Per seconde dommer

Al ongeveer sinds het ontstaan der mensheid draait op de televisie, het medium wat zoveel weldaad maar in toenemende mate zoveel treurigheid over ons uitstort, de quiz “Per seconde wijzer”.  Een intelligent programma met lastige vragen, en de allerlastigste kunnen worden opgezocht. Vroegâh in een degelijke encyclopedie, tegenwoordig natuurlijk vooral op Google. Daarna klinkt het belletje: gevonden! Een prijs van een paar duizend euro als beloning. Daar trek je geen miljoenen kijkers meer mee, want we willen tegenwoordig weer brood ende spelen, zoiets doet het beter bij de massa, die steeds meer massa begint te worden.

Google is stukken van onze hersenen aan het vervangen. We zoeken pas iets op op het moment dat we het nodig hebben, en dan luiden we het belletje. Daarna slaan we die gevonden informatie niet meer op, maar drukken gewoon weer op delete. Tijd is geld. Stop een doorsnee student in Maastricht in een auto, en geef hem opdracht om naar Groningen te rijden. Wanneer de Tomtom ( een nieuw zelfstandig naamwoord ) uitvalt, zal hij of zij mogelijk eindigen in Parijs. Met het uitvallen van de nieuwe media valt onze hersencapaciteit uit. Wanneer Facebook of Hyves door een storing plat liggen, zijn we 500 of meer vrienden kwijt. Eenzaam en verloren. Wat nu?

De mens stamt af van de aap tot de Neanderthaler, of van Adam en Eva, of welke religie of overtuiging wij maar aanhangen, en evolueert in een opgaande lijn qua lengte en kennis. Die kennis krijgen wij op allerlei manieren aangeboden. Een puber krijgt nu op één dag meer informatie te verwerken dan een Middeleeuwer gedurende zijn hele leven; zoiets kan natuurlijk niet altijd goed gaan. Plaats een kind in een kamer tot aan de nok toe gevuld met snoep en het eet zich ongetwijfeld misselijk. Ga je gang. Eet maar, vreet maar. En dat doen we dus ook. De maatschappij is de kamer, wij zijn de kinderen, en het snoep is de wereld om ons heen. Wij graaien zoveel mogelijk bij elkaar, proppen het in onze zakken, rukken verpakkingen half open, nemen overal een hap van en smijten de rest weg, want er is zoveel meer. Wat we niet lusten, spugen we uit. Meer, meer, steeds groter, steeds extremer, want niet genoeg. De kater komt morgen.

Grenzen dienen overschreden te worden, want anders worden we belemmerd in onze ontwikkeling. Regels, dat is iets voor oude mensen. Alles mag, alles kan, alles móet kunnen. Grenzen verleggen. Kennis vergroten.  We kijken met honderdduizenden naar talentenjachten waarin men kok, zanger of musicalster gaat worden. We genieten via infrarood van een programma waarin wildvreemden in een stikdonkere kamer aan elkaar gaan graaien om vervolgens een stel voor het leven te vormen. We schateren mee om puistige pubers, die door een “vakkundige jury” waarin lieden als Gordon zitten, tot de grond toe worden afgefakkeld omdat ze hun uiterlijk en mimiek nog niet mee hebben. Gaat het slachtoffer in kwestie vervolgens publiekelijk zijn beklag doen, dan wacht hem een boete van John de Mol.  We juichen wanneer kandidaten om een geldprijs levende maden verorberen of een wildvreemde een minuut lang vol in de mond zoenen terwijl die een groot stuk schuurpapier aan het gezicht bevestigd heeft.

We gaan de weg op met een honkbalknuppel, een riek of een pistool op de achterbank, en we gaan vól op de rem wanneer een ander te dicht achter ons zit of wanneer we een kist met geld over het asfalt zien waaien. Kwetsen is de nieuwe norm, het korte lontje vormt het nieuwe karakter. We graaien waar we kunnen: op Google, bij elkaar, van elkaar , uit de geldpot, in de kamer gevuld met snoep. Zo zappen we onze dagen door.

In de Volkskrant stond vandaag een artikel over iemand die een nieuwe draai aan zijn carrière had gegeven door loopbaancoach te worden. Nu was ik in mijn huidige werkkring een tijdje ICT-coach, en dat stond ook op mijn twitter-account vermeld. Prompt werd ik gevolgd door een leger coaches, die blijkbaar allemaal hoopten een draai aan mijn loopbaan te geven of een collega te treffen. De nood in coach-land moet hoog zijn. In het boekje “Bullshit Management” las ik dat de ene heft van Nederland door de andere helft van Nederland wordt geadviseerd hoe zich te gedragen, voor een flink honorarium uiteraard.

De loopbaancoach in kwestie organiseert nu “bezinningsreizen” voor mensen ( managers ) die geen voldoening meer vinden in hun werk. Deze slachtoffers kunnen een 9-daagse reis boeken naar Ethiopië, a raison van maar liefst 3000 euro. Doel is om daar tot verhelderende inzichten te komen, te relativeren en – eenmaal thuisgekomen – mogelijk alle luxe overboord te gooien of juist nog meer luxe aan te schaffen, alles in elk geval met nieuw elan.

Negen dagen, 3000 euro, daar kun je jezelf toch goed van fêteren, zeker in een land als Ethiopië, waar het grootste deel van de bevolking ver onder de armoedegrens leeft. De loopbaancoach verdedigt zijn business door te stellen dat men niet naar zielige en arme mensen gaat kijken, maar dat men wel leert dat je ook met minder tevreden kunt zijn. Nu weet ik nog wel meer mensen die aan bezinning toe zijn, maar gezien hun financiële positie zal dat vermoedelijk bij een weekendje op de camping in Bakkum blijven.  Die vormen voor de loopbaancoaches natuurlijk geen interessante -lees lucratieve- markt.

