Kizomba voor bejaarden

Leken hebben bij de titel vermoedelijk associaties met een nieuw dieetproduct of een nieuw soort incontinentieluier voor de oudere mens. Ingewijden zoals ik weten echter dat  Kizomba de naam is van een dans die zijn oorsprong vindt in Angola en die als zeer sensueel en romantisch te boek staat. Nu is Wauwel op de hoge leeftijd van bijna 60 vanzelfsprekend ook nog steeds een zeer sensueel en romantisch typje, en mijn gade niet minder.

Zo strompelden wij al een jaar lang na een dag hevig zwoegen in het onderwijs trouw naar de salsalessen in Amersfoort, om ons daar over te geven aan blijde pasjes en Zuidamerikaanse sferen. Onder leiding van onze dansleraar – vanzelfsprekend van opgewekte Surinaamse origine –  leerden wij daar vurig bloed door onze aderen te laten stromen en langzaam maar zeker te transformeren van een boertige klompendanspaar tot een redelijk soepel bewegend stel op leeftijd. Nu is het wél zo, dat ondanks de lage temperaturen in dit koude kikkerlandje mijn lichaamstemperatuur door alle inspanningen tot tropische waarden steeg, en ik dus eigenlijk elke keer een pak badhanddoeken mee zou moeten nemen.  De conditie kalft met de jaren dus toch wel behoorlijk af, en ook bleek Wauwel niet meer helemaal de souplesse van de jongere danspartners te hebben die hij tijdens de lessen in de klamme handen kreeg. Ik had geregeld meer het gevoel met een kronkelende en vooral niets wegende paling in mijn handen te staan dan met iemand van vlees en bloed.  Je voelt je op zulke momenten toch een behoorlijk wederrechtelijk aangeklede zeekoe, om Bordewijk maar weer eens te citeren.

Wanneer ik daarna weer met mijn vrouw mocht dansen was dat een verademing, om dat je
a. je buik niet meer zo in hoefde te houden en
b. je jezelf niet zo heel erg meer hoefde uit te sloven om nog enige dansindruk te maken.

Wat ook bijdroeg aan het gevoel van eigendunk, was het feit dat vlak vóór onze les nog een groep bezig as die nét begonnen was met salsa, en dan voel je je toch weer een beetje als één bonk gestaalde perfectie en soepel geolied spierenstelsel. Ik had dus duidelijk iets geleerd.

Maar goed, de lessenserie was voorbij en dan is zo’n zomervakantie toch een hinderlijke onderbreking van deze heilgymnastiek.  Gelukkig werd er ook een zomercursus aangeboden die werd gevolgd door vijf lessen kizomba. Op YouTube zie je wanneer je dat woord in tikt nog nét geen copulerende paren die op de maat van opzwepende muziek met het een en ander bezig zijn, dus de nieuwsgierigheid was toch wel een beetje gewekt. De dansleraar verzekerde mij dat het niet alleen maar voor hitsige pubers was ( boosaardige lezertjes denken nu dat ik dan tot de categorie hitsige bejaarden behoor ), dus afgelopen maandag volgde na de salsa de eerste les kizomba.

[youtube]http://www.youtube.com/watch?v=PdH_0yqOZ0I[/youtube]

Het filmpje deed vreesachtig vermoeden dat men gelijk met blinddoeken aan de slag ging, en dat ik gekleed in slechts een hemd, een broek met kettingen en het kruis op mijn knieën, met kale kop en de nodige tattoo’s aan de bak moest, maar onze danslerares, een jong rubberen ding met Slavisch-Engels accent, voorkwam erger. Vier basisbassen moesten wij leren waarbij je eigenlijk nauwelijks bewoog en het effect is nu, enkele dagen later, een heftige spierpijn in mijn zijden. Hoe een mens zo enorm kan kronkelen alsof elke ruggengraat ontbreekt, is mij een raadsel.
Voorlopig hoef ik dus nog niet op zoek naar blinddoeken en mogelijk zelfs kettingen, en hoeft mijn gade nog niet in een of ander niemendalletje achteloos door mij heen en weer geslingerd te worden. Daarnaast verheug ik mij nu al enorm op het vooruitzicht straks, wanneer we de jaarlijkse bingo- annex feestavond in het verzorgingstehuis hebben, mijn zaalgenoten versteld te doen staan met een mogelijk wat krakkemikkige en stijve maar wél enthousiaste kizomba, hopelijk zonder rollator. Dansen houdt je namelijk ernstig jong!

