Neandertaal

Zo af en toe is het nodig om in de klas een horrorverhaal te vertellen, om de aandacht erbij te houden en de orde te herstellen, zeg maar. Er was een klas die net van een zware toets terugkwam, dus de aandacht was niet optimaal. Scholen zouden daar trouwens eens een beetje meer naar moeten kijken: hoe, waar en bij wie, waarvoor en wanneer rooster je een klas in? Dat aspect stroomt nogal eens onder, in een tijd waarin alleen nog maar belangrijk is dat de absenties zijn ingevuld,  ook al is de hele schoolbevolking absent, en dat het rooster klopt, ook al heefrt het gros van de leerlingen vaak een spanningsboog van niet langer van 15 minuten, waarna men in een geestelijk en kwijlend wrak verandert. Onderwijs is verworden tot het aan de inspectie en directie tonen van kloppende lijstjes met cijfertjes en statistieken.

Maar ik dwaal weer helemaal af. Het ging over een horrorverhaal, en dat was mijn constatering een alinea eerder ook wel, maar dat sloeg niet op de situatie van dat moment. Ook weer om de inspectie te gerieven was ik mijn klasje aan het voorbereiden op een zogenaamde “Kwalificerende toets lezen, niveau 2F”. Men krijgt daartoe een stapeltje teksten onder de neus ( zowaar niet digitaal, werkelijk een unicum)  plus een aantal blaadjes met multiple choice-vragen. Dat laatste is fijn, want uit de media konden we afgelopen dagen vernemen dat het handschrift van veel leerlingen is gedegradeerd tot een soort rudimentair gekras; dit alles veroorzaakt door het veelvuldig gebruik van mobieltje, tablet en – heel ouderwetsch – het toetsenbord. Komt daar dan ineens zo’n mastodont van een docent die zegt dat je een pen moet gaan pakken en een stuk op papier moet gaan schrijven, ja dat is vragen op problemen en vóór je het weet heb je dan woedende ouders of directie op je dak.

Nu hanteren veel pupillen hun schrijfgerei al alsof ze een kolenschop of een dood varken in de hand hebben, dus dat slechte handschrift is mij reeds tijden bekend. De trend is tegenwoordig ook een beetje van ‘als de bedoeling of de boodschap maar overkomt’ , dus je bent als docent snel geneigd het goede in de leerling te zoeken. Laatst moest ik een toets ‘brieven schrijven’ nakijken, waarin werd gesteld dat voor het onderdeel spelfouten maximaal 3 punten van het via uiterst ingewikkelde berekeningen te bepalen eindcijfer mochten worden afgetrokken. Gebruikt een leerling daar dus uitsluitend spijkerschrift, dan is het nog voldoende, als maar duidelijk is wat bedoeld wordt.

En wéér terug naar het horrorverhaal. Je hebt soms snel in de gaten of het toch niks meer wordt met de aandacht of niet, en soms ga je daar dan maar in mee. Ik vertelde van een documentaire die ik eens had gezien over een docent in Japan, maar het kan ook Korea geweest zijn. Hoe die man aan kwam wandelen door de gang, en een klas van een stuk of vijftien puberknapen hem netjes in een rijtje bij het lokaal opwachtte. De man naar binnen, na de nodige buigingen, en vervolgens gezeten achter het bureau. De jongens werden een voor een naar binnen geroepen – mijn eigen klas was nu een en al aandacht -, maakten bij de docent een buiging en kregen vervolgens stuk voor stuk een ongenadige mep met een stuk bamboe over hun achterwerk, waarna weer een buiging en de leerling zonder een spier te vertrekken ging zitten. Zo werd de hele klas afgehandeld en dat elke dag. Tucht en orde. Mijn klas verbijsterd,  jullie hebben het maar goed,  jongens.

Om de zaak nog wat gruwelijker te maken vervolgens de waargebeurde doch droevige geschiedenis van twee andere Japanse leerlingen, die door een wat kribbige collega op een slechte vrijdagmiddag in het kolenhok van de school werden opgesloten.
“Meneer, wat is een kolenhok?”, klonk het door de klas. Ja, daar heb je leerling 2.0. Wat is een kolenhok. Na de geduldige uitleg ging het verhaal verder.  Die leraar ging dus opgelucht naar huis en vergat verder volkomen de twee delinquenten in dat hok, die wel zó streng waren gedrild, dat ze het niet in hun hoofd haalden om een beetje tegen die deur te gaan schoppen of te schreeuwen.

Op maandagmorgen werden beide ongelukkigen dood gevonden. En wat kreeg de leraar voor straf? De leraar kreeg een berisping!”. Tja, en toen wist niemand wat een berisping was, waarna ik dit verving door “reprimande”, en, toen dat ook nietszeggende blikken opleverde, door “schrobbering”. Het hele intimiderende en orde-handhavende effect weg, en toen ik ‘schrobbering’  ook nog verving door ‘standje’ was de sfeer inmiddels licht uitbundig. Je eindigt dan als volleerd docent natuurlijk door met een stalen gezicht te zeggen: “Ja nu weer rustig dames en heren, want anders komen we nooit klaar!”.  Wanner je het maar over sex hebt, of ze laat denken dat het daarover gaat, is de spanningsboog ineens gegroeid tot zeker een volledig lesuur.

