Afscheid

Dit is het laatste blog. Wauwel stopt, zowel hier als op Twitter. Er is meer in het leven dan jezelf tentoonstellen op internet en kreten van 140 tekens de ruimte inslingeren. Het is tijd voor bezinning, tijd voor andere inzichten, tijd voor andere bezigheden.
Door de jaren heen heb ik een trouwe schare lezers en volgers opgebouwd, die ik hierbij allemaal hartelijk wil bedanken voor hun interesse en voor de tijd die ze aan mijn schrijfsels en berichten besteed hebben. Ik heb mensen verblijd, ontroerd en ook gekwetst, mijn stukjes waren soms leuk, soms ontroerend en soms cynisch. Het is voor mij een mooie uitlaatklep geweest, dat is wat bloggen toch vooral is.

Ik wens jullie alle goeds.

Rein Bijlsma ( Wauwel )


Dit bericht blijft nog een paar weken staan, daarna gaat de site op zwart.

De grote boze wereld

Zo zit je zondags een beetje voor je uit te staren en je vraagt je af wat te gaan doen en wat er vanavond op tv is, en zó zit je diezelfde avond nog in het vliegtuig naar Brisbane, alwaar mogelijk ingegrepen moet worden om wat stage-lopend kroost tot de orde te roepen.
Want wat moet je als ouder. Loslaten natuurlijk, een beetje afstand nemen en van daaruit kijken hoe het vogeltje de wijde wereld verkent. Maar niet zo ver weg, dat het onzichtbaar wordt. 
Nu is dat makkelijk: alle jonge vogeltjes hebben tegenwoordig Hyves, Skype, Whatsapp en Facebook, daarbij niet altijd beseffend dat de ouden ook niet meer helemaal van gisteren zijn en dus op gezette tijden een bezorgde blik werpen op de tak waar het jonge vogeltje al stuntelend is geland en luidkeels piepend of twitterend de wereld verkent. 
En wat ze daar zien is niet altijd verheffend. Veel uitvliegende vogeltjes hebben tegenwoordig de onhebbelijke gewoonte om verder en onvoorzichtiger  te vliegen dan eigenlijk de bedoeling was, en dan is er altijd wel ergens een loerende kater op vogeltjesjacht of een ruit waar men zich tegenaan werpt. 

De ouders vliegen hevig schreeuwend boven het slachtoffertje rond, doen schijnaanvallen op de dader maar kunnen meestal weinig uitrichten. Een dag later lijkt de narigheid al weer vergeten en wordt noest gewerkt aan een nieuw broedsel. 
Helaas hebben wij, menselijke ouders, niet altijd de verstandelijke vermogens van onze gevederde vrienden, dat zou soms een enorme hoop zorg en stress schelen. Het is echter meer dan instinct. En als er een noodgeval dreigt te ontstaan, dan kun je niet anders, kost wat kost, er op afvliegen. Dan maar geen dure zomervakantie naar Indonesië , waar je drie weken voor dacht uit te trekken. In plaats daarvan binnen in een week heen en weer naar de andere kant van de wereld, het groot deel van de reis nachtbrakend, piekerend en peinzend in de meest krankzinnige houding in een vliegtuigstoel. Toch  word je zo wel gedwongen je gedachten even te ordenen en het gemaal tot rust te laten komen; misschien valt het allemaal mee, je hebt ze toch een keurige opvoeding gegeven, en zelf was je in je doen en laten vroeger ook niet altijd even fris op die leeftijd.
Zijn de gevaren tegenwoordig groter, zoeken we meer de grenzen op? Het maakt niet uit. Als ouder schiet je je kroost te hulp, als is het gevaar nóg zo groot en is de grens reeds lang overschreden. Geen berg te hoog, later ook geen ‘had ik maar’.
Snel vliegen dus, en hopelijk is het allemaal niet nodig, hopelijk heb je je veel te veel in het hoofd gehaald. 