 

Dansen tussen de Nazi’s

Soms krijg je op oudere leeftijd een bevlieging ( u kent dat ) en dan wil je weer eens iets wilds doen. In mijn geval had dat een salsa-cursus tot gevolg. Nu ben ik niet zo’n zwoel Zuidamerikaans typje wat met begerige blik zijn overhemd openrukt, met wild rondvliegende knoopjes en overvloedig borsthaar tonend. Ook ben ik niet zo van het macho op een stukje willoos vrouwvlees afstappen en dat vervolgens wat ritmisch heen en weer smijten, maar in de praktijk bleek een en ander toch wat anders uit te pakken, en zo komt het dat wij wekelijks naar Amersfoort afreizen om ons daar op gepaste muziek in het zweet te werken en zowaar veel plezier te bleven aan de warme klanken en passen. Had ik zoiets maar dertig jaar eerder gedaan, maar gelukkig is het publiek uiterst gemêleerd en heb ik op een van de salsa-feesten die wij nu ook geregeld bezoeken zelfs al een 86-jarige mogen aanschouwen, die nauwelijks meer kon lopen maar nog wél heel aardig salsa-passen kon plegen met iemand die zijn kleindochter had kunnen zijn. Kortom: een uiterst ontspannen en on-opgefokte sfeer, zoals je die op feesten nog maar zelden tegenkomt.

Afgelopen week stapten wij dus welgemoed ons danszaaltje binnen, in Café De Observant in Amersfoort. een van die etablissementen die gelukkig nog ruimte geven aan kunst, zowel op de dansvloer als aan de wand. Tot nu toe waren daar de wanden gesierd  met een serie fascinerende portretten. Daar was nu verandering in gekomen. Wij werden aangestaard door nazi’s van diverse pluimage, Oostfrontsoldaten, een Sturmbahnführer, geweerlopen, enkele Hitlers en een naakte Eva Braun, en tussen dat alles was ook een origineel lijkend ingelijst schrijven van de Führer zelf te bewonderen.  Een uitleg – al was het maar op een A4-tje bij de deur – was nergens te bespeuren, en dit alles riep bij mij uiterst unheimische gevoelens op, om maar even in de sfeer te blijven. Salsa dansen tussen de Nazi’s, daar wordt een mens niet vrolijk van.
Nu had ik diezelfde ochtend een aangrijpende documentaire gehoord over Loods 24 , de plek waar in de oorlog 686 Joodse kinderen werden afgevoerd om nooit meer terug te keren. Afgevoerd door lieden zoals die op die schilderijen te zien waren. Een tentoonstellingsplek voor de beulen tegenover een monument voor die 686 kinderen.

Zoiets blijft knagen, bij mij althans, en op Twitter uitte ik daarover mijn ongenoegen. Dat werd natuurlijk opgepikt door kunstenaar Nelle Boer, de maker van de schilderijen, die direct – uiterst correct trouwens – reageerde. Nu is Twitter geen ideale plek voor diepgaande discussies, dus ik hoop op een vervolg, bijvoorbeeld onder dit blog of eens in real life.  Zijn opvatting over kunst is trouwens een interessante, en naar ik meen hoogst verfrissende: het tot leven wekken van een fictief persoon of een fictieve zaak, op zo’n manier dat de kijker daardoor in verwarring wordt gebracht en de grens tussen waarheid en leugen vervaagt. In mijn geval is dat gelukt. Verwarring en boosheid hadden zich van mij meester gemaakt. Wie op de link bij Jelle klikt, leest ook zijn uitleg bij de tentoonstelling.

