er, sarcastisch, cynisch, een zeurkous, links, en overal bang voor.

Ik heb dat niet van een vreemde. De dader is mijn moeder. Kinderen, kom toch niet langs, want in Siberië sneeuwt het al vreselijk. Op vakantie kun je het veiligste maar naar Nunspeet gaan, dat is op het randje. O, heb je visite op je verjaardag? Nou, dan komen we wel op een ander moment langs.

Eng, eng, eng. Bang voor alles. Niks durven. De gymnastiekles vroeger was een gruwel. Bij het binnenkomen van de zaal, na het omkleden in een afgrijselijke koude en naar kinderzweet stinkende kleedkamer, hingen daar als stroppen voor de ter dood veroordeelde de ringen, martelwerktuigen uit mijn door sport verpeste jeugd. “Voorover uitduikelen!” was het bevel dat gelijk stond aan “Stort je zelf nu in de afgrond!” Links en rechts werd vol overgave enthousiast voorover uitgeduikeld, keer op keer, en ik stond daar, op één been, moeilijk balancerend met het andere deels in een van de ringen gestoken, moeizaam te stuntelen en nét zo lang tijd te rekken tot de gymleraar het opgaf en mijn beurt voorbij zou zijn, de ogen van vele klasgenoten honend op mij gericht.
Soms -hoe vreselijk- had de leraar meer geduld, en kwam naar mij toe en wrong mijn benen in die ringen. De ellebogen vóór de touwen houden, dat gruwelijke moment van het los moeten laten en weer overpakken, en dan die duw in je rug, de grond komt razendsnel op je af, je valt te pletter, krakend breekt je neus. Op de één of andere manier zwiepte ik dan toch weer net vrij van de grond, en duizelend kon ik mijn voeten uit de ringen halen, Voorover uitgeduikeld, en nu maar hopen dat het toch minstens weer vijf weken zou duren vóórdat deze oefening weer aan de orde zou komen.

Nee, dan paalklimmen; niet te hoog natuurlijk, maar dat was een oefening die ik nog met enig plezier kon verrichten. Je zag tenminste niks op je afkomen, je kon je met al je ledematen aan die paal vastklemmen, stijgen tot de onvoorstelbare hoogte van toch zeker wel 3 meter, om daarna – je onderlijf tegen die paal geperst – weer omlaag te zakken, je daarbij afvragend waar dat ongekend vreemde maar prettig kriebelende gevoel tussen je benen vandaan kwam. De klimpaal, de poort naar je puberteit.

Sommige mensen hebben een overdreven behoefte aan vastigheid, zekerheden, je krijgt het mee van je ouders. Je hele leven heb je geroepen: “Ik ga dat anders doen, niet zoals zij dat deden”. En toch, op de een of andere manier, kopieer je steeds bepaald gedrag. Mijn ouders hadden iets met buren, altijd. Die man links hield het met een andere vrouw, dat stel rechts had een grotere auto en die man was manager, dus de vijand van de arbeider.

De overbuurvrouw, die roddelt over je, en die komt steeds maar aan de deur met een smoesje om binnen te komen. En ik ga beslist niet naar de gezellige avond van de bewonersvereniging, stel je voor, ik ken die mensen niet. Zó werd mijn  moeder oud, in een wereld vól gevaren, vol mensen met bijbedoelingen, vol mensen die je moest wantrouwen.

Ik heb daar dus dingen van. Nu weet ik dat van mijzelf, dat scheelt. En kan ik dat dus als excuus gebruiken om het zelfde gedrag te vertonen jegens bijvoorbeeld nieuwe buren. Woonde ik in Amsterdam, op driehoog achter, dan hingen mijn kozijnen vól met spionnetjes.
Mijn eerste buren verkochten na een aantal jaren hun huis naast het onze in een redelijke volksbuurt. een arbeidershuisje, gebouwd in de jaren twintig, met muizen achter het gehang, een eeuwig kapotte riolering en voortdurend lekkende daken. “Ga daar toch niet wonen!” riepen mijn ouders natuurlijk. En ja hoor, de nieuwe buren kwamen uit Turkije. Tot diep in de nacht ronkende diesel-Mercedessen voor je deur, voortdurend tien man over de vloer, en echt, een geit in de achtertuin..Wás het een keer stil, dan besteedde je dat schaarse moment aan gefixeerd zitten wachten tot de herrie weer begon  Alle vooroordelen van mijn ouders natuurlijk weer in één klap bevestigd.