Wat leren we nu uit zo’n les die anders verliep dan volgens planning? Wel, dat je bijvoorbeeld nog steeds kunt dollen met je klas, en dat moet ook, ongeacht wat voor gruwelijk handelingsplan of prestatiegericht beleid jou en de leerlingen boven het hoofd hangt. Je moet de vrijheid kunnen nemen om eens een keer een les niets  of niet al te veel te doen. Aanhalen en weer vieren is de ideale combinatie.
Helaas leren we ook dat leerlingen – naast het feit dat ze niet meer leesbaar kunnen schrijven, ook qua leesniveau soms weer langzaam maar zeker afdalen tot het niveau van de Neanderthaler. Vertel je een verhaal; ze snappen de clou soms niet meer, lezen ze een tekst; geen idee waar het over gaat. Krijgen ze een vraag: ze snappen hem niet omdat ze sommige woorden te moeilijk vinden; het gaat dus al mis bij de vraag zelf, laat staan bij het antwoord.
De leerling die terug lijkt te gaan naar de Neanderthalers schrijft en spreekt al  een variant daarop: de Neandertaal, in maximaal 140 tekens. ‘As de bootsgap maar overkomp’. Taal wordt Twittertaal, Neandertaal. Maar goed, veel lager afzakken kan het niet, en uit de Neanderthalers van toen zijn wij weer opgeklommen. Er is dus hoop, zolang ze maar blijven lezen, te beginnen bij 140 tekens, en heel geleidelijk weer wat meer. Maar daar moeten we niet te lang mee wachten. En straks weer een rapportcijfer voor schoonschrijven misschien? Van een 1 naar een 6, dat is al een hele vooruitgang.

 

(Elfsteden)koorts

Op mijn leeftijd komt je op een leeftijd waarin je de winter met de nodige angst en beven tegemoet moet zien. In het najaar werd ik al vriendelijk doch dringend uitgenodigd om met – naar het leek –  de voltallige bevolking van dorpje B. op de Veluwe een griepprik te komen halen, maar in het weekend werd pijnlijk duidelijk dat deze weer niet geholpen had. Wauwel is dus even geveld. Niet lang, want in het onderwijs moet je volgens bepaalde politici werken tot je er bij neervalt, dus morgen maar weer een nieuwe poging om niet al te ver achter te raken en mijn kindjes ter wille te zijn met het aanhoren van een aantal presentaties.
Ze hebben daar hard voor gewerkt, en daar het hier een opleiding in de dierverzorging betreft, komt een keur aan onderwerpen voorbij die iets met het vak te maken hebben. Zo heb ik ’s ochtends in alle vroegte, nèt na mijn eerste kopje thee van de dag, al eens een demonstratie mogen aanschouwen van het uitknijpen  van de anaalklieren van een voor dat doel speciaal meegenomen hond, die, opdat iedereen het goed kan zien, op mijn bureau had plaats genomen. De klas was vanzelfsprekend een en al aandacht, iets wat niet elke morgen voorkomt.  Je zou er dus haast ernstig naar verlangen voortaan elke les met flink wat anaalklieren te laten beginnen, succes en op tijd aanwezig zijn verzekerd!

Vandaag dus niet, en zwakjes voelend aan mijn eigen klieren ( die bij mij in mijn hals zitten, maar dan andere ) maar voorzichtig opgestart. Want als mannen ziek zijn, dan zijn ze ook echt ziek en dient iedereen dat te weten en  zich in overvloedig medelijden over de kwijnende patiënt te ontfermen.  Thee op bed dus, beschuitje, en een batterij aan Vicks-stiften, neussprays, keelpastilles en zakdoekjes binnen handbereik, en natuurlijk ook laptop en iPad, zonder welke speeltjes dit stukje nooit tot u zou zijn gekomen. De school gebeld en met verstikte stem het slechte nieuws meegedeeld. Koorts en zo. Grieperig. Morgen weer aanwezig.
Ooit ( dat is lang geleden ) was ik eens twee weken uit de running  en tegen het einde van die periode besloot ik weer een ommetje te maken, want voorzichtig boodschappen en zo. Op de hoek van de straat liep ik toen een leerling tegen het lijf, die onderweg was om de lijder met een fruitmandje wat op te beuren. Dat was even pijnlijk, want in zulke gevallen gaat op school al snel de mare dat je op wonderbare wijze genezen bent geconstateerd en je huppelend als een hinde door de straten dartelt, maar alles liep keurig netjes af en de leerling trok geen verkeerde conclusies.
Nu heb ik wel eens een collega gehad die met een hernia thuis zat, en die men vrolijk in zijn woonplaats met een kratje bier achterop de fiets zag rondfietsen. Dan ken je toch niet helemaal je verantwoordelijkheden.  Eén dagje ziek is nu toch wel zo’n beetje het maximum, want het werk wordt niet overgenomen, dus veel langer kun je ook niet missen.