Kunst moet altijd prikkelen. Zonder kunstenaars zou deze wereld onvoorstelbaar saai en dor zijn, en zou het geestelijk leven functioneren op het niveau van een plant. Kunst is onontbeerlijk voedsel voor de geest, en moet uitdagen, tot nadenken stemmen. Kunst moet ook een boodschap uitdragen, maar kunst moet ook stelling nemen, en dat is in dit geval niet gebeurd. Mijn bezwaar wat ik tegen Nelle op Twitter heb geuit, was het kritiekloos tentoonstellen van iets wat ieder weldenkend mens kan associëren met ongeveer de wortel van alle kwaad. Nelle’s repliek was: “Ik geef geen kritiek, want dat is niet mijn taak in deze, en ik heb de oorlog immers ook niet meegemaakt. Ik breng trouwens ook geen lof”.
Ik vind: dergelijke voorstellingen kun je niet onberoerd tentoonstellen. Je bent ervóór, en dan schaar je je in de rijen van de Neo-Nazi’s die ik ooit eens bij Berchtesgaden gehuld een Duitse oorlogsvlag, zich haastig op de foto zag laten vastleggen bij de ruïnes van Hitlers Berghof.  Óf je bent er tegen, en dan schaar je je bij diegenen die opkomen tegen onrecht in de samenleving, tegen onderdrukking van minderheden, tegen alles waar de op de schilderijen afgebeelde personen voor stonden.
Een tentoonstelling, oké,  Oostfrontsoldaten op het doek, vooruit, en een scheel kijkende Hitler met een lelijke halfnaakte Eva Braun, allemaal goed. Maar niet zó maar, plompverloren zonder uitleg in een willekeurig zaaltje, ter gelegenheid van niks eigenlijk.  In een oorlogsmuseum was de tentoonstelling beter op zijn plaats geweest, en daardoor ook in een context.

Ik weet niet of Nelle ooit in Auschwitz is geweest, of in Majdanek, of in het vlakbij gelegen Kamp Amersfoort, waar de Nazi’s ook gruwelijk hebben huisgehouden.  Ik wel, en een meer desolate plek op aarde dan die ene overgebleven gaskamer in Auschwitz kan ik me niet herinneren.  Wanneer je daar in die donkere, gruwelijke ruimte staat, op een van de schaarse momenten dat er even geen toeristen zijn, in dat grauwgele licht, half onder de grond, word je door een onvoorstelbare wanhoop overvallen, wanhoop over wat mensen elkaar aan kunnen doen.
Na een bezoek aan het vernietigingskamp Majdanek, in oost-Polen, maakte ik onderstaand schilderij:

Je kúnt, wanneer het om dé oorlog gaat, wanneer het om een oorlog gaat, als kunstenaar niet kritiekloos, zeggingsloos iets uit die oorlog verbeelden. Je kunt niet aan de zijlijn blijven staan en zeggen: ik maakte daar geen deel van uit. Kunstenaars dienen stelling te nemen, dienen te uiten. Ik hoop op een reactie van Nelle hieronder, en volgende keer dans ik graag tussen een nieuwe tentoonstelling, dan gevuld met Zuid-Amerikaanse macho-types met open overhemden en dunne potloodsnorretjes, met bijbehorend willig vrouwvlees. Ook die kun je door een fictief personage tot leven wekken, en dat roept wat minder weerzin op.