Deel 1 zit er op. Doe Australië in drie dagen. Het vogeltje is gevonden en onder de hoede genomen. Zo’n reis, binnen 7 dagen,  42000 km via Amsterdam, Frankfurt, Singapore, Brisbane, Hong Kong, Londen, Amsterdam, is een ook een beetje een waanzinnige reis door je eigen geest, waar je in het zelfde razende tempo indrukken opdoet als in de buitenwereld. Je vliegt van de ene uithoek van je geest naar de andere, van laag naar hoog, van hoog naar laag. Vaders praten moeilijk met hun dochters, praten liever met zichzelf soms. Praten moet je leren, begrijpen moet je leren, invoelen moet je leren. Je zelf en je kind tegenkomen is een kunst, die ik nu in een snelcursus van zeven dagen heb aangeleerd. Verschrikt en eerst hulpeloos heb ik naar het vogeltje gezocht, en ook gevonden. Over een paar dagen vliegt het mee terug, op eigen kracht, maar wel naar huis. De goede richting.  

Rust….

Ut benne hectische tijden. Ik check in- en uit op Foursquare, ik hou mij actiever dan ooit bezig met Facebook,  ik luister muziek op Spotify, ik bel met de halve wereld via Skype en ik sprokkel volgers bij elkaar op Twitter. Daartussen door praat ( of What’s App ) ik af en toe met mijn vrouw, geef ik mijn leerlingen les via de electronische leeromgeving en neem ik soms de tijd voor een slaapje, waarbij de Sleepcycle App op mijn iPhone mijn slaappatronen registreert en mij bij het ontwaken op de hoogte houdt, zodat ik op mijn gemak naar de internet-wekkerradio kan luisteren. Gelukkig kan ik soms ook nog even ontspannen in de natuur, waar ik tijdens een wandeling volgens mijn GPS-systeem kan genieten van de vogels, waarvan ik allemaal de zang kan onderscheiden dankzij mijn Tsjilp-programmaatje.  Verdwalen is er niet meer bij, er is altijd wel ergens iets wat mijn doen en laten registreert. Ik volg en word gevolgd. Je moet toch wat doen, wanneer het Sony Playstation Network er uit ligt en je je dus suf verveelt.

Maar misschien ben ik juist wel heel erg verdwaald. Weggedwaald van waar het toch vaak om gaat: contact met anderen  en tijd voor bezinning op jezelf, op je leven. Daar zou ook een appje voor moeten zijn.  “Bezinning” voor € 0,79 of zo te downloaden in de App store. Een applicatie die je telefoon uitschakelt, je pc uitschakelt, al je apparaten van je werpt en die je digitale bestaan opheft en je verstand eens op nul zet. Een algehele reset.  Niets meer te doen, tijd om iets echts te gaan doen.

Nu word ik dus sinds deze week op Twitter gevolgd door een heuse monnik: Broeder Steve van de Abdij van Egmond. Alsof ik in deze 21e en futuristische eeuw ineens door de Middeleeuwen word ingehaald en bij de arm genomen word. God twittert dus ook.
Bij monniken en abdijen stel ik me nog altijd scènes voor zoals in de film “The Name of the Rose”: duistere krochten en walmende flambouwen, schimmen die verborgen in lange pijen gebogen langs komen schuilen. Kou, verdoemenis, de inquisitie, intriges, de pest. De middeleeuwer kreeg in zijn hele leven net  zo veel informatie te verwerken als een puber nu gedurende één dag. Dat was dus eigenlijk wel relaxed, ook al had het leven in de duistere tijden soms z’n nadelen. Je kon je nog ergens over verbazen, verwonderen, en er waren nog dingen die je niet kon Googelen.
We hadden nog niet de neiging om werkelijk alles wat we deden en dachten aan de wereld kenbaar te maken.
Op de iPhone kan ik nu bijvoorbeeld een applicatie installeren die mijn sexleven registreert: alles wordt bijgehouden, hoe snel en hard je beweegt, hoe hard je mogelijk schreeuwt of kreunt en of je misschien ondersteboven in bed ligt tijdens het moment suprème. Al je vrienden worden direct via twitter op de hoogte gehouden en je prestaties verschijnen op een scorelijst die anderen dan weer kunnen overtreffen….Het is echt waar, hoewel je elke keer weer denkt dat we in het verzinnen van treurig exhibitionisme niet dieper kunnen zinken dan wat we dagelijks al aan pulp op de RTL-zenders krijgen uitgestort.

Het klooster in de 21e eeuw. Ik kon er eens een weekend naartoe, dat leek me heel avontuurlijk. Een weekendje afzien in de koude en duistere gangen, Gregoriaans galmend gezang, om drie uur ’s nachts op voor de metten, knielend op een hard bankje, verzonken in mijn leenkazuifel. Back to basics. Tót ik hoorde dat dit een weeekend zou zijn in een nonnenklooster en waar de verwarming op 23 graden stond in een redelijk comfortabel en fel neon-verlicht ingerichte slaapkamer….