Daarna een ander huis, op stand, zeg maar. Aan de ene kant een vrouw alleen, aan de andere kant een oudere zoon met zijn nog oudere vader en  moeder. De zoon was autogek. Maakte wereldreizen. Kwam-ie terug van vakantie, vroeg je hoe het in China was geweest, en dan kreeg je: “Ja goed, maar wat ziet die auto er na drie weken uit zeg!”
Op een dag politie voor de deur, een ambulance. De vader had zich in het trapgat verhangen. Enge buren.

Verhuisd. Naar dorpje B. op de Veluwe. Het christendom als een soms verstikkende deken van rust en stilte. Diverse buren, leuke buren. Op een dag gingen de leuke buren weg. De wild en woest begroeide kruiden- en bloementuin werd vernietigd, en volgebouwd met speeltoestellen in een formaat waar Walibi World bij verbleekt  een trampoline lanceerde uren lang krijsende hoofden boven de schutting, ik zocht naar sequoia’s om de klimtoren aan het hoog te onttrekken. De vader kluste eeuwig, Ik verdenk hem ervan, ná het klaren van een klus de bedoel weer te hebben afgebroken, om toch vooral maar iets te boren, te zagen of te spuiten te hebben.

Op een verlossende dag stond daar dan toch het bord “Te koop”. De bevrijding was nabij. Aan de andere kant: wat zou er terug komen. Ergens hoopte ik op refo’s; die zijn hier rijk vertegenwoordigd, zondags doodse stilte, maar ja, wél  minstens vijf kinderen die niet in de hand gehouden worden zodra ze van het erf af zijn. In de tussentijd werd het verhuurd. Dat zouden dan wel Polen worden, met drankgelagen, twintig man, en oude wrakkige auto’s. Maar dat viel mee: een doodstil stel, hier in B. geboren en getogen.

Nu zijn er dan de nieuwe buren. Angst en beven, waar mijn vrouw denkt van “Ha, leuk!” Andere ouders gehad, andere opvoeding. De nieuwe buren zijn voortvarend te werk gegaan. Een enorme verbouwing. Cementstormen, betonregens, gruishagels, halve aardbevingen, alle bedrijfswagens van bouwend Nederland voor de deur.

Maar nu is het klaar. Ik heb dít geleerd: ik maak me weer voor niks druk. Ik zie veel te veel beren en bomen. Het ziet er prachtig uit nu. De troep is opgeruimd. De auto is toch niet weggevreten door beton. Van je buren moet je het hebben; jong, aardig en energiek. Niet bang voor verzuurde oude en achterdochtige buurmannen zoals ik. Misschien moet ik maar eens veranderen. Het kan nog. Straks gaan we even een bloemetje brengen, als welkomst geschenk. En dat was wél mijn idee!

Paniektoets

modernteacherIk wil zo’n Segway, zo’n ding op twee van die wieltjes waar hippe dertigers met een trimbaardje flierefluitend tijdens congressen van de ene na de andere zaal zoeven, zo’n Segway waarvan de uitvinder met apparaat en al  van een Britse klif gedonderd schijnt te zijn, een voortijdige dood tegemoet.