Misschien moeten we allemaal maar eens een tijdje op bezinning, gewoon bij onszelf, in de achtertuin of op het balkon. Even de tijd stop zetten in de Per seconde wijzer quiz.  Echt eens even na gaan denken. Over waar we mee bezig zijn. Ons onderwijs bijvoorbeeld. Men zoekt voortdurend naar nieuwe uitdagingen, naar vernieuwingen, verbeteringen. Ik sprak laatst een collega Nederlands in den lande die notulen van een teamvergadering gevonden had. In anderhalf kantje stonden 52 taalfouten…
Onze regering maakt zich zorgen over de kwaliteit van ons onderwijs, de peiler waar onze maatschappij op rust. Het niveau van Nederlands en rekenen moet dringend omhoog. Kwalificerende toetsen op de computer. Zo stond ik dus in het onlangs weer begonnen schooljaar met een klas van 33 MBO-pubers in een ruimte waar 17 stokoude pc’s en tafeltjes gereed stonden. Geen bord, geen bureau. Ernstig verlangend naar een luchtverversingssysteem waarin ook een Ritalin-vernevelaar was geïntegreerd. Ik neem het mijn school niet kwalijk, want tegelijk met de kwaliteitsverbetering moet er in het onderwijs ook bezuinigd worden, en bijvoorbeeld de aanschaf van de JSF’s, de steun van de grote banken en bedrijven moet toch ergens uit bekostigd worden. Dus halen we dat geld weg bij onderwijs, chronisch zieken, bij zorg, bij cultuur en bij minder draagkrachtigen, bij hen bij wie een staking geen economisch effect heeft. In het onderwijs wordt niet gestaakt, in de zorg niet, en mensen zonder baan of in de WAO en AOW staken ook niet.

We voeren mensen als Wilders en bieden de ontevredenheid, het korte lontje, het kwetsen als norm, de totale geestelijke en intellectuele armoede en daardoor de tweedeling in de wereld een steeds breder platform.

We worden per seconde dommer, lijkt het wel. “Dat is typisch een opmerking voor een ouwe lul”, zullen sommigen denken. En wanneer ik het had gehad over een “oude penis” was ik helemaal voor gek versleten. Wie zegt nou zoiets. Dat hoort niet, in deze tijd.

Per seconde dommer. Dat is natuurlijk niet zo. Die hersencapaciteit wordt echt niet minder. We zetten hem alleen verkeerd in. En dat levert foute antwoorden op. Dat kost ons de overwinning. Wat meer tijd nemen dus, weer eens even goed nadenken over onze antwoorden op de volgende lastige vraag in Per Seconde Wijzer: “Komt het allemaal nog goed?”

 

Lesgeven anno 2011

De onderwijsgemoederen in de media zijn afgelopen week weer danig verhit, onder andere door diverse nieuwe plannen -waarbij de bedenkers op voorhand niet meer over “Vernieuwing” durven te spreken-  en een ingezonden  stuk van collega Anneke Wijma in de Volkskrant, met als titel: “Je moet wel gek zijn om in het voortgezet onderwijs te werken”. Geheel in stijl met de moderne “student” jat ik het even integraal over en plaats ik het hier in dit blogje. Voor hen die nieuwsgierig zijn naar alle reacties: hier is het ook nog eens te lezen, mèt reacties, maar doe dat straks even, want anders komt u hier niet meer terug en dat is ook zo wat.  Verderop in mijn verhaaltje nog wat meer plagiaat trouwens, moet allemaal kunnen tegenwoordig.

Het stuk in kwestie:

U werkt met dertig mensen in een ruimte van amper 10 bij 10 vierkante meter. Zonder adequate zonwering of ventilatie. Onderzoek heeft uitgewezen dat de lucht in uw werkruimte een ongezond gehalte aan micro-organismen, allergenen en fijnstof bevat. U hebt geen eigen bureau of kast en geen eigen computer. In de pauzes probeert u enige tijd vrij te maken om met uw collega’s op een kluitje in de personeelsruimte uw boterhammen weg te werken. De meest uitdagende decoratie in deze ruimte is het prikbord. De theeglazen hebben minstens tienduizend maal het vaatwasprogramma doorlopen en de lepeltjes zijn zo dof als uw beroepsomgeving zelf.

Zuinigheid
Als u dit herkent, is de kans zeer groot, ja is het vrijwel zeker dat u docent bent aan een instelling voor voortgezet onderwijs. Uw salaris ligt ruim onder dat van een vergelijkbare positie in het bedrijfsleven. Het begrip bonus is u onbekend. Zuinigheid is het credo in uw beroep. U leeft immers van belastinggeld. Dat wordt u bij herhaling op niet mis te verstane wijze ingepeperd. Het mooie van uw beroep, de zomervakantie, wordt u maatschappijbreed misgund. Hoewel u die vakantie al dubbel en dwars door uw lage salaris heeft vereffend.

U hebt nauwelijks carrièremogelijkheden. Uw beroep heeft weinig maatschappelijke status. Uw directie vraagt daarentegen veel van u. Termen als commitment, empathie, differentiatie en competentie vliegen u om de oren. U moet handelingsplannen schrijven, leerlinginformatieformulieren invullen en u suf vergaderen in kernteams, vakgroepen, werkgroepen, zorggroepen en noem-maar-opgroepen. En u weet dat het geld- en tijdverspilling is.

De middelen om problemen adequaat op te lossen ontbreken immers, dus worden de belangrijke agendapunten hardnekkig doorgeschoven naar een volgende bijeenkomst. De schoolleiding trekt zich met regelmaat terug voor brainstormsessies in comfortabele onderkomens. Daar komen dan de meest ondoordachte ideetjes vandaan die u vervolgens zonder enige facilitering mag uitvoeren. En waar u, ja u alleen, op afgerekend wordt. Dit alles moet de indruk wekken dat bestuur, directie en teamleiders ernst maken met de kwaliteit van de school. Het is echter slechts papier, nodig voor het bezoek van de inspectie en nuttig voor het cv en persoonlijk ontwikkelingsplan van uw leidinggevenden.