Zo vernam ik dus dat vandaag een andere koorts, die van de Elfsteden, steeds meer slachtoffers maakt, en dat rayonhoofden in spoedzitting bijeen zijn om te bespreken of en waar er ijstransplantaties moeten worden uitgevoerd.  Dat moeten toch allemaal gepensioneerden of herstellende zieken zijn, want hoe kun je anders tijdens je werk rayonhoofd wezen en en passant nog wat wakken transplanteren? Er wordt bij de diverse hogescholen in Nederland nog geen opleiding Rayonhoofd of IJstransplanteur aangeboden, of het zou een bijvak van Vrijetijds-management moeten wezen. Overspannen Friese docenten die op therapeutische  basis gaatjes in het ijs boren en daar over vergaderen is misschien  ook nog een mogelijkheid. Straks giet het ôan, en dan gaat vermoedelijk half onderwijzend en onderwijs volgend Nederland spijbelen of ziek zijn.

Ik ben niet zo’n schaatser, helemaal niet zo van sport trouwens. Mijn schaatservaringen zou men voornamelijk als traumatisch kunnen omschrijven niet in het minst door zo’n vreselijk wollen mutsje wat ik altijd moest dragen en de beslagen glazen van mijn stoere jongensbrilletje. Het ergst waren echter die houten Friese doorlopers, die met veters om mijn rubberen laarzen waren gemangeld. zodat niet alleen de laarzen, maar ook mijn kindervoetjes in de meest gruwelijke plooien waren gewrongen, waarbij de schaatsen zelf al na tien slagen aan de zijkanten van mijn afgevroren voeten bungelden. ook nooit meer recht te krijgen trouwens, want die veters waren stijfbevroren en mijn wantjes aan een touwtje bungelden ook al in de weg bij het vastpulken. Een schaatstocht duurde bij mij dus in het algemeen niet langer dan een kwartiertje, en de rest van de tijd zat je sippig en door en door koud op een stuk karton langs de kant van de eendenvijver naar de cracks te kijken. Ik zou nu alleen al koorts krijgen bij het idee dat ik die dingen weer onder zou moeten binden, en mijn iets comfortabeler Noren hangen ook al weer jaren aan de wilgen.

Volgende week organiseert mijn school een skidag. Ook zo wat. Voor mij zie ik dan een rol weggelegd, warm onder een deken, de hele dag voortgereden in een arreslee, met iets van een fles Jägermeister of zo.  Toch ook behoorlijk sportief, al zeg ik het zelf, en behoorlijk gevaarlijk, want zo’n slee, nou, daar kan ook van alles mee gebeuren.  Stel je voor dat er een helling komt. Ik ski wel op de Wii Fit of zo. Ook zoiets wat is aangeschaft in een vlaag van sportiviteit.
Misschien heb ik dan wel weer koorts, of wordt nou uitgerekend op die dag de Elfstedentocht verreden. 38,2 gisteren, en vanmiddag weer 37,5.  Maar wie weet stijgt de temperatuur dusdanig, dat geen van beide evenementen doorgaat. Is de koorts voor niets geweest. En dat is dan eigenlijk ook wel weer jammer. Want leuk om naar te kijken is het in elk geval, ook al zit je aan de kant op een stuk karton.

Komt allen tot ons!

Afgelopen zaterdag was ik – na enig eenzijdig overleg – ingeroosterd voor de open dag van het eerbiedwaardige onderwijsinstituut waar ik mijn centjes pleeg te verdienen. Om foto’s te maken en te filmen, want een beeld zegt vaak meer dan 100 open dag-woorden.  De dreigende woorden van onze minister van onderwijs en die van de geachte heer Elias indachtig, offerde ik mijn vrije zaterdag met blij gemoed op. Niet dat ik gestaakt had of zo – daarvoor hebben we het hier veel te druk – , maar gewoon omdat het leuk is om te doen en ik tijdens de volgende open dag op kosten van de school een weekje op Malta mag doorbrengen, en daarvoor wil ik op mijn vrije zaterdagen wel heen en weer reizen. Dat brengt het totaal van ingeleverde zaterdagen al wel weer op drie trouwens.

Jaloerse lezertjes, of meneer Elias, zullen zich afvragen of ik die week niks beters te doen heb, maar ook die dagen worden aan onderwijs besteed, en ik zeul nog een extra grote hutkoffer mee gevuld met achterstallig nakijkwerk. Dat kan ik daar dan mooi ’s nachts en tijdens het vliegen doen. Een Europees potje zorgt ervoor dat ik mijn Engelse taal op een nog wat hoger niveau kan brengen, want om hoog op de Pisa-ranglijst ( voor de niet-onderwijsleken: een soort top 2000 aller tijden maar dan voor onderwijs ) moet je natuurlijk ook investeren in tweetalig onderwijs.

Mijn liefde voor het vak en mijn angst voor de heer Elias kostten mij afgelopen voorjaar al bijna het leven toen ik in Finland ( ook weer Europees geld ) een ICT-nascholing volgde, die mij een soort longembolie opleverde. Trouwe lezertjes weten waar ik op doel en de anderen moeten maar even zoeken.
Nu vind ik reizen gelukkig heel erg leuk, en niets is zo verrijkend voor een docent om je vleugels af en toe in een andere cultuur te mogen uitstrekken. Je legt leuke contacten, doet een schat aan ervaringen op en je gaat na terugkomst vol energie weer aan de slag. Daar teer je meer dan een jaar op. Bovendien schept zoiets een extra band met je school. Ons geachte kabinet zou de waardering voor de docent een behoorlijke oppepper kunnen geven door hem of haar eens een keertje naar een cursus in het buitenland te sturen. Daar offert men volgens mij graag een weekje vakantie voor op, en zo ziet ook het gewone voetvolk binnen de school eens wat anders dan het klaslokaal, en ervaart het wat veel colleges van bestuur of andere managementslagen als al niet meer dan normaal beschouwen.