Onze school is namelijk verbouwd; zoiets brengt kansen en uitdagingen met zich mee, zo denkt de architect. Het is altijd heel stimulerend om in een andere omgeving iets nieuws te beginnen. Nu ben ik zestig, dus dat nieuwe is volledig uitgesloten, want te duur, te verzuurd, te onhip en ook niet meer bij de tijd. ’t Blijft dus bij de omgeving. Wij komen voortaan in stijl het pand binnen, over een wijds plein, omzoomd door gazons; zo betreden wij het lichte leer-werkplein, waar de coach ( de leraar ) en de stakeholder ( de leerling ) elkaar in ontspannen samenzijn begroeten en de werksituatie voor de komende dag in de digitale agenda’s afstemmen en tevens de leervraag bepalen om tot een plan van aanpak te komen.
Door al die verbouwingen kan het dus maar zó zijn,  dat je flinke afstanden in ruimte en tijd dient af te leggen wanneer je bijvoorbeeld je pakje brood in je fietstas hebt laten zitten, of wanneer je je verbindingskabeltje voor het nieuwe trendy touchscreen op je bureau hebt laten liggen. Op mijn leeftijd -strompelend, onderweg een paar keer oponthoud voor een plaspauze en lang nadruppelen- kom je dus buiten adem na 10 minuten terug in je lokaal, de klas in totale ontreddering óf geheel verdiept in Facebook gekluisterd aan. Die ontreddering en Facebook vormen eigenlijk één en de zelfde geestelijk labiele toestand, dus dát maakt verder niet uit. Ons leven is gekrompen tot een schermformaat van maximaal 17″. Met een Segway zou ik dan fris en fruitig mijn rentree maken, en bovendien nog eens een diép hippe indruk op het jonge volkje. Kijk die ouwe vent toch!

Afgelopen week in zo’n vér-weg-van-alles-lokaal dus een toets. In nieuwe stijl, dus digitaal. Geen echte, maar een proeftoets, van meneer CITO, die ook in het MBO een graantje meepikt. Nu was de vorige proeftoets op hopeloze wijze in het honderd gelopen door onwillige razend dure ict-systemen, en de toorn van onze staatssecretaris indachtig, besloot men geheel in stijl met het overvoeren met toetsen, tot een nieuwe proeftoets.  Die wierp zijn schaduwen al weken vooruit, in de vorm van vele mailtjes met instructies en protocollen. Docenten, toa’s, klassen, lokalen, alles werd gemobiliseerd om de nieuwe proeftoets tot een feestelijk einde te brengen. Ook mondeling kreeg Wauwel nog de nodige instructies, die inmiddels wat tegenstrijdig leken te worden naarmate de spanning steeg, maar men moet dat soort dingen ruim zien. Alle leerlingen op het hart gedrukt een koptelefoontje mee te nemen, dus waren er toch zeker een stuk of  acht die dat vergeten waren.
Het moment supréme was daar. Verdeeld over twee lokalen, strategisch in de deuropening staand, hield een batterij collega’s toezicht op een ordentelijk verloop van zaken, die deden denken aan de voorbereidingen voor een ernstig Navo-ingrijpen in het Midden-Oosten.  Alle telefoontjes uit, in te leveren in bakken die er niet waren, plaats te nemen achter uniek genummerde computers die geen nummer hadden, stipt om veertienhonderd uur. Met de collega’s van systeembeheer rende ik als een bezetene heen en weer om ook alle niet-gebruikte computers op te starten, want de test was ook bedoeld om te kijken of het netwerk de plotselinge piek wel kon doorstaan en niet – zoals een vorige keer-  reutelend tot stilstand zou komen.  Na ongeveer een kwartier en zenuwachtig geritsel met protocollen, waarbij ook zelfs lieden van het management een keurend oog in de lokalen lieten vallen, zat iedereen startklaar.  Als de inspéctie dit nou toch eens had mogen meemaken. Mijn hart bonkt als een stoommachine, het is verschrikkelijk heet in het lokaal, met al die draaiende computers, want deze ruimte is hightech, met alles automatisch en ramen die niet meer open mogen, want dan ontregelt het systeem en dan wordt de architect boos.
“Denk er aan, jongelui, je moeten NU allemaal tegelijk op ‘Laden’ klikken, maar daarna mag je beslist nog niet op ‘Starten’ klikken, want dan mislukt de test! Dus, ik herhaal, ALLEEN op ‘Laden’ klikken en daarna WACHTEN op ons signaal!”
Na nog eens vijf minuten leken de meeste toetsen geladen. Wonderbaarlijk trouwens, hoe stoïcijns de leerlingen alles over zich heen lieten komen: het onderwijzend personeel op de grens van een hysterische aanval, de leerlingen relaxed onderuit, heen en weer schuivend op hun stoel en met hun muis. Kijk die ouwe eens druk doen.
“NOG NIET OP STARTEN KLIKKEN MENSEN, DAN MISLUKT DE TEST! NOG EVEN WACHTEN!”