Gadget-gek

Ik ben een gadget-gek, en zoiets is natuurlijk een riskante eigenschap in deze barre tijden van bezuinigingen en al-dan-niet back to basics. Het is natuurlijk ook een beetje een trend om wat stapjes terug te doen, dus heb ik tegen het einde van het afgelopen jaar een aantal rigoureuze stappen gezet:

  • Mijn abonnement op UPC gedreigd op te zeggen waarna een nog nét niet huilende medewerker mij een interessant aanbod deed om over te stappen op een Horizonbox, voor een lagere prijs, maar met méér mogelijkheden, en op zoiets knopjes zitten, je het met je iPhone kunt besturen en bekijken, dan ben ik al snel verkocht.
  • Overgestapt naar een andere energieleverancier, want ik had gezien dat je daar een heftig ogende thermostaat bij aan de muur kon krijgen, de Toon, een soort tablet aan de wand die je voortdurend akelig nauwgezet laat zien hoeveel stroom bijvoorbeeld het typen van dit blogje wel niet kost.  Ook die Toon kan ik nu met mijn mobiel vanuit mijn bed bedienen, want alleen daarom al kruip ik er tegenwoordig om acht uur in. Ik weet nu dat ik daar enorm veel electriciteit mee bespaar, en tv-kijken kan dank zij mijn Horizon Box ook op de iPad. Het is trouwens toch allemaal baggerprogramma’s wat de klok slaat.
  • Ik heb de Volkskrant opgezegd. Dat deed ik al twee jaar op rij en ook hier wist een smekende verkoper mij over te halen de krant nog een jaartje te blijven lezen tegen sterk geredueerd tarief. Je mompelt dan nog wat van “Nou ja, dat is toch niet eerlijk, twee keer achter elkaar terwijl een ander de volle mep moet betalen”, maar dat is natuurlijk tactiek. Dit keer kreeg ik echter een koele juffrouw aan de lijn die mijn opzegging voor kennisgeving aan nam en de verbinding verbrak. Ik heb nog een paar dagen te gaan, dus ik hoop nog even stilletjes op een verlossend telefoontje, maar het begint er nu toch wel ernstig op te lijken dat ik de rest van mijn weg glijdende leven krantloos door zal brengen. Nu lees ik hem ook nog op de iPad, maar ze zullen daar wel zó slim zijn om ook dat account gelijktijdig op te zeggen.
  • Op de tv-reclame en op de iPad had ik al heel veel gelezen over de nieuwe iPhone. Als rechtgeaarde gadgetgek  had ik de eerste iPhone natuurlijk al heel snel aangeschaft, want een van de belangrijkste overwegingen bij het aanschaffen van nieuwerwetschigheden is toch wel dat je een ander daarmee de ogen kunt uitsteken of op zijn minst vreselijk jaloers maken ( in het geval van mijn partner geldt trouwens meer “wanhopig maken”, want die is niet zo hebberig van aard als ik. ) . Gadgetgek zijn is een typisch mannelijke kwaal, denk ik. Mijn vrouw zou het liefst al mijn troep het huis uitgooien en vredig verder kunnen leven met een eenvoudig transistorradiootje, een draagbare tv met Nederland 1 en 2, en de lokale buurtkrant, en dat is het wel zo’n beetje. En niet onbelangrijk: niks geen stapel enge afstandsbedieningen meer.
    Nu kost zo’n nieuwe iPhone een gruwelijke hoop geld, dus je ligt er nachten van wakker en vergelijkt je helemaal suf met andere nieuw uit te komen toestellen. De iPhone 5 bleek echter opnieuw een redelijk pieterpeuterig scherm te hebben, en aangezien ik met mijn spatelvormige worstvingers dankzij de ingebouwde verbeterfunctie al een hele serie krankzinnige berichten in Whatsapp had verstuurd, begon mijn oog ook stiekum te vallen op iets met een groter scherm. Naarmate mannen op zekere leeftijd komen, blijken zij ook nog steeds sterk geïnteresseerd in wie de grootste heeft, dus viel mijn oog nu op een Nokia Lumia 920, die precies het zelfde systeem als mijn computer en laptop hanteert. Bovendien weer een mooie manier om je te onderscheiden van de menigte, want het is allemaal nog vrij nieuw en nét uit. Het liefst bestuur ik eigenlijk mijn gehele leven met mijn mobiel en tablet, en ik zoek naarstig naar een appje wat mij verteld hoeveel tandpasta er nog in mijn tube zit.
    De afgelopen nachten waren ronduit afschuwelijk. Er moest een besluit genomen worden. Een dochter zou dit weekend voor het laatst in Hong Kong zijn en dus goedkoop een iPhone 5 mee kunnen nemen. Afgelopen maandag dan toch maar het besluit genomen en mijn leven een andere wending gegeven door tóch een Lumia te kopen en de iPhone vaarwel te zeggen. Het afdankertje ging naar de gade, die mij geheel wist te ontluisteren door op te merken dat ze eigenlijk geen groot verschil merkte ten opzichte van haar vorige afdankertje, een iPhone 3GS.