Dan maar digitaal dus. In plaats van de mis kan nu het woord van de Heer in 140 tekens tot mij komen, bijvoorbeeld in de persoon van broeder Steve, die ook qua naam al heel modern met de tijd is meegegaan. Een broeder Stefanus ware wat toepasselijker geweest. Maar toch: we zijn nog niet helemaal reddeloos ten onder gegaan in de digitale hectiek. Er zijn nog wat rust- en ijkpunten in ons digitale leven. “Weer in mijn oase, het is stil in huis”, twittert broeder Steve. Ik ben echt jaloers.  Soms hebben we allemaal even een broeder Steve nodig. Zoekt en gij zult vinden.

Aaaargh!!! Kill!!!

Vroegâh, wanneer het schemerde, ging je nog even fijn naar buiten om je buurjongen dood te schieten. Dat was heerlijk. De zinderende spanning wanneer je – verscholen in de bosjes van het nabij gelegen plantsoen – je slachtoffer argeloos zag naderen en hem plotseling de volle laag kon geven met je klappertjespistool, of, wanneer je ouders wat minder te besteden hadden, met een zelfgemaakt geweer van een stuk hout en blaaspijp. Voordeel van zo’n laatste wapen was dat je er ook papieren pijltjes en klapbessen mee kon schieten. Die pijltjes rolde je van stroken papier, en op geregelde tijden lagen de straten vol met pijltjes, als de rolschaats- knikker of tollentijd weer voorbij was. Die periodes wisselden elkaar om onnavolgbare redenen af op de schoolpleinen en speelplaatsen. Meisjes waren natuurlijk wat minder agressief bezig dan jongens: meer met elastiek, springtouwen of gewoon ouderwets degelijke Barbie’s . Veel kinderen rollen ongeveer van hun stoel van verbazing, wanneer je het daar over hebt. Wat oneindig saai, truttig, sloom en suf. Een leven zonder computers en mobieltjes, wat moet je dan in vredesnaam met je tijd doen???

Met een houten speelgoedgeweer hoef je tegenwoordig niet meer aan te komen. Een beetje kind, en dan vooral weer jongens, bedient zich tegenwoordig van een futuristische lasergun en roeit daarmee behalve de buurjongen ook hele hordes buitenaardse monsters uit. Hoe meer hoe beter, en hoe zwaardere en nog vernietigender wapens je kunt kopen, soms voor echt geld . Niet alleen in de schemering wanneer je nog even buiten mag spelen, maar soms meer dan acht uur per dag, zo blijkt uit onderzoek van het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam. 3% van de kinderen tussen 13 en 16 jaar houdt zich op de meest krankzinnige tijden bezig met bijvoorbeeld het vernietigen van Arabische hordes, Middeleeuwse woestelingen of buitenaardse invasies. Vooral jongens op het VMBO vertonen dit gedrag, en worden daardoor depressief, scoren slecht op school en komen slaap te kort. Elke klas telt een aantal van die typische nerds: ze bestaan dus echt. Jongeren die zich terug trekken in een niet bestaande maar voor hen o zo levensechte wereld, waar de bedreigingen van een heel andere aard zijn dan de verschrikkelijke saaie school- of thuisomgeving. Steeds meer neemt die wereld de plaats in van de echte wereld, die dan inderdaad wel heel gewoontjes overkomt. Docenten en ouders , dát zijn in hun optiek pas echte wezens van een andere planeet, die totaal geen benul hebben van hoe het er in de echte virtuele wereld aan toe gaat. Ik snap het trouwens wel: je wordt bijvoorbeeld gepest, je durft niets terug te doen. Je hebt je uiterlijk niet mee, je bent niet sportief. En dan, daar is dan ineens de mogelijkheid om een atletische superheld te zijn, omgeven door dito superhelden van het andere geslacht. Je vernietigt met een druk op de knop wie je niet aanstaat. Je wordt heerser over de wereld, over het universum zelfs. Wie wil dat nou niet?