Een vinger gaat omhoog. “Ja, jongen?”

“Meneer, ik heb per ongeluk op ‘Starten’ geklikt!”.

Ach, wat maakt het ook uit. Gezegend zij het digitale onderwijs. “Geen paniek jongen, het komt goed! Ga je gang maar allemaal!”

Majdanek

Pas was ik in de sauna. Een plek van weldadige rust voor de stramme geest en dito ledematen. Buiten donker, een nacht als in het hoge noorden, rondom wolken stoom, zwijgende naaldbomen, en dansende lichtvlekken van lampen in het water van het zwembad. Het had een plekje langs het verstilde  meer van Inari kunnen zijn, hoog boven de poolcirkel, richting Moermansk. Eenmaal in de cabine sloeg de hitte als een deken om mij heen, en schuifelend zocht ik een plek in het schemerige bijna duister. Een houten bank, vaag verlicht, krakend zijg ik neer. Mentholgeur. Het is bijna stil, op het tikken van de kachel na, het verre zoemen van een of ander apparaat. Buiten gedempte stemmen, in warme kom van het bubbelbad. Heet, heter, de hitte loomt op het zwetende lijf.

Er hoest een man, scheurend door de stilte, te hard, te rochelend bijna; men schuifelt ongemakkelijk heen en weer, het sluimeren verstoord. En ineens is daar een gruwelijk zwart visioen. Dat hoesten, het vage gele licht, de glimmende naakte lijven, stukken van lijven, half in duisternis, half beschenen en vervormd in schaduwen. De krakende banken worden britsen, de sauna een barak. Ik ben in Majdanek. De hitte wordt een bijtende kou, zweet wordt angstzweet, glimmende lijven worden geblutste zakken huid, gevuld met botten, een hoestbui wordt een doodsgerochel, de geur van menthol wordt een stank van rotting en bederf.

Ooit was ik daar. In het heetst van de zomer op een zinderende dag in Lublin, een saaie stad in Oost-Polen.  Een reis waar mijn vrouw niet mee ging of mee kon, jonge kinderen thuis, nee, geen reis langs plaatsen waar het allerslechtste, allerdierlijkste en allerprimitiefste uit de menselijke geest zich kon manifesteren in mijn reisdoelen: Auschwitz, Majdanek, Mauthausen. Namen klinkend als een snauw, een snappend grauwen, uit te spreken door een slang uit het diepste van de hel. Mooi weer die dag. Een wandeling door de stad, naar de rand, en daar voorbij een bocht, een hoek om, daalde het kwaad op mij neer, met een heftig zoemen als een dol geworden bijenkorf, regelrecht in je ziel. Een uitgestrekte vlakte, met torens, rijen barakken, prikkeldraad. Een dode, lege hellestad. Uitgestorven haast. In de verte, bijna als een luchtspiegeling, trillend een groep bezoekers. Binnen de houten hutten is het stil, en tóch klinkt daar het radeloos schreeuwen, het stervend kreunen, de laatste haperende ademstoot. Het is té warm, het is steenkoud. Rekken tot aan de rand gevuld met duizenden schoenen, groot, klein, versleten, half vergaan, grauw, een enkele vaag gekleurde kinderschoen daar tussen. De geur. Een schoenengeur. Nog steeds. Na al die jaren.

Dat is wat blijft: een geur, een klank, een visioen. Een verlepte bloem, gestoken in het gaas, herinnert aan wat niet meer is, wat nooit meer komen zal. Alsof het nooit bestaan heeft, en dat is bijna gelukt.

Hoe kom je er op, ontspannen hangend in de sauna, een avond verwennen? Ja, hoe kom ik er op. Je hoort er alles van je af te kunnen gooien, je hersenspinsels weg te te laten masseren door een hydrojet. Relax. Maar we zijn niet meer relaxed. We zijn aan het gisten. We brouwen een mengsel van onverdraagzaamheid, van afgunst, van moslimhaat, van jodenhaat, christenhaat. We tieren welig op een ondergrond van afgunst, jaloezie, onvrede en verbittering. We denken niet meer na, we roepen gelijk wat opborrelt, we kwetsen weer als norm, we luisteren elkaar af, we laten ons manipuleren, we tellen niet meer tot tien. We tweeten ons suf  en liken ons een ongeluk. We mobiliseren de massa op het Malieveld, we stemmen onze onvrede van ons af op nieuwe leiders naar een maatschappij van elkaar het licht in de ogen niet meer gunnen. We hebben steeds meer niets geleerd van toen. Moslims hou je bek. Joden hou je bek. Majdanek heeft nooit bestaan. Het gaat gezegd worden straks.