Ik bedoel maar, vrouwen komen echt van een andere planeet. Wanneer u dan ook bedenkt dat ik  een groot deel van mijn leven eenzaam tussen vrouwen ben opgegroeid – ik heb drie dochters die niks met mijn afwijking hebben – , dan begrijpt u wel hoe zwaar ik het heb en hoe belangrijk het is dat ik als enige in het gezin op de hoogte blijf van de laatste ontwikkelingen op technologisch en nutteloos gebied.  De nieuwe foon is groot,duur en zwaar, een mannending,  maar wat nu echt een beetje schokkend is: het toetsenbordje lijkt kleiner dan dat van mijn iPhone ( of mijn vingers zijn door alle stress nog dikker en spatelvormiger geworden ). Toch zie ik het leven weer zonnig in. Zo zonder krant ’s ochtends bij het ontbijt kan ik heerlijk naar mijn vrouw appen of ze even de suikerpot wil aanreiken. En mocht ik dan wat verkeerds typen, dan wordt het nog reuze gezellig ook. Het hele gezin gezellig op Skydrive verenigd, de boodschappenlijstjes via One Note verstuurd, en voortdurend tot op de seconde en de meter op de hoogte van elkaars activiteiten en verblijfplaats. En ’s avonds heerlijk met elkaar appen op de bank. Niet van die moeilijke gesprekken. Gadgetgek.

Recept voor de eeuwige jeugd: onderwijs

Voor wie het nog niet wist: ik kan u een blijde mare verkondigen. Het middel om eeuwig – nou ja, een beetje eeuwig – jong te blijven bestaat en het heet onderwijs. Je moet het wel een beetje in de vingers hebben, want boze tongen beweren bijvoorbeeld dat je het op de lerarenopleidingen niet meer leert. Daar zit soms een kern van waarheid in, maar dat weegt allemaal niet op tegen de voordelen van het eeuwig jong zijn. Heb je zo’n opleiding eenmaal afgerond ( je bent geslaagd voor de reken- en taal-toelatingstesten, je hebt wat verdere theorie geleerd en wat dingen over lesgeven ) dan begint de eeuwige jeugd. Je moet dan nog een beetje orde leren houden en zo, en eigenlijk bijscholen tot in lengte van dagen – geen probleem bij eeuwig leven- ; je moet zorgen dat je het management niet teveel voor de voeten loopt, dat je op tijd je pip- pop- en pap-formuliertjes invult. Dat zijn wat hinderlijke bijkomstigheden.

Het eigenlijke recept krijg je elke dag toegediend op het moment dat je de klas in stapt: voor jou alziende docentenblik ontrolt zich een boeiend landschap gevuld met jongeren van allerlei pluimage, in mijn geval een doorsnee MBO-schoolbevolking: allemaal het mobieltje in of bij de hand, petjes, jassen aan, en allemaal in de bloei van hun leven en vaak ook nog eens in een wolk van gierende hormonen, waar elke puber vroeg of laat door heen gaat. Nu verkeer ik wel in de gelukkige omstandigheid dat ik op een school werk waar eigenlijk nooit narigheid in de vorm van vechten, diefstal en andere onbetamelijke zaken gebeurt. Het mag wel even een keer gezegd worden: het Groenhorst College in Barneveld   ( ik ben niet zo van de reclame, maar soms ontkom je er niet aan ). Bij ons geen beveiligingspoortjes, geen bewakers, geen bedreigingen en niet al te veel nare filmpjes op YouTube.