Universitair
In de toekomst mag u alleen nog lesgeven met een masterdiploma. Het is de nieuwste oplossing die voor het onderwijsprobleem in Nederland bedacht is. Welke onderbouwing ervoor is, Joost mag het weten. Wellicht zal een universitair opgeleide zich beter staande weten te houden in een omgeving waarin hij dagelijks geconfronteerd wordt met adhd, add, dyslexie, dyscalculie, asperger, pdd-nos, autisme en faalangst. Met slachtoffers van ruziënde ouders, ziekten, mishandeling en pesten.

Wellicht is het geen kapitaalvernietiging als een jonge academicus zich met zijn dure, door de belastingbetaler gefinancierde opleiding opsluit binnen de muren van een schoolgebouw, zonder wetenschappelijke uitdaging, zonder toekomstperspectief en zonder maatschappelijk respect voor zijn functie.

De ene na de andere onderwijsvernieuwing krijgt u voor de kiezen. Tweede Fase, basisvorming, vmbo, competentiegericht leren, het nieuwe leren, het actieve leren, het interactieve leren, het studiehuis. Het ‘Beter presteren’ mag u binnenkort gaan uitvoeren. De jongens- en meisjesklassen liggen op de loer. Onderwijsgoeroes schrijven voor elke vernieuwing duizenden pagina’s vol over het grote belang van hun eigen visie, hun eigen ideale toekomstbeeldje.

Onderwijsadviesbureaus overspoelen u met pedagogische en psychologische testen. Wetenschappelijk onderbouwde onderzoeken laten al deze lieden echter nooit zien. Recente onderzoeken naar de ontwikkeling van het puberbrein willen zij niet kennen.

Tegenargument
In onderwijsland gaat het er immers enkel om zo fanatiek mogelijk een mening uit te dragen, geen tegenargument te dulden en je opponent weg te honen. ‘Wie niet voor mij is, is tegen de leerling’, lijkt hun adagium te zijn. Het veld mort en slikt. U, die kinderen moet leren mondig te zijn, mag uw mond niet opendoen. U, die leerlingen vol idealisme voorhoudt niet in hokjes te denken, wordt bij uw eigen voorzichtige tegenargumenten zonder pardon in het hok van de vastgeroeste, non-coöperatieve mopperkont geworpen.

Hopelijk hebt u van uw vakantie genoten. Hebt u zin om weer aan de slag te gaan met die klassen van dertig opgroeiende jongeren. Die zo onweerstaanbaar lief zijn en u tegelijkertijd het bloed onder de nagels vandaan kunnen halen. Hopelijk mag u nog lesgeven en bent u niet gedegradeerd tot opzichter in de computerruimte, waar uw leerlingen hun kennis van internet halen. Hopelijk weet u hen uit te dagen tot topprestaties, weet u hen de tranen uit hun ogen te laten lachen om aan het eind van uw lesdag met een goed gevoel en een tas vol nakijkwerk naar huis te gaan. Een goed schooljaar gewenst!

Anneke Wijma

Wijma wordt nogal aangevallen. Het stukje hiernaast is een afdruk van een ingezonden brief van iemand uit Amsterdam naar aanleiding van haar betoog, waarin ons als docenten weer verweten wordt in onze klagerige slachtofferrol te kruipen en likkebaardend vanuit de luie stoel naar het bedrijfsleven te loensen.

In de eerste zin staat echter m.i. gelijk een cruciale fout: niet de leraren, de beroepsbeoefenaars, maken hun beroep met de grond gelijk, maar juist zij die vanuit hun eigen optiek, vèr verheven boven en verwijderd van de werkvloer, telkens weer menen te moeten bepalen hoe er op die werkvloer gewerkt moet worden. Ik doel hier op grote aantallen onderwijsadviesbureau’s die voor astronomische bedragen geld wegzuigen, geld wat voor eigenlijk onderwijs bedoeld zou moeten zijn. Ik doel op ministers en hun ambtenaren in Den Haag, wiens enige drijfveer het bezuinigen on onderwijskosten is.
Alsof je de fundamenten van je woonhuis probeert te vervangen door papier-maché, omdat dat voordeliger is. Ik doel helaas ook op sommige geledingen binnen het management van scholen, een management wat steeds meer de proporties van een waterhoofd aanneemt en niet gehinderd door enig inlevingsgevoel de ene na de andere onderwijsvernieuwing of bezuiniging doorvoert, om zo de inspectie maar tevreden te stellen met overtuigende cijfertjes. Goede uitzonderingen natuurlijk daar gelaten. De docent, èn de leerling, zijn op veel scholen verworden tot cijfertjes, die een kloppende som moeten opleveren. Alleen dát resultaat lijkt te tellen.

De briefschrijver hiernaast zou juist verwonderd moeten zijn over het feit dat wij docenten ondanks alles toch maar doorgaan, ook al hebben wij nog zo veel ( al dan niet terecht ) te klagen. Wij stellen namelijk altijd nog ons beroep centraal, en dat is het overbrengen van kennis aan jonge mensen die nodig hebben. Wáár in het bedrijfsleven draait men zoveel onbetaalde overuren? Als elke docent zijn extra uren, ook in de steeds korter wordende vakanties zou declareren, dan zou de firma onderwijs binnen no time failliet zijn. Ze klagen ook ja, maar daar blijft het eigenlijk wel bij. Ze mopperen nauwelijks over hun salaris. . Ze zeuren niet over het feit dat ze dat bedrag grotendeels op moeten souperen wanneer ze- uitsluitend in het hoogseizoen tegen exorbitante prijzen op vakantie kunnen, waar iemand in het bedrijfsleven op elke ander moment dat voor een fractie van het bedrag zou kunnen doen. Ze laten zich meewarig uitlachen op feesten en partijen. Alle onderwijsveranderingen door de jaren heen hebben ze uiteindelijk, al dan niet met frisse tegenzin, opgepakt en geprobeerd er het beste van te maken om zo de leerlingen zo effectief mogelijk van dienst te kunnen zijn. Ze vullen braaf hun 360 graden-feedbackformulieren in, hun POP-gepsprekken, hun PAP-gesprekken. Vaak tegen beter weten in. Kom daar elders eens om.