De docent lijkt momenteel onderwerp van een heksenjacht van in hun ego aangetaste politici en bewindslieden die onbezonnen plannen zonder overleg willen doordrukken. Resultaat is dat inmiddels iedereen kijvend in de gordijnen hangt en elk negatief bericht over onderwijs wordt uitvergroot tot het formaat van een olifant waar iedereen op staat te schieten.

Wie nog in het onderwijs gaat is een sukkel, en wie er al in zit is een nog grotere. Dat lijkt een beetje de teneur. Toch leuk dat al die sukkels  op hun vrije zaterdagen nog wat leerlingen en ouders binnen de school proberen te trekken, en toch leuk dat zoiets nog uitstekend lukt ook. Wij hadden er afgelopen zaterdag op één locatie bijna 2000. Blijkbaar krijgen leerlingen graag les van sukkels, of het nou in 1000, in 500 of in 1040 uur  gebeurt. Les is niet meer wat wij vroeger hadden: een uur in een lokaal, keer een aantal dagen keer een aantal weken, resulterend in een onwrikbaar getal. School is een totaalbeleving, die zich ook uitstrekt ná een lesdag van negen tot vier. Je ziet dat leerlingen op de meest krankzinnige tijden aan het werk zijn in een electronische leeromgeving, je krijgt mailtjes binnen die in de vakantie, in het weekend of diep in de nacht verstuurd zijn. Of je maar even snel wilt reageren, meneer! De ene wil het zus, de andere wil het zo en de meesten krijgen het nog voor elkaar ook.

Docent zijn is een zwaar beroep. Heel zwaar. Gelukkig hebben we als tegenprestatie ook een leuk beroep, en dat merk je bijvoorbeeld wanneer je twee bonken van puberknapen, van het soort die je niet in een donker steegje zou willen tegen komen, een geanimeerd gesprek hoort voeren over dat ze het vroeger toch zo leuk vonden om naar Barbapappa en Flubber te kijken.
Ik zelf was vroeger gekluisterd aan de eerste avonturen van Ivanhoe of van Pipo die in een bordkartonnen grot spannende onderwater-avonturen, gelardeerd met zeepbelletjes beleefde. Nu slachten ze in hun eentje achter het computerscherm hordes buitenaardse wezens af, de moderne Pip, zeg maar. En dat tot drie, vier uur in de nacht, maar eigenlijk is er aan onze schoolbevolking zelf niets veranderd in al die jaren: het zijn nog steeds kinderen, die ook nog eens best wat willen leren, hoewel dat niet altijd even makkelijk lijkt te gaan. Een beetje meer steun en begrip kunnen we daar dus wel bij gebruiken.

 

School: de tijd van je leven

Antieke lieden zoals ik plegen nogal eens te roepen: de schooltijd is de mooiste tijd van je leven. Zoiets lokt in de klas niet zelden enige hoon uit, een enkeling is het er echter wel mee eens. Kom je later op een reünie, dat zijn de meesten het echter wèl met je eens. De school is een zorgeloze tijd, hoewel het geween en tandengekners bij het opgeven van toetsen of anderszins lastige taken het tegenovergestelde doet vermoeden. Nergens kun je zoveel lachen als op school, nergens heb je zo veel vrije tijd als op school, en nergens wordt het je zo gemakkelijk gemaakt om tot je recht te komen als op school.

Tenzij je natuurlijk de pech hebt om een beetje anders dan de anderen te zijn: je denkt bijvoorbeeld wat minder snel, je hoort of ziet wat minder goed, je spelt of je rekent niet zoals het zou moeten. Je zit in een verkeerd lijf.  Je hebt een rugzakje ( voor de niet ingewijden: een probleem of eigenaardigheid die extra zorg of aandacht vereist, of extra begeleiding, en vaak ook extra geld ). Tegenwoordig is dat inderdaad nogal pech, om niet te zeggen: een ramp voor sommigen. De regering maakt keuzes, en wanneer je moet kiezen tussen het steunen van een multinational, een JSF, een plan om nog harder te gaan rijden tegenover een kind wat voor een dubbeltje is geboren en nooit een kwartje zal worden, dan is de keus snel gemaakt. We willen rendement, opbrengst, en vooral meetbare cijfertjes, cijfers waarmee je voor de dag kunt komen, liefst zo hoog en zo veel mogelijk. En ja, dan tikken de dubbeltjes niet echt mee. Soms lukt het om zo’n kind in plaats van een dubbeltje, met veel geduld en moeite, een bedragje van twaalf cent te laten worden. Een prestatie van formaat voor zo’n kind. En soms lukt zelfs dat niet, maar leren we het kind wèl zichzelf gelukkig te voelen en zichzelf een plekje te geven met niet meer dan dat ene dubbeltje. Helaas, we doen niet meer aan centen, in onze kenniseconomie. We scoren er niet mee op de Pisa-ranglijst, en weet je wat, we brengen ze gewoon onder in een klas met kwartjes,en wanneer de verplichte onderwijstijd voorbij is, zijn we er van af.