Soms lijkt een visioen geen visioen te blijven. Komen voorspellende dromen uit. Hoe hevig hoop ik  nu: dromen zijn bedrog.

Bedank je leraar. Dank je stichtelijk

Het is bijna Dag van de Leraar. Mijn vrouw en ik in juichstemming, want beiden docent. Na weer een jaar lang door Den Haag als het kneusje en het afvoerputje van de maatschappij te zijn weggezet, mogen we op de Dag van de Leraar weer van ons One Day Moment of Fame genieten, en worden we in de aanloop daar naar toe bestookt met tweets van het Ministerie van Onderwijs:
bedankjeleraarAl 1400 Nederlanders, op een bevolking van ruim 16 miljoen, en bij die 1400 natuurlijk ook een stoetje politici en BN-ers die allemaal het vriendelijke doch dringende verzoekje hebben gekregen om iets zinnigs over hun oude ( maar vooral niet té oude want niet hip) leraar te zeggen.

Terwijl ik dit schrijf is mijn vrouw, twee dagen per week werkzaam in het basisonderwijs, bezig een nieuw computerprogramma te doorgronden. Ga naar de site van BlaBla, vul je gebruikersgegevens in, en bewerk de leerlingenkaarten. Twintig minuten per leerlingenkaart, maar goed, dat zal de gewenning zijn.. Daarna de lesvoorbereiding voor maandag, de gegevens op het klasse-intranet aanpassen en op de schoolsite met weer andere inloggegevens, dan de correctie , dan de overlegmail voor de collega die de andere dagen van de week werkt, en vandaag dan maar niet naar de theatervoorstelling waar de school bij betrokken is, en afgelopen week op de vrije dagen maar eens niet naar het schoolkorfbaltournooi in de avonduren want op de andere vrije dag al weer naar een instructie van nóg een ander computerprogramma waar schoolbesturen zo graag mee lijken te pronken geweest.  Volgt u me nog? ’t Is soms wat warrig ja, in het onderwijs.

Gelukkig kunnen we ons in onze vrije tijd helemaal suf vermaken met lesjes in elkaar knutselen voor het digibord, of congressen bezoeken met inspirerende sprekers, of kunnen we ons nascholen middels een overvloed aan cursussen zoals bijvoorbeeld de cursus “Informeel Partnerschap met Ouders van Schoolgaande Kinderen”, waarbij ook de “Vijfstappendans” besproken en geoefend zal worden.
Zelf zou ik – als ik mij verveel- om de twee jaar voor de herhalingscursus voor gecertificeerde assessoren kunnen opdraven, want hoe je met behulp van een aftekenlijst met daarop 80 punten  moet leren hoe je een leerling moet beoordelen die voor zijn of haar Criterium Gerichte Interview  op de juiste ergonomisch verantwoorde wijze een paaltje in de grond slaat, zoiets is natuurlijk steeds aan verandering onderhevig.

Gelukkig kom ik daar niet aan toe. Ik geef namelijk Nederlands op een MBO, en een examenklas krijgt dat vak 18 weken lang gedurende twee uur per week. Van de inspectie moet ik in die 18 weken 5 toetsen afnemen en beoordelen, natuurlijk ook weer aan de hand van uitgebreide lijsten. Ze krijgen Kwalificerende toetsen Schrijven ( “Trek  per onderdeel niet meer dan 5 punten voor schrijffouten af”). Verder mogen ze gedurende de toets “Gesprekken voeren” 20 minuten met elkaar over koetjes en kalfjes praten, waarbij ik beoordeel , en ze mogen ook een praatje alleen houden, in de toets “Spreken”. Ter verhoging van de feestvreugde moet daarna ook nog getoetst worden op “Lezen” en “Luisteren”. Op de computer natuurlijk, en de avond ervoor maar een rituele dans uitvoeren om de computergoden gunstig te stemmen in de hoop dat de boel niet wéér uit valt.