Docenten zijn eigenlijk een heel volgzaam volkje, idealer personeel zou je je als werkgever niet kunnen wensen. Ze staken nooit, ze willen de leerlingen nooit de dupe laten worden, en ze voelen zich in het algemeen innig tevreden wanneer ze zich eenmaal met de kern van hun beroep, het lesgeven, kunnen bezighouden. Voor en in de klas hebben ze plezier in hun werk. Werk dat bijvoorbeeld ook steeds meer opvoeden begint te lijken, een taak die de eigenlijke opvoeders steeds meer achterwege laten. Nee, we doen het allemaal. We morren, we klagen, maar we doen het.

Daarom gaan we niet weg.  We zijn een beetje verslaafd aan ons vak. We kicken lastig af, ook al doet men elders nóg zo z’n best. We praten er op Twitter en op andere social Media ongeveer 24 uur per dag over. We houden er blijkbaar van. Onderwijs is nog steeds een prachtig vak. En ja, je moet er inderdaad wèl een beetje gek voor zijn. Anders red je het inderdaad niet. Laat ons dan in elk geval prettig gestoord blijven, en gun ons ons geklaag op z’n tijd, of onze galgenhumor, zoals uit onderstaand hilarisch ingezonden stukje eerder dit jaar blijkt:

Ik ben werkzaam als docent in het MBO. Ik begrijp niet hoe men kan zeggen dat de kwaliteit van docenten alsmaar minder wordt.
Vroeger gaf ik gewoon les. Tegenwoordig ga ik als professional naar het primaire proces, teneinde de door het College van Bestuur en de Sectordirecteur geformuleerde deoelstellingen en targets te realiseren, daarbij rekening houdend met de middelen en tools vastgelegd in het vigerende teamplan, waarbij de focus, binnen de gestelde kaders, gericht dient te zijn op de realisatie en de optimalisatie van de output, zodat er benchmarktechnisch gesproken een win-winsituatie ontstaat tussen enerzijds de leerling en anderzijds het instituut.
Geweldig toch?

H. A.

De naam en locatie van de schrijver heb ik even weggelaten. Niet om zelf met de eer te strijken maar in oude tijden en ook nieuwe tijden wordt de brenger van slecht of – in dit geval – kritisch nieuws niet altijd gewaardeerd door de machten die over hem gesteld zijn. Mocht de auteur mijn blogje lezen : ik zet hem er graag bij, want hij geeft precies aan waar het tegenwoordig in het onderwijs om lijkt te draaien.

Het ultieme genot

Er knippert al de hele tijd een dreigend geel lampje, nadat eerst waarschuwend gezoem heeft geklonken. Ook elders op de contraptie op mijn bureau gloeien lichten op, nadat ik zojuist mijn eerste dure Clean en Renew Cartridge in het apparaat heb geschoven. “Highly Flammable”, staat op de verpakking. “Sonic technology!” juicht een ander deel mij toe. Ik ben niet bezig met het bouwen van een tijdbom of zo. Insiders ( mannen ) weten het al: dit is mijn nieuwe scheerapparaat. Jarenlang was dat een Philips, zo eentje met drie koppen, die de hinderlijke haartjes moeiteloos verwijdert. Stekker in het stopcontact, paar minuutjes heen en weer raggen en klaar. In mijn herinnering heeft mijn vader zich ook al zijn hele leven met zo’n ding geschoren, en na afloop een deppertje met Fresh Up aftershave, voor een paar gulden altijd het ideale Sinterklaas- ,  vaderdag- of verjaardagscadeautje wat je als kind aan je pappa kon geven. Een zelfgekleide en met plakkaatverf beschilderde asbak deed het ook altijd goed, maar zoiets is nu uit pedagogische overwegingen natuurlijk niet meer mogelijk, en Fresh Up zal ook al lang niet meer bestaan. Die goedkope maar o zo heerlijke geur van Fresh Up, heel soms afgewisseld door Tabac, dat was je vader: een gevoel van veiligheid en geborgenheid en op schoot zitten.

Die tijden van weleer, die eenvoud, de maatschappij biedt er haast geen mogelijkheid meer toe. Voor een bedrag wat voor mijn vader in de hoogte van een maandsalaris moet hebben gelegen, heb ik de ultieme scheersensatie van Braun in huis gehaald. Mijn oude Philips kreeg steeds meer de onhebbelijke gewoonte de haren met wortel en tak èn brokken kin uit te rukken, en om nou weer € 43 te moeten besteden aan drie nieuwe scheerkoppen die anderhalf jaar mee gaan, nou nee. Wie mij een beetje kent weet dat ik dan weer geen grenzen ken en dat ter vervanging iets high-tech-achtigs moet komen, liefst met touchscreen en twittermogelijkheid. Dat laatste lukt nog niet, maar het zit er ongetwijfeld aan te komen, want we hebben ook al twitterende auto’s en koelkasten.

Maar hoe gaat zo iets. In mijn hebberigheid heb ik dus nu een toestel wat al een kwartier in een speciale schoonmaakhouder staat te knipperen – na één keer scheren direct na het uitpakken gisteren – en wat kostbare reinigingsvloeistof gebruikt, die na 8 weken vervangen moet worden. En over 6 miljoen haartjes moet ik al de folie en het scheerblad vervangen, zo waarschuwt de handleiding mij.  Die reclame, waar scheerapparaten begeleid door pompeuze muziek als ruimteschepen door een oneindig heelal zweven, moet toch ergens van betaald worden. Waar zijn we eigenlijk mee bezig. Was ik maar barbaar, kon ik vanonder mijn borstelige wenkbrauwen, peinzend kriebelend in mijn zware baard maar onbevangen naar mijn zwaar behaarde en bebaarde vrouw en drie dochters kijken, die – in werkelijkheid zijdezacht glad en haarloos – overal hun  Epilady’s en andere haarmartelwerktuigen laten rondslingeren.