Schooltijd, de mooiste tijd van je leven, kan voor sommigen ook de vreselijkste tijd van je leven worden, of erger nog, het begin ervan. Wanneer je een rugzakje hebt, en die rugzak al te letterlijk een loden last gaat worden in een steile tocht hard hollend naar de top.  Iedereen holt door, en jij blijft achter in een onbegaanbare harde wereld van grijze rots. Wanneer je gepest wordt, bijvoorbeeld, ook dat is een rugzak die je niet even kunt afgespen.

We kennen het allemaal wel , we zijn allemaal wel eens gepest, vooral in onze kindertijd. Het kan je humeur een paar uurtjes verknallen, en dan pak je de draad weer op. Kinderen zijn lief en leuk, maar soms zijn kinderen oneindig wreed, en die wreedheid wordt subtieler naarmate ze ouder worden. Nu werk ik op een school waar eigenlijk nooit gepest wordt, en voor een MBO is dat redelijk uniek te noemen. We hebben zelden knokpartijen, ruzies, vernielingen of diefstal, er zijn geen bewakingspoortjes en we horen het elke keer weer: we zijn qua sfeer een verademing vergeleken bij de vorige opleiding. Nu zal ik bij hoge uitzondering de naam ook maar even noemen: Het AOC Groenhorst College in Barneveld.

Hoe komt dat? Onze schoolbevolking bestaat voor driekwart uit meiden. Wie mij kent, weet dat ik thuis drie dochters en een vrouw heb, en men zal zich dus afvragen wat mij bezielt om dan ook nog eens te gaan werken op een school met zoveel meiden. Ik lijd al zo vreselijk, tenslotte.  Uit het grafiekje blijkt namelijk, dat meiden veel erger zijn dan jongens, hoe gruwelijk moet het op die leeftijd voor mij dan wel niet zijn.
Kreeg een kind vroeger een mep of smeten ze de tas door het lokaal, of stonden ze het kort na schooltijd in een dreigend groepje op te wachten, dan kon het zich daar nog wel enigszins tegen beschermen. Nu ga je op Twitter of op Facebook aan de schandpaal. De hele wereld kan meegenieten. Men kijkt ongeveer live op YouTube mee hoe je graaiend achter je spullen aanholt. Een digitale schuilnaam is snel gemaakt, om je vervolgens alles wat gruwelijk, ziek en lelijk is toe te wensen. Heb je al geen vrienden in het echte leven, wanneer je er maar twee of drie hebt op Facebook of daar zelfs helemaal niet meer durft te komen, is je probleem nog groter.

Bij ons op school valt dat dus reuze mee. Het heeft iets te maken met ons lesaanbod, denk ik. Wij geven opleidingen in dierverzorging. Gebeurt daar dan nooit narigheid? Jazeker wel. In de meeste gevallen is die narigheid echter al gebeurd in de tijd die vooraf ging aan onze opleiding. En daarom kiezen ze dan vaak voor ons. Een dier kun je vertrouwen, een mens niet. Geen best uitgangspunt, vind ik, maar wel een gegeven waar je als docent serieus werk van moet maken en aandacht aan moet schenken. Een toch wel behoorlijk aantal leerlingen heeft dingen meegemaakt die nog steeds hun leven volledig beïnvloeden. Een mooie meid die nooit meer durft uit te gaan. Een ander die later uitsluitend in haar eentje met honden of katten wil werken, als ze al op zoek durft te gaan naar een baantje.  We proberen zo goed als het kwaad hen allemaal een veilig onderkomen te geven, maar je houdt je hart vast wanneer je sommigen dan na enkele jaren met het papiertje op zak ziet vertrekken, naar de wereld die op hen wacht. Je had meer tijd willen hebben. Geen lestijd, maar praattijd, en luistertijd en vooral tijd om zakdoekjes aan te reiken bij de vele tranen die ik in mijn kantoortje heb zien vloeien.

Die wereld kan uitnodigend zijn, maar ook dreigend en wreed. Je zou ze daar veel beter op voor willen bereiden, vooral diegenen, die geen kwartje zijn , maar zweven tussen de tien en twaalf cent. Helaas, het is steeds meer roeien met de riemen die we hebben, tegen de stroom in van een wereld waarin het alleen nog om getallen en prestaties gaat. Ik vind twaalf cent ook een hele prestatie. Ook daarom wordt er in het onderwijs gestaakt; met meer uren krijg je niet betere cijfers, en met meer administratieve rompslomp ook niet.  Met meer aandacht krijg je wel betere leerlingen, met cijfers die niet in een rapport zijn uit te drukken, maar die wel heel belangrijk zijn. Een tien voor geluk, wat dacht je daarvan.  Zo wordt die schooltijd toch ook nog de  leukste tijd, ook voor een leerling die met een sticker “Afgeprijsd” door het leven moet.