Zo’n druk toetsschema is wel handig, want aan gewoon lesgeven en theorie behandelen kom je eigenlijk niet meer toe. De uitleg van het Kofschip -“Huh? Nog nooit van gehoord meneer! “-  aan de eindexamenleerlingen  komt er dus wat bekaaid van af. Alle resultaten moet ik vervolgens invoeren in computerprogramma nummer zoveel ( een beetje docent werkt tegenwoordig met vijf verschillende systemen waar iets ingevoerd moet worden ) .
invoerenIk log in, zoek naar cohort, prestatiedossier, bekijk de relaties, de resultaatstructuren, beheer de signalen, check de signaleringsgroepen, controleer de signaleringsdeelnemers, bekijk de toetsfilters en voor de zekerheid werp ik nog een blik op de homepage settings.

Buiten de lessen om hebben we dan nog gesprekjes met onze leerlingen: “Juf, ik moet iets heel ergs vertellen; mijn ouders zeggen dat als ik me zo blijf gedragen, dat ik dan naar een pleeggezin moet en dat gezin is heel erg streng. Wat moet ik nu?”  en “Meneer, ik ben vanmorgen door mijn ouders het huis uit geschopt en mijn boeken liggen nog thuis en ik zie het allemaal dus echt niet meer zitten”. Ondertussen moet je eigenlijk naar een vergadering.

We worden dus bedankt. We krijgen misschien een gebakje, en op dat moment van grenzeloos genot vind je misschien even tijd om met de ambulant begeleider van rugzakleerling nummer 21 te praten, want die leerling heeft in de les veel prikkels nodig, en dat wordt een beetje lastig als die leerling naast een andere leerling zit die absoluut niet te veel prikkels kan verdragen.

Misschien blijft er aan het einde van de dag nog een momentje over om in de media te lezen dat we het helemaal niet goed doen, dat we ouderwets bezig zijn, dat we altijd maar zeuren, dat we een hekel hebben aan vernieuwingen, dat we onze targets niet halen, dat we te lange vakanties hebben, dat we ongeveer achterlijk zijn omdat we niet juichend met een iPad door de klas lopen te zwaaien. Dat we veel meer naar hippe onderwijsadviseurs en -vernieuwers moeten luisteren, dat we ‘quick wins’  moeten creëren, dat we meer aan brainstormsessies en met-de-benen-op-tafel-sessies mee moeten doen, dat we koplopers moeten zijn, dat we visie moeten hebben en inspiratie moeten opdoen, dat we kansen en uitdagingen in plaats van bedreigingen moeten zien.

Zeur ik nu? Vermoedelijk wel. Zo af en toe is dat gewoon even nodig. Maar maandag, op de Dag van de Leraar, als ik mijn gebakje naar binnen heb gewerkt, en weer eenmaal voor de klas sta en  dan ben ik weer in mijn element. Tussen mijn leerlingen, ver weg van alle rompslomp. Gewoon lekker lesgeven en lekker werken. En dat doen ze eigenlijk best wel graag.

Slow down, follow your heart ( Wauwel in Indonesië, deel 1 )

’t Is crisis, en geheel indachtig de wensen van onze geliefde minister president, boekte Wauwel, ondanks al jaren onderwijs-nullijn, een redelijk prijzige rondreis voor 2 personen naar de gordel van smaragd, in dit geval bestaande uit Java, Bali, Lombok en het tropische Bounty-eilandje Gili Meno. Indonesië, het grootste moslimland ter wereld, tijdens de Ramadan nog wel, dat was volgens sommige ongeruste lieden in de kennissenkring geen verstandige keuze.   Nunspeet is veel veiliger inderdaad, camping ‘De Rimboe’ in Lunteren wat minder rimboe en ook geen malaria-pillen nodig, dus wat zoek je daar tussen die haatbaarden.