Ah! Het waarschuwingslampje is uit, er brandt nu een vredig blauw lichtje, ten teken dat ik na 32 minuten wachten kan beginnen met scheren.  Zo heeft zo’n reinigingscyclus toch nog nut: anders was dit blogje nooit geschreven. Het ultieme scheergenot kan beginnen.

Tijd

Een leuk vakantiekiekje zo op het eerste gezicht. Wauwel ( in opzichtig blauw overhemd ), na zware longontsteking toch nog voldoende opgeknapt om de laatste vakantieweek nog even richting buitenland af te reizen, staand op een balkon en uitkijkend over een groot sportveld. Een vakantie moet in mijn optiek altijd meer zijn dan amechtig liggend in een strandstoel je zelf all inclusive vol proppen, waarbij je ook nog eens niet je plek durft te verlaten omdat dan een of andere dronken Rus of Duitser je zetel in pikt.  Strand is leuk, maar voor één dag. In het onderwijs heb je – in de ogen van de buitenstaander – nog steeds riant lange vakanties, hoewel ook daar ernstig op bezuinigd wordt. Naar Duitsland en Oostenrijk dus, daarbij enigszins gehinderd door het feit dat ega bij het wegrijden tot de ontdekking kwam dat haar rijbeijs reeds ruim een half jaar verlopen was. Dat werd dus alleen rijden, van Bau-arbeiten naar Stau naar Unfallsstelle naar Bau-arbeiten, om tenslotte bij de eerste stop in Neurenberg uit te komen, voor 95 % in de oorlog platgegooid, maar weer helemaal hersteld. Een mooie stad, met heel veel torens en kastelen en kerken, hoewel je in feite door een soort uitvergroot themapark loopt, want vrijwel niets is nog origineel. Het zou ook ergens in China nagebouwd kunnen zijn. De tijd heelt echter de meeste wonden

Ik heb iets met tijd en met verleden. Melancholie ligt altijd op de loer. Wat dat betreft, is Duitsland een ideale vakantiebestemming. Voor wie er gevoelig voor is, klinkt overal de echo van de tijd door, en zie je sporen van het duistere verleden, tot – recent – de restanten van de Muur aan toe. Lezers die nog enige fatsoenlijke opleiding waarin geschiedenis werd gegeven,  hebben genoten, herkennen natuurlijk de plek waar schrijver dezes zich bevindt: de tribune van het Zeppelinveld op het voormalig Reichsparteitag-gelände. Vanaf dit balkon brulde Hitler de hysterische menigte toe, uitkijkend over duizenden fakkels en de kathedraal van licht die werd gevormd door de stralen van een groot aantal zoeklichten, als een waarschuwing aan ieder in de nacht die volgen zou.
Vlak naast dit veld staat nu een groot voetbalstadion en – heel unheimisch – daaruit klonk tijdens vermoedelijk een luidsprekertest massaal traag gezang. ’t Zal ongetwijfeld een of ander clublied zijn geweest in de trend van “FC Nurnberg gaat nooit verloren”, maar op deze plek kreeg het de proporties van een of ander Nazi-lied, wat vroeger de menigtes in vervoering en extase bracht. Het versterkte de indruk die deze plek gaf. Hier was het dus allemaal begonnen. Op deze plek waar nu langs de tribune een soort autoracebaan was gebouwd, en waar nog geregeld grote manifestaties werden gehouden.
Achter mij ploeterde een Nederlandse vader met zijn zoontje in de hitte de tribune op. Het was “Führerweer”. Stralend en heet. “Ik wil kijken of ik nog ergens een steentje van deze tribune los kan krijgen”, verkondigde de man, “voor in de verzameling.” Dergelijke plekken trekken nogal eens neo-nazi achtige types aan. Ooit zag ik bij de restanten van Hitlers Berghof een groepje van dat soort, een Duitse oorlogsvlag uitspreidend, snel op de foto en dan weer weg. Geen haan die daar naar kraaide, maar je lokt het ook wel uit als je dat soort plekken met duidelijke bewegwijzering en grote borden aan gaat kondigen.
Deze man bleek echter bij een groep enthousiastelingen te horen die oude legervoertuigen rijdend hield, en daarbij was ook een soort museum. Straks dus in de aandachtig in elkaar geknutselde vitrine  weer een nieuw pronkstuk: “Onderdeel van het Reichsparteitag-Gelände. Niet aanraken s.v.p.”.  Veel van Hitlers pompeuze bouwwerken waren bedoeld om het duizend jaar uit te houden, en ik schat dat die tijd ook nodig is vóórdat ook deze uiting van grootheidswaanzin door de verzamelwoede van eigenaren van kleine oorlogsmuseumpjes is opgeconsumeerd. Armando schrijft over “schuldige landschappen”, wanneer hij het over dit soort plaatsen heeft. Een treffende vergelijking.

Nu is mijn  vrouw niet zo van mijn dweperij met alles wat met de Tweede Wereldoorlog te maken heeft, dus we wandelden verder. Het leven bestaat uit het voortdurend sluiten van compromissen. Een eindje verderop, met toch weer mooi uitzicht op de nooit afgebouwde congreshal, bedoeld voor  50.000 griezels, stond een Imbiss, met – natuurlijk  – Bratwurst in de aanbieding. Een vriendelijke dikke uitbater ( als kind vroeg ik me altijd of of die soms ook een Nazi was geweest ). Broodje worst, bekertje koffie, voor € 3.  Joggers, moeders met kinderwagens, eendjes in de vijver, een vredig onschuldig tafereel in een schuldig landschap.