Onderwijsvernieling ja of nee

Op Twitter barstte op Nieuwjaarsdag een discussie los over een artikel op de site van Kennisnet; dat lijkt al in juni geplaatst, maar in het onderwijs gaan de ontwikkelingen gelukkig soms toch nog wat minder snel dan iedereen denkt, dus nu pas vliegen diverse lieden elkaar in de haren. Voor wie geen zin heeft om op de link te klikken: het komt er op neer dat de auteur een pleidooi houdt voor een minder krampachtige houding tegen het gebruik van mobieltjes in de klas. Niet iedereen is het daar mee eens. Men krijgt al genoeg onderwijsvernieuwing over zich heen, en de frustratie richt zich onder andere op het feit dat die vernieuwing vaak door mensen langs de zijlijn van het onderwijs wordt bedacht.
Nu werk ik al weer zo’n 35 jaar in het onderwijs, voornamelijk als docent, en ik kan dus wel zeggen dat ik toch minstens 35 onderwijsvernieuwingen heb moeten slikken. De meeste pakten niet goed of desastreus uit, en wanneer je ziet dat het kennisniveau de afgelopen 35 jaar met sprongen achteruit is gegaan, dan kan ik me voorstellen dat je niet op nóg een verdere aantasting van de nu langzamerhand rudimentaire vaardigheden zit te wachten. Mobieltjes, social media, de ICT; ze worden door veel mensen in het onderwijs als een bedreiging gezien. Er zijn op scholen in de afgelopen decennia werkelijk miljoenen over de balk gesmeten aan allerlei ict-projecten en in een tijd van voortdurende bezuinigingen en daardoor verdere afbraak van het onderwijs is zoiets frustrerend. De wrevel is begrijpelijk. Wie zoals ik tot de groep van “ICT-nerds” of – iets positiever -” ICT-voorlopers” binnen de school behoort, moet oppassen niet in de valkuil van “ICT in de klas is toch vanzelfsprekend en leuk!” te trappen. Ik kan mijn vrouw niet kwader krijgen dan als antwoord op een computerprobleem te beginnen met “Nou, gewoon”.

Het feit dat onze leerlingen de hele dag door ongeveer vergroeid lijken met hun mobieltjes, wil nog niet zeggen dat zoiets in de klas dan ook maar “gewoon” en “leuk” moet zijn. Docenten, én leerlingen,  zijn geen lemmingen, hoewel het daar vaak steeds meer op begint te lijken. ICT-voorlopers zijn snel geneigd om dingen als vanzelfsprekend te beschouwen die door veel collega’s nog als iets buitenaards worden gezien.  Het past dan niet om die collega’s af te schilderen als halsstarrige mastodonten die elke verandering tegenhouden.

Een instantie als Kennisnet propageert al jaren het gebruik van ICT in de klas maar of dit nu geleid heeft tot zoveel betere onderwijsprestaties is nog maar de vraag. Natuurlijk, er zijn zat onderzoeken waarin een verbetering wordt aangetoond, maar zo kun je evenveel onderzoeken opvoeren waaruit het tegendeel blijkt. Het gaat altijd om deelgebieden, bij specifieke groepen gebruikers, met specifieke wensen en vaardigheden. Je voelt je langzamerhand als school of als docent een beetje schuldig wanneer je nog niet met een digiboard werkt en wanneer je nog ouderwetsch de lesdag in groep 8 besluit met voorlezen uit een spannend boek in plaats van met het klassikaal bekijken van een filmpje op YouTube.
Het scheelt ook nogal of  je voor een klas met HBO-leerlingen of een klas met VMBO-leerlingen staat. Probeer die laatsten maar eens van het voortdurend controleren van de updates op Hyves en Facebook af te houden. Het is verschillend publiek, en dat heeft verschillende benaderingen nodig.  Ga een VMBO-docent dus vanuit een redelijk luxe positie als HBO-docent of onderwijs-adviseur niet met een blij gezicht vertellen dat hij z’n klas in een achterstandswijk de hele les door moet laten pielen met het mobieltje, omdat dat zoveel meerwaarde heeft en omdat die man of vrouw met de tijd mee moet gaan.

We moeten niet klakkeloos achter en alle gadgets aanhollen en daarbij de onderwijsrealiteit uit het oog verliezen. Kennisoverdracht via het mobieltje en social media  kan vreselijk leuk zijn, kan daadwerkelijk iets toevoegen, maar dring het niet op en presenteer het vooral niet als de ultieme onderwijsvernieuwing.  Dat hebben we inmiddels vaak genoeg gehoord. Ik word vaak genoeg door mijn leerlingen teruggefloten wanneer ik weer begin over twitter in de les en wanneer ik al te enthousiast van de ELO gebruik maak. Leerlingen en docenten, die vormen eigenlijk een behoorlijk behoudend volkje. Laten we daar maar een beetje rekening mee houden. ICT-bescheidenheid siert de mens.