Gebeurt er dan helemaal niks? Natuurlijk wel; ook bij ons zitten leerlingen die hun portie narigheid met zich meenemen, net als op elke andere ROC of AOC. Vaak zit die narigheid echter vooral van binnen, en uit het zich niet in irritant gedrag. Ik hoef hier niet het hele scala aan problemen op te noemen waar een helaas toenemend aantal pubers onder te lijden heeft, maar in mijn onderwijsloopbaan sinds 1976 heb ik wel zo ongeveer alles wat je je kunt voorstellen zien langskomen, en je kunt je gelukkig prijzen dat jouw kinderen bepaalde dingen niet meegemaakt hebben. Jongeren lopen daar niet altijd mee te koop, de steeds hardere en ik-gerichte maatschappij laat dat niet toe, maar uiten doen ze het wel: bijvoorbeeld in de vorm van irritant gedrag in allerlei variaties.
Soms krijg je een grote mond van een leerling, soms is er eentje volledig onhandelbaar. Korte lontjes, niet in de hand houden, direct weggooien. Na de knal blijkt het eigenlijk vuur al lang ergens anders gesmeuld te hebben, soms heel lang, en dat hoor je dan via een omweg als zo’n woedeuitbarsting, of tijdens een presentatie over de gevaren van alcoholmisbruik, waarbij dan blijkt dat de beschreven verslaafde met Korsakov de vader van die leerling is.

Hoe naar ook: dat zijn de verborgen parels in de oesters van het onderwijs. Bij het dieper duiken kom je elke dag schatten tegen. Een grote,  vriendelijke slungel van een knaap die je tijdens het mee fietsen naar een andere locatie onbeholpen meedeelt dat hij eigenlijk gameverslaafd is, écht gameverslaafd, omdat hij anders zo gaat zitten nadenken en piekeren over alle spoken in de geest die op hem af komen, en dat hij daar niet echt met anderen over kan praten.  Op sommige monenten zou je al die leerlingen een knuffel willen geven of hen in je huis een veilig en vooral zorgeloos onderdak willen bieden.
Er zijn meer parels, ook wanneer het niet om persoonlijke narigheid gaat: dat bijdehante meisje, dat jou elke keer op een leuke manier gevat van repliek dient, zodat je soms met je mond vol tanden staat. Het spel met woorden en taal, en de ervaring dat ze toch allemaal graag iets willen leren en best wel hard werken voor een cijfer. Het figuurlijke schouderklopje wat je ze geregeld moet geven, niet uit gewoonte, maar omdat ze het verdienen. Je ziet ze glunderen en gloeien wanneer je iets leuks zegt over hun uiterlijk, wanneer je interesse toont in wat voor appjes ze op hun mobieltje hebben, en wanneer je weet wie er de finale van één van die vreselijke talentenshows waarmee we worden doodgegooid, heeft gewonnen.  Op schoolfeesten laat je een enorme geluidsbrij gelaten over je heen komen, en afhankelijk van je leeftijd – boven de dertig ben je hoogbejaard – dans je nog wat mee. “U was er gisteravond ook, hè, meneer!”

Je moet voortdurend op je tenen lopen, voortdurend alert zijn. Er wordt op jou gelet. Ze zien aan de naad van je spijkerbroek welk merk het is, en ze vragen onverbloemd waarom je dezelfde blouse als eergisteren aanhad. Het is dus voortdurend investeren, en zonder een goede duikuitrusting ga je die parels dus niet vinden.  Er zijn momenten waarop je je dodelijk vermoeid voelt. Eindeloze vergaderingen, onafzienbare bergen administratieve rompslomp, stompzinnige formulieren uit de koker van bureaus die op Mars lijken te staan.
Maar eenmaal voor die klas, én wanneer je het in je vingers hebt, laaf je je weer aan de jeugd en haal je er je deel vandaan.