En wij hebben geen benul. Het benul wat wij hebben, is nog gebaseerd op blaaspijpen, klapperpistolen, knikkertijd en ouderwets Monopoly of Stratego.  Onze kinderen leven soms in een wereld waar wij geen weet van hebben. Veilig thuis achter de computer, da’s toch veel beter dan je elk weekend klemzuipen in de kroeg? Láát die kinderen toch een beetje onschuldig vermaak.  Niet dus. Habbo-hotel was leuk, de Sims was leuk, een kort spelletje World of Warcraft, dat moet kunnen. Wij vinden het allemaal maar stom, dus verdiepen we ons er niet in. We zien ze rustig achter de pc of met hun mobieltje zitten, we hebben zicht op ze, niets aan de hand.

Tot het te laat is. Tot we zelf buitenaardse wezens zijn geworden. De kloof tussen de digitale wereld en onze wereld wordt steeds groter, terwijl de kloof tussen de digitale wereld en de leefwereld van onze kinderen al lang niet meer bestaat, en de digitale wereld steeds meer vervlochten raakt met de echte wereld. Voor veel jongeren, zeker voor hen die wat onderscheidend en relativeringsvermogen missen, ís de wereld van Warcraft langzamerhand de enige echte wereld, een wereld waaruit geen ontsnapping meer mogelijk lijkt.

Hoog tijd dat we als ouders en docenten dus eens een kijkje gaan nemen in die wereld. Niet alle ouders en docenten willen of kunnen dat, want te druk, niet onze taak, ver van mijn bed.  De school en de ouders thuis kunnen zich echter niet langer meer veroorloven geen deel uit te maken van de wereld waarin veel van onze kinderen leven.  Die wereld gaat 24 uur per dag door, en dan zijn lessen op school , een nachtje slapen thuis of een maaltijd met het gezin wel heel hinderlijke onderbrekingen  van iets wat veel leuker en uitdagender is, maar ook veel verslavender dan bijvoorbeeld een beetje suf en niet erg chill  bij wiskunde of Engels te zitten. Die school zou net als de virtuele wereld een plekje moeten krijgen in de combinatie van al die werelden waar jongeren tegenwoordig in leven. Alles met elkaar vervlochten: school, World of Warcraft, thuis, werk. Zodat iedereen een oogje op elkaar kan houden en waar nodig kan aanvullen of bijsturen.

Ik chargeer natuurlijk een beetje. Het is nu “nog maar 3 %”. Maar het percentage groeit, zeker nu je de spelletjes op je mobieltje overal mee naar toe kunt nemen. Daarom een oproep om eens wat te brainstormen , vooral aan gamende ouders en leraren, waar ik mij zelf ook toe reken. Ook op je 57e mag je speels zijn, ik  mag graag wat buitenaardse wezens afknallen of een rondje om de wereld vliegen in mijn Jumbo-jet in Flight Simulator. Dat is het vreselijk leuke van de tijd waarin we nu leven: je kunt er even helemaal uit vanachter je bureaustoel. Zolang je maar met twee benen op de grond blijft zitten. En dat is dus wel wat lastig voor sommigen.  Reacties welkom.

 

2 minuten stilte, ook digitaal…

Het is weer bijna dodenherdenking en dan brengt een deel van Nederland het op om zowaar weer eens 2 minuten stil te zijn. Dat is een behoorlijke opgave, als ik bijvoorbeeld denk aan de momenten dat mijn dochters nog allemaal thuis woonden en vader Wauwel hun verplichtte om tijdens de uitzending van de Waalsdorpervlakte even de kakel te houden. Zoiets werkt natuurlijk averrechts wanneer je puber bent, en het resultaat was vaak een stilte die onderbroken werd door krampachtig gehik en ingehouden gierende lach, waarbij woedende blikken over de schouder naar de veroorzakers van dit onheil geworpen werden. Mijn vader kon zich bij gebrek aan dochters tijdens de stilte om acht uur ook vreselijk opwinden over buren die bijvoorbeeld de vlag niet uit hadden of over auto’s die de gore lef hadden gewoon door te rijden.