In de middag toch nog naar een ander schuldig landschap. Een groot, typisch Duits gebouw, vlaggen, en zaal 600. Hier eindigde na zo’n 12 jaar wat een paar kilometer verderop en 1000 jaar geleden begon. Het Duizendjarige Rijk, ingehaald en afgebroken door de tijd, op wat pompeuze restanten en brokjes steen in een lokaal oorlogsmuseum na. De rechtszaal is bijna onveranderd gebleven, de getuigenbankjes staan er nog. “Nicht schuldig!”, hoor je snauwen.  In het gebouw een indrukwekkend museum. En dan, weer eenmaal buiten, weer eens soortgelijke griezelige ervaring als die ochtend, waar ik op het Zeppelinveld in de verte een gezang uit duizenden kelen hoorde schallen. Ditmaal vliegt laag over de stad, zwaar ronkend, een gerestaureerd transportvliegtuig uit de Tweede Wereldoorlog: een Junkers 52, waaruit de Duitse parachutisten boven Nederland sprongen, en waarmee Hitler zich door zijn eindige rjik liet vervoeren. Haast een soort waarschuwing, want eigenlijk lijkt de tijd niets te veranderen. We hebben opnieuw hordes ontevreden lieden in Europa, en we hebben opnieuw griezels naar wie aandachtig geluisterd wordt.  Hoe dit afloopt, de tijd zal het leren.

Welcome to nowhere, deel 2

Dit was een rare week. Opnieuw zit ik in de bus die mij lijkt te leiden naar het einde van de wereld. Hetzelfde weer: grijze watten, die deze dag eind juni doen linken op zo’n onbestemde, afwachtende dag ergens begin november, wanneer het geen herfst meer is maar ook nog geen winter.

Finland is een land als alle andere noordelijke landen, alleen lijken hier de bewoners op veel plekken te ontbreken. Toeristische plekjes, jachthaventjes, de poolcirkel; het is er uitgestorven. Hier en daar een camper op een vlakte langs een winderig grijs meer; het is tenslotte zomer. Op de rotondes in de plaatsjes die de bus passeert, meestal een standbeeld zoals je die op een plein ergens in een mijnstad in Kazachstan zou verwachten, of ergens in de kolenstreken van Noordoost China.

Het is een graad of elf. De taxichauffeur die mij van het ziekenhuis naar het busstation bracht, vertelde dat men dit heel redelijk vond.

Het ziekenhuis. Afgelopen maandag, na de eerste dag van een cursus die met Europees geld om toch wel plausibele redenen in een der meest afgelegen uithoeken van het noordelijk halfrond werd gehouden, was ik rillerig in bed gekropen, in een kamer die maar niet donker wilde worden en waar de middernachtzon de schitteringen van de rivier op de muur weerkaatste. Ademhalen werd een opgave van jewelste, messen leken in mijn longen te steken. Niet geslapen natuurlijk, de derde nacht op rij.

De volgende dag, de cursus maar even verzuimd, een wandelingetje als van een bejaarde. Naar het dorp, wat leek te bestaan uit twee winkels,een hotel, een enorm Lappen-museum ( de Lappen worden trouwens ook ‘Sami’ genoemd ) – een nog veel groter exemplaar was een eindje verderop in aanbouw – en wat huizen. Af en toe passeerde een auto,verder niets dan stilte en ruisende wind. Stralend weer, dat wel, maar zoals op een mooie winterdag. Hoogzomer in Lapland. De wandeling werd kort, onderbroken door aanvallen van paartjes stormmeeuwen die met schrille kreten de boze indringer poogden de verjagen. Het jong dobberde op de rivier, en ik zag in mij al een moordlustige vogelhater die kleine lieve donsballetjes de verdrinkingsdood injoeg.

De grond werd steeds zompiger; op plaatjes van de streek had ik ook al beren gezien, dus een gruwelijk einde ontrolde zich voor mijn geestesoog. Duizelig terug gestrompeld naar het dorp, even kijken in de souvenir-winkel: messen om een olifant mee te slachten, mutsen, pantoffels en heel veel sauna-benodigdheden, buijvoorbeeld een stuk gewei on je op je rug te krabben.

’s Avonds hoge koorts, een volledig op hol geslagen hartritme en wat ongeruste collega’s belden de dokter, die – net als in Nederland – liet weten dat ik maar naar de hulppost in de dichtstbijzijnd gelegen plaats moest komen, in dit geval Ivalo, zo’n 40 km verderop. Daar bevond zich een hospitaalje, waar een dokter na enige tijd een heel verhaal in het Fins tegen mij af begon te steken, tot het doordrong dat ik daar niet echt vloeiend in was. Over op Engels dus, een vaardigheid die de aanwezige zusters helaas nauwelijks beheersten. Het schijnt in Finland ook al niet goed met Nokia te gaan, trouwens.  Hartfilmpjes, infusen, hoge koorts en na een uur ook zuurstof. Men wilde mij wel houden eigenlijk, en echt tegenstribbelen kun je op zo’n moment niet. Om het piepen van de hartmonitor uit te schakelen, moest de zuster de gebruiksaanwijzing raadplegen, en het kastje werd voor een raam gereden zodat men voor mij een soort intensive care creëerde zodat ik in de gaten gehouden kon worden vanuit het zusterkamertje er naast. Een nacht gekoppeld aan slangen en buizen, en eeuwig daglicht alom, dat betekende dus wéér niet slapen. Men komt ook niet even snel over vanuit huis om de kwijnende patient de hand vast te houden. Barneveld-Inari, 2848 km, zegt Google Maps,  33 uur rijden, vertrek in noordelijkwestelijke richting vanaf de Verlooplaan. Hypochonder als ik ben, maakt ik mij al druk over het uiterlijk  en het vervoer van de kist naar Nederland.