Top 2000

Het leven zou je kunnen vergelijken met een grote verzameling wisselend gevormde stenen en steentjes van wisselende samenstelling. Er zitten bakstenen tussen, kiezels, grint, en – een beetje afhankelijk van wat je zo hebt meegemaakt en uitgespookt – edelstenen of lelijke brokken puin. Dat alles bij elkaar vormt een fundament waar je op verder bouwt, waarbij je hopelijk niet te veel te lijden hebt van verzakkingen, aardbevingen of andere zaken die verstorend werken. het zijn niet alleen stenen; er zijn ook geuren, beelden en geluiden die het huis maken zoals het er nu uit ziet. Het ene kan niet zonder het andere, bij mij althans. De bouwstenen associeer ik met geuren, met beelden, met muziek. Vooral dat laatste is aan het einde van het jaar een waar genoegen, wanneer de Top 2000 tot Nieuwjaarsdag aan het oor voorbij trekt. Nu zijn er mensen die niet tegen geluid kunnen, en al helemaal niet tegen popmuziek.
Nu is Wauwel op een leeftijd gekomen dat zo’n beetje alle nummers uit die Top 2000 wel meer of minder bekend klinken, en het is verbazingwekkend hoe je tekst van sommige liedjes nog woordelijk kunt meezingen. Onderwijs zou eigenlijk zingend gegeven moeten worden: we zouden met sprongen op de Pisa-ranglijst stijgen. Die Top 2000 is eigenlijk niets anders dan het openen van een doos gevuld met herinneringen, die je meevoeren naar de diamanten in je leven. Bordewijk kon het in Karakter niet mooier zeggen: “Want wat de edelstenen van het zieleleven betreft, is de mens een vrek: hij bekijkt ze eenzaam in de bankkluis van zijn hart, bij het licht van zijn herinnering”

Een zomer op het Bloemendaalse strand, begin jaren ’70, Radio Veronica maakt reclame met vliegtuigjes in de lucht, je luistert op een transistorradio naar “Riders on the Storm” van  The Doors, naar “Cecilia” van Simon and Garfunkel, de toekomst lijkt eindeloos ver weg maar o zo lonkend. Op de schoolavond staar je wanhopig  verliefd en machteloos naar die afschuwelijke gozer die op de klanken van “Samba Pati” van Santana het object van jouw hopeloze puberdromen in z’n smerige klauwen sluit.
’s Nachts scheur je door de duinen op je aftandse en zwaar opgevoerde, paarse Mobylette met hoog chopperstuur ( een Puch kon ik niet betalen ) , met in je hoofd “Spirit in the sky”, van Norman Greenbaum, na je allereerste tongzoen, die onvergetelijk in mijn geheugen gegrift staat.  Tijdens je eerste jaren voor de klas klinkt tegen de Kerst in het lokaal waar de kerstviering plaats vindt: “Last Christmas” van Wham; een afschuwelijk nummer eigenlijk, maar het brengt je elke keer weer terug naar die intense beginjaren van je onderwijscarrière die toen nog een carrière kon zijn en dus een vèt nummer.  En bij het oplopen van het Malieveld echoode uit de luidsprekers “Human Nature”, een stralende zaterdag in Den Haag waar je met honderdduizenden demonstreerde tegen de kruisraketten.

Dat soort herinneringen, daar lenen zich geen Bach of Mozart voor, niet bij mij tenminste. Die leveren ook associaties, maar op de een of andere manier hebben die niet die intensiteit die popmuziek bij je oproept, terwijl het toch bijzonder aangenaam en vooral rustgevend kan zijn om daarnaar te luisteren. Alles op zijn tijd.

Nu zijn er ook lieden, die tot het hoogste cultureel erfgoed de muzikale oprispingen van bijvoorbeeld  Zanger Rinus rekenen, en die dan genieten van gruwelijkheden als “Met Romana op de scooter“. De herinneringen, voor zover je daar met dat soort klanken last van kunt hebben – beperken zich dan vermoedelijk tot – ik citeer even – “de bloedmooie Romana die met haar sensuele dans de show steelt. Onvergetelijk!” Vergeet vooral niet te kijken. Gezien het grote aantal PVV-stemmers moet een flink deel van de Nederlandse bevolking zich hier intens gelukkig bij voelen, hetgeen weer een hevig verlangen bij mij oproept om de rest van mijn leven bij de aboriginals en hun indringende muziek door te brengen.

Bach en Mozart beleef je vanuit je luie stoel, ( Bij zanger Rinus-liefhebbers is die denkelijk bekleed met hysterisch bloemmotief met schroeiplekken van ontelbare sigarettepeuken en van een automatisch opsta-mechanisme voorzien ) of beschaafd luisterend in een concertgebouw. Ze brengen je niet in een tijdmachine terug, waarbij je met gesloten ogen alles weer opnieuw beleeft waar je vroeger eigenlijk de tijd niet voor nam. Bij Bach en Mozart heb ik niet de neiging om stiekem, wanneer niemand dat ziet en er geen gezinsleden met zet-gelijk-op-You-Tube-mobieltjes in de buurt zijn, als een bezetene door de kamer te springen, playbackend met de afstandsbediening. Toch stiekum een popster, alle hopeloze verliefdheden uit de puberteit sublimerend. Muziek, de Top 2000, maakt je weer een beetje kind, of kinds, zo kritische lezertjes willen. Misschien heb ik die puberteit wel nooit afgeleerd eigenlijk. Deze week dus heerlijk zwelgen, en in het nieuwe jaar weer precies weten hoe je leerlingen zich voelen, wanneer ze met hun oordopjes wezenloos vergroeid lijken te zijn. Dat is toch wel een van de grote voordelen van het onderwijs: je blijft altijd een beetje in die sfeer, en je wordt er beslist niet ouder bij.