De Waalsdorper Vlakte moet het zijn, en niet de Dam, die  – in mijn optiek – te ver van het gewone volk af staat door de aanwezigheid van allerlei bobo’s en koninklijke types op ereplaatsen.  Op de Waalsdorper Vlakte is het ook stiller, eenvoudiger, bijna totale stilte, die hooguit onderbroken wordt door het zingen van een merel of het geluid van de wind, twee dingen die de stilte daar nóch intenser doen klinken.  We lijken niet meer tegen echte stilte te kunnen. Zelfs twee minuten per jaar is voor een behoorlijk deel van de Nederlanders al te veel moeite.  Er móet gewoon lawaai zijn, anders schijnt men zich niet te kunnen concentreren op waar men mee bezig is. Bijna al mijn leerlingen hebben bijvoorbeeld muziek, of daarnaast ook nog televisie aan tijdens het leren van hun huiswerk. Daarbij komt dan ook nog de computer met MSN en bijvoorbeeld Hyves, dat dit jaar zowaar een digitale dodenherdenking zal toepassen. Bezoekers krijgen rond die tijd een verzoek om digitaal stil te zijn en een getoond gedicht te lezen. Geen slecht initiatief om jongeren, voor wie de oorlog steeds meer een ver-van-mijn-bed-show -voor-oude-mensen is, er bij te betrekken dat niet alles nu zo vanzelfsprekend is. Daarna barst de digitale herrie weer in volle hevigheid los, want herdenken, ja, dat is toch niet echt chill.

Met enige moeite doen we er aan mee. RTL5 bijvoorbeeld ruimt met frisse tegenzin 2 minuten in tussen “Topchef, de jonge professionals”, en “Dames en heren in de dop”, een reality-serie over ordinaire meiden en jongens die worden omgevormd tot “nette dames en heren”,  maar dan wel van het soort waarbij vermoedelijk elk historisch besef en verantwoordelijkheidsgevoel voor een ander ontbreekt. Net 5 doet helemaal niet aan dodenherdenking, want het is natuurlijk oneindig veel belangrijker om vijftien hippe en flitsende kandidaten in alwéér een reality-serie te volgen in hun voor-geld-doe-ik-alles-hang naar vluchtige roem. Het moet tenslotte niet te dol worden hè, een beetje 2 minuten lang niet je ding kunnen doen en niet vèt kunnen kicken.

Hoe gaat dat op Twitter? Misschien moeten we ook tijdens de digitale Hyves-dodenherdenking vrezen voor een digitale Dam-schreeuwer. Blijven we om acht uur als gekken doorblaten met nietszeggende onzin, of kunnen we het, in navolging van Hyves, ook dáár opbrengen om even twee minuten lang onze digitale grote waffel dicht te houden om even te denken aan het feit dat we zonder hen die wij gedenken Twitter in zijn huidige vorm waarschijnlijk onmogelijk zou zijn? Ik ga er voor. Om acht uur, op 4 mei, Twitter even helemaal stil. Hopelijk ben ik niet de enige.

Afgang

Het gaat niet zo goed met het onderwijs in Nederland. We maken ons allemaal massaal zorgen over het niveau van onze studenten ( nog even en de leerling in het primair onderwijs heet ook ‘student’; dat klinkt tòch weer wat wijzer ), en het niveau van de docenten is ook al niet meer om over naar huis te schrijven. Het niveau van de bestuurders en managers, daar hoor je nog niet zo heel veel over trouwens. Je zou haast denken dat alle problemen veroorzaakt worden door degenen die alle onderwijsvernieuwingen en -veranderingen moeten uitvoeren, niet door hen die ze bedacht hebben. 39 % van de studenten die een opleiding op In Holland hebben gevolgd, blijkt een onwaardig diploma op zak te hebben. Er moet dus gereorganiseerd worden, en – opvallend – een van de eerste zaken waar de bezem rigoreus door heen gaat is het competentie-onderwijs. Dat wordt afgeschaft en vervangen door iets wat “meer structuur” aan de studenten biedt, aldus bestuursvoorzitter Doekle Terpstra.  Al die proteseterende docenten en studenten blijken dus toch gelijk te hebben gehad. We tragisch dat daarvoor eerst 39% van de studenten een waardeloos papiertje in de maag gesplitst moest krijgen.

Zelf geef ik les aan een MBO-opleiding. Over sommige leerlingen maak je je ernstig zorgen; zwakke taalbeheersing bijvoorbeeld. Die gaan vervolgens toch op wonderbaarlijke wijze naar het HBO en drie jaar later zie je ze ineens weer zitten in de docentenkamer, dit keer als collega…. de vakkennis zal hoop ik wel voldoende zijn, maar hoe breng je die vervolgens over aan taalzwakke leerlingen als je je taal zelf ook al gebrekkig beheerst?