Reizen is natuurlijk heerlijk, en hoe verder weg hoe beter. Hoe verder weg hoe beter ook even weg van het onderwijsbestaan, hoewel we bij elk schooltje wat we passeerden de rug strekten om er toch maar zoveel mogelijk van te zien. Ruim drie weken, met nog een paar dagen extra bijgeboekt om uit te blazen en te laven aan het lauwwarme water van de Java Zee trokken we rond.
Met een groep. Dat is altijd even afwachten; wat voor lieden zitten daar in, en hoeveel van hen zitten er nu weer in het onderwijs. Nu stonden bekende toeristenoorden als Kuta Beach gelukkig niet op het programma, en dat scheelt enorm in het tokkie-gehalte, het soort lieden dat je er gelijk in het vliegtuig al uit haalt, en dat zich 2 of 3 weken lang laat roosteren in een all-inclusive omgeving en daar ook niet vandaan komt. In het vliegtuig heb je eigenlijk nog geen idee wie er bij jou in de groep zitten, wie de mensen zijn met wie je de komende weken behoorlijk intens zult optrekken. Je leert na vele reizen wel een beetje inschatten en inderdaad blijken er uiteindelijk een paar goed gegokte lieden bij te horen.
Een tussenlanding in Abu Dhabi breekt de reis. Door een grauwgele mist daal je over een uitgestrekt niemandsland, eindeloze stratenplannen zonder huizen en zonder auto’s glijden steeds dichter onder je voorbij, en vervolgens is het twee uur rondslenteren en kijken naar een mix van veel Arabieren in lange witte gewaden, daartussen volledig zwart gesluierde vrouwen en groepen westerse toeristen. De eerste contacten met andere groepsleden worden gelegd, En ja hoor, onderwijsmensen. Ook een gesprek met een doodzieke, angstige en breekbare jonge vrouw, die geheel alleen na jaren onderweg is naar Oost Timor, waar ze ooit vandaan vluchtte, en die al 14 uur op de luchthaven heeft gewacht na een vlucht vanuit Brussel. Zo’n transit-lounge is een afspiegeling in detail van alles wat er in de wereld gebeurt.
We gaan verder, de korte nacht in. De geserveerde maaltijden worden op krankzinnige tijdstippen door de voortdurende wisseling van tijdzones naar binnen geslagen. Jakarta doemt onder ons op in een grijzer smog. Er is heel veel met bruin water overstroomd land te zien. Hier een overstaptijd van een uur of vier. Ideaal, want tot ongenoegen van mevrouw Wauwel is ondergetekende een rusteloos type dat niets liever doet dan voortdurend de hort op zijn, vooral op allerlei terminals, want daar is veel te zien. In de vele restaurantjes eet men verdekt opgesteld achter allerlei kamerschermpjes, want de Ramadan is in volle hevigheid bezig. Ook een zoektocht naar pinautomaten, want we hadden te horen gekregen dat er nergens met Europese passen geld opgenomen kon worden door een ruzie tussen Indonesië en internationale banken. Indonesiërs zijn vriendelijke mensen, maar ook Aziaten, en dat betekent dat ze je nooit ‘nee’ zullen verkopen maar je altijd van het kastje naar de muur zullen verwijzen. Nog steeds geen roepiah’s dus, dan maar hopen op ergens een wèl betalende automaat op de eerste bestemming, Yogyakarta . Een vlucht door wind en regen dit keer, bij aankomst onder aan de vliegtuigtrap de warme deken van tropenhitte en Indische geuren vermengd met kerosine.  En daar wachtte ons de gids, en ontmoetten we de rest van de groep. Een bus, gebouwd op Indische reizigers, bracht ons in een soort slangenmenshouding naar ons eerste hotel, waar we in de schemering aankwamen, na een reis van alles bij elkaar zo’n 24 uur. In vliegtuigen doe ik nooit een oog dicht, maar aan een jetlag moet je nooit toegeven en de beste bestrijding is gewoon direct de dagindeling van het te bezoeken land overnemen, dus na onze eerste lokale kennismaking met het fantastische Indische eten en het voorstelrondje met de groep de stad in, onderdompelen in een hectische variant van Tempo Doeloe.

