Laatst was ik bij de opera. Niet iets wat ik nu wekelijks doe, maar het moest er maar weer eens van komen. Geen eenvoudig stuk: Siegfried, van Wagner, ruim vier en een half uur zitten, wél met twee pauzes er in. In die tijd ben je ook al halverwege New York.
Gestudeerde en cultureel onderlegde lezertjes kennen mogelijk het verhaal, de held Siegfried die de draak verslaat en de schone maagd Brünhilde op haar door vuur omgeven rots wakker kust. Nu zit de ware cultuur tegenwoordig, in tijden waarin een miljoen Nederlanders zich vergapen aan de boeiende avonturen van een stel amoebes in Utopia, een beetje in het slop, dus ís er de mogelijkheid een snuifje échte kunst mee te pikken, dan moet je zo’n kans met beide handen aangrijpen. Wauwel toog dus met gade naar het Muziektheater in Amsterdam. Eigenlijk zou ik naar zoiets het liefst in onberispelijke en smetteloze smoking gaan, ontspannen bewegend met losjes een trosje halfnaakte en beeldschone vrouwen om mij heen, maar een dergelijke dresscode is tegenwoordig niet meer usance en ook mijn gade was niet van zins zich tot een dergelijk niveau te ontkleden. Mijn James Bond-act werd dus terug gebracht tot een geheel zwarte outfit, dat dan weer wel, want daar houd ik nu eenmaal van.
Het publiek was dienovereenkomstig; geen enkele smoking, maar variërend van afgetrapte spijkerbroeken tot gewoon een redelijk net pak, en dames van warme zelfgebreide schapenwollen hobbezak-truien tot mantelpakjes. En toch, jawel, twee maagden in echte avondjurken, compleet met glitters. Die stonden dan ook wat onwennig en besmuikt hun outfit te verbergen en nadrukkelijk niet aanwezig te zijn. Eeuwig zonde, zoiets, je zou het strafbaar moeten stellen wanneer men niet in avondtenue verschijnt.
De voorstelling begon. aan onze voeten een grote tas met Smarties, flesjes drinken, gemengde kruidvatdrop, koekrepen. We blijven Nederlanders, als we dan toch niet schitterend uitgedost mogen, dan ook je eigen overlevingspakket mee. Het decor was minimalistich, dat moet tegenwoordig. Plaatstaal, platen perspex en aluminium, neonbuizen. Ik hou daar niet zo van. Doe mij maar veel coulissen, rijk beschilderd en behangen, met kartonnen deuren die open en dicht gaan en torentransen waar vanaf wenende jonkvrouwen zich radeloos te pletter werpen, gevolgd door lange sterfscènes. Ik ben nu eenmaal een erg ouderwetsch mannetje op allerlei gebieden.
De zangers, twee corpulente heren van middelbare leeftijd, deden goed hun best. De jonge held bezong zijn tragische leven en zijn zoektocht naar de draak, die naderhand uit twee grote lampen en op en neer gaande houten balken bleek te bestaan. Er was wel veel vuur. Je zou verwachten dat de zaal in vlammen op ging, en dat de helden levend geroosterd werden, maar dat bleek mee te vallen. Drie uur later zakte een baar met daarop de schone slapende maagd zachtjes langs een helling omlaag. Wauwel aanschouwde twee voeten, daarboven een enorme dikke buik, waarachter links en rechts een zware boezem opzij dreigde te kantelen, en een heel klein neuspuntje. Dat zakken ging heel traag, waardoor ik – en volgens mij de gehele zaal die er vanuit mijn plek tegen aan keek, steeds meer geobsedeerd raakte door die buik. Het had iets van de tewaterlating van een aangespoelde walvis. Was ik de regisseur geweest, dan had ik beslist voor een ander aangezicht gekozen. Nu moeten operazangers, en vooral de zangeressen, het nodige volume bezitten om tot hun prestaties te komen, maar in dit geval zat het toch ernstig op de verkeerde plek. Maar ja, waar vind je tegenwoordig nog een schone maagd met slank postuur en jonger dan in de vijftig?
Uiteindelijk, na lang aandringen van Siegfried, ontwaakte de schone maagd – gelukkig kwam ze nu overeind – en kwam het tot gezongen uitwisseling van verliefdheden. Zoiets eindigt natuurlijk altijd goed. Enigszins stijfjes toog Wauwel weer naar dorpje B. op de Veluwe, weg uit de grote stad, geen James Bond meer, terug naar de kippenschuren en een wat saai en eentonig bestaan als simpele decaan in het onderwijs. Geen draken meer, geen vuurspuwende bergen in een decor van plaatstaal, vlechtijzer en perspex, maar uitzicht op de kerk van de Gereformeerde Gemeente in Nederland, waar Siegfrieds, draken en Brünhildes vér te zoeken zijn. Een wreed ontwaken, de volgende dag, dat wel.
Gauw maar weer ergens een vuurspuwend monster zien te vinden, ook al is het dan minimalistisch, dat geeft een beetje sjeu aan het burgerbestaan.