Een dochter van mij volgt een 4-jarige opleiding aan, ik noem hem hier maar gewoon, het ROC ASA in Amersfoort. Middelbaar hotelonderwijs. Geheel gegeven volgens de moderne en zaligmakende principes van het competentiegerichte onderwijs, zo werd ons op een open dag juichend door een belangrijke spreker meegedeeld. De veelbetekenende blikken van de in de zaal aanwezige docenten spraken boekdelen.  Nu, drie jaar verder, is het aantal werkelijk gegeven lesuren op de vingers van een paar handen te tellen. Drie jaar klaagzang op het niets doen, het vervelen en de uitval aan moeten horen. En dat uit de mond van een leerling die net als veel andere leerlingen toch best wel de nodige tijd aan zinnig – in onze ogen zinloos –  niets doen wil spenderen. Ze loopt nu stage in Australië. Dat is natuurlijk mooi, het mag wat ( Europees geld ) kosten, maar je kunt grote vraagtekens gaan zetten als die stage ( van 4 maanden ) in feite bestaat uit 2 maanden les krijgen op een school waar het niveau nòg lager is en waar de resterende 2 maanden stage bestaan uit 5 weken lang 3 avonden in de week borden afruimen in een casino.  En dat alles geregeld en gesanctioneerd door de school. De rest van de tijd wordt verveeld en geluierd. In feite wordt er van het hele derde schooljaar vier maanden niets gedaan, krijgen de leerlingen vier maanden geen zinnige opleiding. Zoiets gebeurt niet alleen op ROC ASA, zoiets gebeurt ook niet overal. Maar het gebeurt wel akelig vaak en is tekenend voor het verval waarin het onderwijs zicht steeds meer lijkt te bevinden.

Op de MBO-opleiding waar ik werk krijgen we elk jaar een steeds grotere toestroom van leerlingen van andere MBO’s te verwerken. Ze komen ongeveer op hun knieën naar ons toe, of wij ze toch alsjeblieft willen aannemen, want wij geven nog wat meer “ouderwets” les. Nog wel.

En ja, hoe nu verder? We zullen nog wel dieper zakken op de internationale ranglijsten vrees ik. Dat gaat nog jaren door, met die afkalving. Niet elke onderwijsvernieuwing is een achteruitgang. Ook in het competentiegericht onderwijs zitten goede dingen. Maar het klakkeloos zalig en tot enige grote almacht verklaren van weer iets wat door een groepje deskundigen ver buiten de dagelijkse onderwijspraktijk is bedacht, kunnen we ons echt niet meer permitteren. De tweedeling in de maatschappij, tussen hen die nog wel een waardevol diploma hebben en hen die het met een twijfelachtig papiertje moeten doen, zal nog veel groter worden. ‘Kennis is macht’; de groep die over beide beschikt wordt helaas steeds kleiner, en daardoor ook gevaarlijker….

Klusjesman

Op een boze koude winternacht – Sinterklaas was net klaar met het pakjes verspreiden in huize Wauwel- werden wij enkele maanden geleden opgeschrikt door luid geraas en gesis. “Maakt de CV nou z o’n lawaai?” mompelde mevrouw Wauwel, nog half in slaap. Ja geen idee, je houdt je dan nog een beetje slapend want je hebt weinig zin om midden in de nacht uit bed te klauteren om de thermostaat lager te zetten. Het lawaai leek echter ook van buiten te komen, uit de achtertuin. Een blik uit het raam, en daar toonde zich in de sneeuw een snel groeiend zwart en glinsterend meer: de waterleiding was met de invallende dooi gesprongen.
Spiernaakt omlaag, de schuifpui open – waardoor natuurlijk direct een kat ontsnapte – en ja hoor, de Trevi-fontein viel er bij in het niet. Er schoot me te binnen dat er in de garage een luik met daaronder een kraantje zat, wat we dus nog nóóit dicht hoefden te draaien want een gesprongen waterleiding, dat is toch zo iets uit de vorige eeuw. Op dat luik stonden dus fietsen, tuinstoelen, ongeveer alle scheppen en harken en nadat die allemaal onder gemopper en gescheld verwijderd waren, bleek dat luik ook nog eens muurvast te zitten. Omhoog maar weer naar de eerste verdieping, waar deze klusjesman al zijn gereedschap in chaos bewaart. En gelijk maar een ochtendjas aangetrokken, want er waren ook nog logerende kinderen met aanhang in huis en die zouden toch lichtelijk geschokt kunnen raken bij de aanblik van het blote achterwerk van Wauwel, om drie uur ’s nachts dubbelgevouwen over een luik in de grond.