De volgende dag en diverse aderlatingen verder, was het hart weer tot rust gekomen en de koorts wat gezakt. Men vermoedde een longontsteking, maar de infectiewaarden in het bloed bleven maar stijgen. Ik kreeg mijn eerste bord Finse pap. Er zouden er vele volgen ( en weer onaangeroerd teruggebracht worden naar de keuken ). Verder: brood ( een sneetje gewoon en een sneetje zuur ), thee, toetje ( consequent iets drillerigs wat er op het oog eerst best wel smakelijk uitzag ) en dat op vreemdsoortige tijdstippen.  En natuurlijk voortdurend twee infusen. Wil je die pap niet goedschiks, dan maar kwaadschiks, en injecteren we de zooi rechtstreeks in je aderen. De conversatie met de zusters bestond uit “Yes”en “No”. Aan het ein de van de middag mocht ik de “intensive care” verlaten en kreeg ik een andere kamer, die ik – o blijdschap – mocht delen met twee stokoude Finnen, waarvan er eentje volgens mij al enkele weken gebitloos en morsdood in bed leek te liggen, met lege ogen en wijd open mond starend naar het plafond. Ik hoefde mij niet te verheugen op een boeiende conversatie in vloeiend Engels  over alle aspecten van de Finse samenleving en de gezondheidszorg in het bijzonder, en ook het woord “pap” zou in het Fins ongetwijfeld een halve bladzijde in beslag nemen. Wie op tv een Fins ondertitelde film kijkt, heeft volgens mij alleen nog de bovenkant van het scherm voor het eigenlijke beeld ter beschikking. En er wàs tv op de kamer. De iets minder dode maar stokdove kamergenoot vond het hoog tijd om het apparaat in te schakelen om zo een bijdrage te leveren aan mijn stekende hoofdpijn.

Op dag drie was er gelegenheid tot ontsnapping, doordat ik met mijn infuusstaketsels nu wat mocht rondwandelen. Naar huis was uitgesloten, men dacht nu aan een longembolie en tot overmaat van ramp belde de Alarmcentrale vanuit Nederland. een ernstig persoon informeerde dringend naar mijn gezondheid. Dan gaat het dus echt niet goed met je.  Het ziekenhuisje leek geheel ingericht op de verzorging van dementerende bejaarden, en stelde een intrigerende verzameling foto’s aan de wand ten toon, waarvan er hier enkele te zien zijn. Er was een soort sanatorium-balkon, met achter glas uitzicht op een meer. Er waren overal schommelstoelen, er was een bejaarde die ’s ochtends voor de buis in de ‘ontspanningsruimte’ werd geposteerd, daar de hele dag kreten slaakte en die ’s avonds weer werd weggehaald. Schommelend bracht ik de middag op het sanatoriumbalkon door, om maar niet naar de kamer terug te hoeven, de pap stond naast mij koud te worden. Zo voelt het dus wanneer je honderd bent.
Nog meer dokters; een verademing, want even Engels kunnen spreken. De volgende morgen – vrijdag –  zou ik heel vroeg naar Rovaniemi, zo’n 350 km. verderop gebracht worden, want alleen daar kon men zeker constateren of ik wel of geen longembolie had. Vliegen was uitgesloten in dat geval. Minstens een extra week pap. Je zou sterk gaan geloven in wonderbare genezingen.
De zuster kwam. Het infuus werd vervangen, enge bloedstolsels die regelrecht je hersenen in zouden kunnen schieten. Bloedverdunning in de buik. Het doet geen zeer meneer.  Eindelijk douchen, de infuushand in plastic verpakt. Warm water als een hemels bad, waar je uren onder zou kunnen staan als je niet zo zwak was geweest.

Vrijdagmorgen, 4:30 uur. De enige zuster die nog een klein beetje Engels spreekt, brengt mij een ontbijtpakketje, nog één keer een infuus en wenst mij goede reis. Geen pap. Warmte doorstroomt  mij. Ik ploeter mij wankelend in mijn kleren, zie op tegen de lange rit. De rugzak lijkt 80 kilo te wegen. De taxi staat klaar, een busje met zowaar een bed er in, en een chaffeur die natuurlijk geen Engels spreekt. De reis verloopt knikkebollend, af en toe vertraagd door matineuze rendieren, maar toch word ik tijdig in het ziekenhuis in Rovaniemi afgeleverd, waar ik zal horen of ik nu wel of geen longembolie heb en waar men zeer voortvarend en vlot Engels sprekend met mij aan de slag gaat. Series prikken, foto’s, onderzoeken. Ik lig op de eerste hulp. Naast mij wordt een soort blazende en stomende walrus binnen gereden, de kleren worden van diens lijf geknipt en iemand met een lang leren voorschoot rolt een karretje vol dikke slangen achter het gordijn, waar nu vreselijke geluiden vandaan klinken. Er ligt iemand dood te gaan, lijkt het. Ik besluit de rest van mijn leven te vasten, nooit meer te snoepen, een lichaam als een jonge god te kweken.  Men draaft in en uit, gordijntjes vliegen open en dicht. Hier wordt gewerkt. Een jong zustertje rijdt mij met wapperende haren door de gangen heen en weer naar de röntgen-afdeling. Na een paar uur komt een dokter, een jonge Finse schone met zo’n strenge bril met zonder glazen lijkt het, die mij vertelt dat ik geen embolie heb maar slechts een zare longontsteking en dat ik morgen naar huis mag vliegen. Een paar uur later sta ik buiten, opnieuw te wachten op de bus, terug into the wild. eerst weer naar het noorden, maar levend en wel, en nog nooit zo verlangend naar huis als nu. We leven weer, ook al is het nog in the middle of nowhere.

En nog even een intrigerende foto uit de wandcollectie van het ziekenhuis in Ivalo. Je voelt je toch snel aangesproken…

Naschrift: Inmiddels ben ik weer thuis. Ik voel me geen honderd meer, maar tachtig. Het gaat dus beter, maar langzamer dan je zou willen. Alle tijd om straks te genieten van de vakantie en zo af en toe weer eens een blogje te schrijven. Ik kon het toch niet laten. Genoeg tijd gehad om heel veel na te denken over allerlei dingen in elk geval, en om diverse roeren rigoureus om te gooien. In een richting die heel aardig lijkt. Twitter heb ik niet gemist, ondanks dat je met een druk op de knop bijna 1000 volgers wist. Sporadisch zal ik er nog te vinden zijn, wanneer ik iets zinnigs te melden heb misschien. of ook wel onzinnig, maar toch misschien wel iets aardigs.