Gadget-gek (2)

Mannen komen van Mars en vrouwen inderdaad van Venus. Neem nou moederdag: mijn vrouw is snel tevreden, heeft weinig tot geen wensen ( “Doe maar een paar aanvatters” ) en zou het liefst alle apparaten waar knopjes aanzitten en waar iets van stroom en internet aan te pas komt, het huis uit gooien. Daar sta je dan als man met je dure parfum of met je pumps met pijlers van 10 centimeter of met je sexy lingerie-setje ( tijgermotief ) met dito jarretel-gordel. Onbegrijpelijk dat veel vrouwen niet de hele dag in zo’n spannend spartelpakje willen rondlopen en zich daarbij willen volsproeien met bedwelmende en begeerte opwekkende geuren. .

Bij vaderdag daarentegen kan ik zonder aarzelen een complete lijst met wensen uit de hoge hoed toveren, zaken waar in het algemeen ook nog eens een stevig prijskaartje aanhangt en die geregeld ook gekenmerkt worden door een hoge mate van nutteloosheid, maar die wél allemaal ‘bliep’ zeggen of voorzien zijn van knipperende lichtjes en liefst veel knopjes.  Mannen hebben hobby’s, en vrouwen hebben bezigheden.

Wanneer je de gewenste cadeautjes niet krijgt, of wanneer men het een zinloze besteding vindt, bestaat altijd nog de mogelijkheid om het dan maar zelf aan te schaffen, onder het mom van belangrijk om verder te kunnen leven of het oude apparaat is stuk of echt niet meer van deze tijd. Zo lees ik sinds kort mijn energieverbruik af van een soort tablet die aan de muur hangt, en die precies laat zien hoeveel watt elk in- of uitgeschakeld lampje heeft verbruikt. En zoiets is dan een mooie aanleiding om naar een nieuw stukje techniek in huis te gaan kijken, iets wat én energie bespaart én een hoog gadget-gehalte heeft.

Ik kwam dus uit bij een setje gloeilampen van meneer Philips, genaamd Hue. Alleen te krijgen in de Apple-store en voor een krankzinnig veelvoud van het bedrag waarvoor je vroeger een simpel 60 watt peertje bij de kruidenier haalde. Maar ja, Apple, een mooie kinky doos, net nieuw, de buren hebben het nog niet, en dan wordt het wel erg begeerlijk. En energie besparen doet het: elke lamp 8 watt, en daar krijg je er dan drie van, die je – o wonder – via een bijgeleverd kastje met het internet verbindt. Het grootste wonder – ik ben nét een inboorling uit de vroege exemplaren van Sjors en Sjimmie of Kuifje – is echter de mogelijkheid om die lampen alle denkbare kleuren te laten produceren, en dát met je iPhone, wáár je je ook ter wereld bevindt.
Oplettende lezertjes zullen zich natuurlijk afvragen wat het nut is om de lampen thuis blauw, paars en groen te laten branden wanneer je zelf in Zuid-Afrika zit, maar daar gaat het bij de gadget-gek niet om. Het is het idee hè?

De eerste keer graaide de rest van de familie bij binnenkomst tevergeefs naar de lichtdimmer, want die had ik weer vervangen door een gewone schakelaar, die voortaan altijd aan staat. Het moment suprême was natuurlijk het achteloos met mijn mobieltje vanaf de bank inschakelen van een kleurenspektakel, gevolgd door de bittere teleurstelling dat ze dit “maar stom” en lastig vonden, want je moet de lamp toch gewoon met de schakelaar aan en uit kunnen doen, en niet eerst moeilijk met je mobieltje moet gaan zitten doen.

Hoe vreselijk 2012 en hoe vreselijk ontnuchterend kunnen vrouwen soms zijn, en daar lopen er dan geregeld vier van in mijn huis. Ik heb ze dus ongeveer op straffe des doods bezworen nooit meer de lichtschakelaar aan te raken, en hun geduldig uitgelegd hoezeer ons leven voortaan veraangenaamd en vereenvoudigd wordt, mer warme kleuren al naar gelang onze stemmingen, met disco passend bij de gedraaide muziek, met het gemak van aanfloepende lichten wanneer je je huis nadert, met de voordelen van licht dat energie geeft, of ontspanning, of waarbij je je enorm kunt concentreren op allerlei werkzaamheden. 

Aan dovemansoren besteed dus. Ik zal binnenkort maar eens een avond organiseren voor uitsluitend mannen. Die weten tenminste de goede dingen des levens te waarderen.