Onder de vloer had zich inmiddels ook al een aardige binnenzee gevormd en uiteindelijk lukte het de kraan naar buiten dicht te draaien. De volgende ochtend zouden we wel zien of het parket tot aan het plafond was krom getrokken. Dat bleek mee te vallen en aangezien we voorlopig toch de tuin niet hoefden te sproeien, trad de rust weer in. De verzekering betaalt wel.  Lastige klussen stel je graag uit, dus afgelopen week maar eens de Univé gebeld waar een blijde juffrouw mij vertelde dat er geen aantoonbare schade aan het huis was en dat er dus geen vergoeding plaats zou vinden.

Waar ik al ideeën had om dan maar de halve tuin- en buitenmuur te slopen bekeek mijn vrouw het buitenkraantje eens en zij ontdekte dat het lek bij de aansluiting zat. Gistermorgen aan de slag dus, met frisse tegenzin, maar fluitje van een cent.  Nu vind ik klussen leuk, maar dan moet alles aanwezig zijn, vindbaar zijn en ook nog eens achter mijn kont worden opgeruimd. En daar tussendoor dient veel rust genomen te worden en veel koffie gedronken te worden.
Stoer aan de slag. Spijkerbroek met sexy gaten aan. Voor het solderen van een waterleiding heb je nodig: een soldeerbrander, wat tangen, soldeer, S39 ( een gemeen bijtend goedje wat je op de te solderen stukken dient te smeren ) , schuurlinnen ( om de verbindingen mooi glad te schuren ) en enige ruimte.
Nu zat het kraantje helemaal verstrikkeld in de vuurdoorn, en zo’n struik heeft nare stekels. Na een kwartier gemodder en geworstel had ik de boel los en een paar bloedende schrammen op mijn hand.  Vervolgens eindeloos op zoek naar mijn soldeerbrander die natuurlijk nergens te vinden was, net als de S39, die ik bij stom toeval ontdekte achter een stel lege flessen op een plank in de schuur.  Maar goed, ook de brander kwam te voorschijn en ik toog aan de slag, om na een minuut te ontdekken dat het vlammetje tot de sterkte van een waxinelichtje werd gereduceerd: gas op. Aan de onderkant van de brander zit een handeige klem die je makkelijk los kunt draaien om het tankje te verwisselen, maar die zat dus hopeloos verankerd en vastgeroest of zoiets. Het hele kreng razend van woede in een bankschroef geklemd en aan de slag met tangen en schroevendraaiers, die daar niet voor bedoeld zijn.
Op zulke momenten moet je dus beslist geen echtgenote hebben die aan je vraagt: “Is het al bijna klaar? Het is toch alleen maar even weer vastsolderen?”  Na een tiental minuten ploeteren, waarbij de hele brander definitief ontzet en verbogen raakte, heb ik het rotding in de vuilnisbak gesmeten  en ben ik verhit naar de Karwei-markt afgereisd. Op zaterdag moet je daar eigenlijk niet zijn: kerels die ernstig naar zweet stinken, kinderen die je met houten strippen een oog proberen uit te steken, en een vent voor je aan de kassa die honderdduizend dingen af moet rekenen.

Thuis. De nieuwe brander aan. Een vlam van een meter waarmee je een hetelucht-ballon kunt doen opstijgen. Hoe ik ook draai en schuif, enorme vlammen blijven het gevolg. Ik zie de brandweer al de straat in draaien, waar Wauwel een buitenkraantje aan het monteren is. Volksoploop, want zaterdagmiddag en alle andere buurtbewoners zijn al lang uitgeklust en dus wel in the mood voor een verzetje als een brandend pand. Ik ben inmiddels zó witheet, dat een soldeerbrander haast niet meer nodig is.
Op de een of andere manier wordt de vlam plots normaal en kan ik mij uitleven op de aansluiting, die enigszins scheef en uit het lood uiteindelijk muurvast blijft zitten, in stand gehouden door dikke klodders extra soldeer.  Het gebruikte gereedschap, wat inmiddels is uitgegegroeid tot een aardige stapel, zal nog enkele weken door het huis blijven slingeren op hinderlijk zichtbare plaatsen, en geleidelijk traptree voor traptree weer naar de berging verhuizen, om daar ogenblikkelijk zoek te raken voor een volgend gebruik.  Volgende keer maar een vakman bellen.