 

 

Welcome to nowhere, deel 1

Ik ben in Finland, om precies te zijn, in Rovaniemi, een plaatsje ergens vèr in het noorden van een land wat toch al zo noordelijk aandoet. Er zijn opvallend veel Finnen hier, waar de zaterdagavond om elf uur ’s avonds oogt als ware het drie uur op een november namiddag.  In Rovaniemi wil je niet oud worden , en al helemaal niet jong wezen. De Kerstman heeft er jaarlijks domicilie, en de luchthaven is geheel in stijl.  Mijn hotel kijkt uit op de meest noordelijke McDonalds ter wereld, een onooglijk pand waar de plaatselijke hangjeugd op de bijna langste avond van het jaar mistroostig voor zich uit staart achter een beker ijskoude cola met ijsblokjes, terwijl ik op de meest noordelijke french fries medium kauw. Even verderop in de straat, die oogt alsof de sneeuw nèt is weg gedooid, bevindt zich het Lordi-restaurant, waar ongeveer de allervreselijkste act ooit van het songfestival is geboren. Het restaurant is dienovereenkomstig ingericht, met doodshoofden en plastic botten aan de muur. Eet smakelijk. Donker wordt het niet, we zijn hier in het land  waar de zon niet of nauwelijks ondergaat, in de zomer dan.

Niet echt haute couture

De lucht is grauw bewolkt en een kille wind drijft temperaturen van 10 graden rechtstreeks van de pool. En ik moet nog noordelijker, veel noordelijker: vijfeneenhalf uur met de bus naar Inari, een gehucht van 500 inwoners in de buurt van de Russische grens, en ook niet al te ver van Moermansk. Er zijn weinig mensen op straat. Wat moet je hier ook. Rovaniemi lijkt naast de Mc Donalds en het Lordi restaurant te bestaan uit parkeergarages, communistische flatgebouwen en grimmig gesloten winkelcentra die zijn neergevallen in omgewoelde hopen aarde en betonnen platen. De stad is net zo grijs als de wolken, die ook al geen afwisseling vertonen. Er scharrelen veel Russen rond, bijna zonder uitzondering gekleed in foute trainingspakken en shirts met opzichtige opdruk. Slapen lukt niet, alweer niet. De jetlag van twee weken geleden is nog steeds niet verwerkt.

De volgende morgen is naargeestig en guur, en ik besluit tijdig naar het busstation te sjokken, want de bus rijdt maar twee keer per dag, en missen betekent nòg een nacht hier. “Nordkapp” geeft een bord boven het raam aan. Dat is nog te ontcijferen. Ik zoek een plekje. Uit de radio in de bus klinkt: “I put a spell on you”. Veel ouderen. De man van het echtpaar voor mij probeert de stoel in de slaapstand te zetten, wat niet lukt doordat ik ernstig tegenwicht bied met mijn knieën. Dat wordt opletten, want als ik gedurende de reis eenmaal opsta, kom ik nooit meer op mijn plek. We vertrekken. De reis into the wild is begonnen. 56 euro, richting het Lappenland, richting niets. Ik wil lijden, afzien, niet wetend dat dit later in de week ernstig bewaarheid gaat worden. Het land van beren, veelvraten , elanden en wolven lonkt.

We passeren het Santa Claus Village op de poolcirkel. Dan te bedenken dat ik twee weken geleden nog aan de tegenovergestelde kant in Australië zat. het dorp van de kerstman bestaat uit houten hutjes en snacktenten, en mag zich verheugen in het bezoek van enkele Finse gezinnen met kinderen. Je moet toch wat op je vrije zondag, dus ga je half juni maar eens het dorp van deKerstman bezoeken. We rijden verder, ik wacht nu vol smart op de eerste kuddes overstekende rendieren. Er zijn geregeld zijwegen, die allemaal naar iets lijken te leiden, maar waar het schaarse autoverkeer tóch afslaat. Ook zijn er lieden met een optimistische handelsgeest die hier en daar een nering in koffie, drank en vettige worstjes langs de weg hebben neergezet. De bus is gevuld met bejaarde en kouwelijke Australiërs die steeds meer truien en jassen aantrekken, terwijl de verwarming toch op vol vermogen lijkt te staan. Europa in drie weken. Ik deed Australië in twee dagen, en dat wreekt zich nog steeds. De temperatuur binnen doet denken aan een sauna.

Er is een verplichte stop van 45 minuten in Ivalo, een al even nietszeggende plaats als Rovaniemi. Verlaten parkeerplaatsen, hopen omgespitte aarde, hermetisch gesloten restaurants, een supermarkt die allerlei vliegvis-benodigdheden verkoopt aan dikke mannen in camouflagepakken met baseball-petten op en modderige pickup-trucks. De bejaarden schuifelen onrustig heen en weer. Zij worden nog verder gezeuld richting Noordkaap, waar ze vanavond rond tien uur zullen zijn om vervolgens per boot naar Bergen af te zakken.

De bus rijdt weer. De chauffeur luistert nu naar iets wat een hoorspel doet vermoeden. Een hoorspel in het Fins. We passeren een bord: Murmansk, 300 km. De laatste etappe nu naar Inari, een gehucht met 500 inwoners. Daar zal ik een week lang de bossen en de ruisende rivier aanschouwen.

Het gedenkwaardige vervolg met een onverwachte wending is hier

 

Wauwel revisited

Gezien het feit dat Wauwel afgelopen week in twee uiterst noordelijk gelegen Finse ziekenhuizen ongeveer aan de klauwen van de dood ( ik overdrijf maar een heel klein beetje ) is ontsnapt, én de vele verzoeken om toch alsjeblieft door te gaan met dit blog, moet ik dit als een teken van hogerhand zien om misschien toch het toetsenbord weer ter hand te nemen. Tijdens mijn herstelproces ( ik mag gelukkig weer terugvliegen naar Nederland, waar de meeste mannen géén paardenstaart en een sikje hebben ) zal ik nog eens ernstig nadenken over het vervolg… Stay tuned…..