Straks om 12 uur dus Queen, niet mijn groep en niet mijn nummer. Ook geen herinneringen bij en dan blijft zo’n nummer een grof stuk steen, hoewel een ander daar weer een diamant in ziet. Dat is het aardige en het fascinerende van muziek. Nee, doe mij dan maar een flonkerend kristal als dit:

[youtube]http://www.youtube.com/watch?v=1jZ8bxghB9E[/youtube]

Puppycursus ( Hond, deel 2 )

Wauwel is sinds enige weken eigenaar van een hond, kruising rottweiler, herder, bordercollie en Friese Stabij of zoiets. Een soort staatssecretaris Bleker, maar dan in hondenvorm, dus. Het beestje is inmiddels 10 weken oud, en nadat de eerste honderden euro’s er doorheen zijn gejaagd en omgezet in hond zelf, in voer, bench, varibench, beloningssnoepjes en vooral heel veel poepzakjes, mocht ik gisteravond nog even 85 euro aftellen tijdens les 1 van 10 van de puppycursus.

Deze werd gegeven op het veldje achter gebouw zus en zo, aanvang half acht ’s avonds. Meenemen: snoepjes, zakjes voor eventuele “ongelukjes”, een doekje om op te zitten ( de hond ), het vaccinatiepaspoort en “een liefste speeltje van uw huisdier”.  Nu heeft onze spruit gedurende de twee weken dat hij nu in ons midden is de onhebbelijke eigenschap ontwikkeld eigenlijk niet echt mee naar buiten te willen, tenzij gedragen, en het in de auto krijgen was dan ook een hele toer. Nu had ik de hele achterbak wel kunnen vrij maken voor een bench in het formaat van een flinke scootmobiel, maar dat is ook zo wat. Op de achterbank dus maar, en dan maar hopen dat niet hetzelfde gebeurde als de rest van de tijd tot nu toe: overal plas en poep achterlaten op ongunstige tijdstippen en plaatsen.

Op mijn leeftijd word je een beetje nachtblind, dus het was even zoeken in het nachtelijk duister, maar in de verte klonk hevig geblaf en zoiets dient dan een leidraad in het leven te zijn. Onder het schelle licht van enkele bouwlampen bewoog zich een groepje lieden met aan riemen rukkende honden, van mij gescheiden door een zompige modderpoel. Die moest overgestoken worden, en zo ploeterde ik soppend en zuigend het veld op, het weerbarstige hondje glibberend tussen mijn benen door. Ik belandde echter in de verkeerde groep – het leek me een training met vechthonden – en men verwees mij naar een verlicht lokaaltje aan de andere zijde van het moeras. Nu had ik geluk dat delen van mijn schoeisel niet in diepten der aarde verzwolgen werden, en zo belandde ik dus in een zaaltje waar een twaalftal personen vergeefse pogingen deed om een zeven meegebrachte puppy’s tot bedaren te brengen.  Een hevig modderspoor achterlatend vond ik een strategisch plekje buiten bereik van andere honden met modderpoten.

De cursus begon en de hondentrainer deed een poging zich boven het gillen, janken en blaffen vertaanbaar te maken. Toen de rust enigszins was neergedaald ging naast mij een telefoon in opgewekte riedel af, en begon de eigenaresse ongegeneerd luidkeels aanwijzingen te geven aan de partner, die -duidelijk traag van begrip- ergens in de inktzwarte nacht zijn weg zocht naar zijn huisdier. Het gesprek duurde zeker enekele minuten. Was ik cursusleider geweest, dan had ik inmiddels een hondsdolle pittbull op de persoon in kwestie af gejaagd, maar je kunt niet alles hebben in het leven.

Er werd ons verzekerd dat de cursus altijd doorging, “ook als het stortregent”. Volgende keer dus in een waterbestendig bijtpak of zoiets afreizen. Mijn hond bracht het er de eerste avond trouwens niet onaardig af en hield zich onledig met het aandachtig besnuffelen van de genitaliën van de buurvrouw ( ook weer de hond dus ), wat ontaardde in hevig spelen en bonkend over de stenen vloer rollen.  ’t Zijn nèt mensen. Nadat alle riemen ontward waren, was de eerste cursusavond weer voorbij ( “het zindelijk worden kan tot zeven maanden duren!”) en mocht ik weer op de tast mijn weg naar de auto zoeken, hopend dat de hond zijn behoefte nog buiten het mobiel zou doen.

De rest van de avond bracht de puppy redelijk uitgeteld door in de mand, en ikzelf niet minder op de bank, totdat er nog eenmaal buiten in de stortregen buiten geplast en gepoept moest worden ( ook weer de hond dus ). Een rustige nacht was het gevolg, die tijdens het ontbijt vanochtend weer geheel teniet werd gedaan door het onverwachts hevig poepen midden in de kamer, terwijl ik op dat moment net worstelend met een keukenrol en hygiënische doekjes de ’s nachts op de vloer gedeponeerde kots van de kat buiten bereik van de likkebaardende hond probeerde te houden.

Na een kwartier redderen en dweilen kon ik dan toch nog aan mijn lauw geworden kopje thee beginnen, voordat de hond opnieuw in een volgende hoosbui uitgelaten moest worden. Kom maar Fiedel, kom dan! Fijn, naar buiten, plasje doen!