Een redelijk lyrisch stukje, zie daar het effect van een dagje lesgeven 🙂  Het werkt dus. Werken in het onderwijs houdt je dus jong, alleen jammer dat onze regering dat maar steeds niet wil inzien, en de omstandigheden waaronder dat werken moet gebeuren, steeds verder verzwaart. Zeker nooit jong geweest, die lui.

Vleesboom

Onsmakelijke titel, niet? U ziet nu voor uw geestesoog allerlei zacht in de wind heen en weer bungelende of wiegelende plofkip-achtige groeisels, die zich in een onherbergzaam guur huidlandschap staande ( of hangend ) houden tussen schilfers, schimmels, wratten, schaamharen, zweetklieren en andere ongerechtigheden.

De mens is bij nadere bestudering eigenlijk een walgelijk wezen. Aan het begin gaat zoiets nog wel, en toont men nog wel behoorlijk appetijtelijk  of zelfs aantrekkelijk, maar al vrij snel neemt de grote onttakeling een aanvang en treedt verval in. Vrouwen kunnen daar nog van alles aan doen, wat botox hier, een liftje daar, wat pakketjes siliconen, hier en daar wat weg- of bijsnijden, allemaal zaken die soms een redelijke verbetering van het uiterlijk tot gevolg hebben, maar ook weer niet altijd.

Bij mannen is het eigenlijk wel wat makkelijker; er treedt een zekere rijpheid op, waarbij ook gemakzucht een rol gaat spelen, en zo ontstaan al snel allerlei verzakkingen en onduidelijke groeisels. Meestal is het zo is dat wanneer bij mannen de buit -de partner dus – eenmaal binnen is, er een zekere onverschilligheid met betrekking tot het eigen uiterlijk optreedt. Ook het hof maken, zoals ouderwetsch deuren open houden of geknield een bos rode rozen aanbieden neemt sterk af, want wat zou je je nog druk maken? Je kunt je dus voortaan de rest van je leven ongegeneerd op de bank neer laten ploffen, de afstandsbediening bij de hand, en wanneer je koffie wilt stuur je gewoon even een whats appje naar de vrouw in de keuken.  Het uiterlijk doet er niet meer zo veel toe, en dat kan heel rustgevend zijn. Waar het om gaat is dat je als man nog bij tijd en wijle de nodige zorg en aandacht krijgt, en vooral veel medeleven wanneer dat nodig is.  Wanneer je een pijntje hebt bijvoorbeeld, of wanneer je naar de dokter moet voor iets engs, wat je lang hebt uitgesteld: het lichamelijk pijn lijden van de man bestaat voornamelijk uit een zere rug van iets te fanatiek sjouwen of sporten, een muisarm, een ontstoken steenpuist van het bankhangen, een zware hoofdpijn na een avond stappen met de maten. En uit het koppelen van iets gruwelijks aan elk pijntje wat we voelen.

Zo reed ik onlangs 900 kilometer op en 900 kilometer neer: naar noord-Denemarken en terug, in toenemende mate ongemakkelijk zittend. Je denkt eerst aan broodkruimels in je stoel of broek om tijdens een steels bezoek aan het toilet te ontdekken dat er iets engs aan je achterwerk lijkt te groeien. Zoals de man waar op het hoofd een kikker zat vergroeid naar de dokter ging, en op de vraag van de dokter wat er aan de hand was, de kikker antwoordde met: “Het begon met een pukkeltje op mijn bil”. Thuisgekomen na lang dralen de gade van het groeiend onheil op de hoogte gebracht, ernstig twijfelend over wat te doen, maar toch vooral niet naar de dokter, want die doet pijn. “O, daar kan ik wel een touwtje omheen binden, dan is het de volgende morgen er af!” Ja, dikke neus, een beetje een touwtje om een stuk bil laten binden.
Nu had ik wel eens horror-beelden op tv gezien van steeds groter wordende bungelende dingen dus uiteindelijk belde ik maar de dokter. Tenslotte wil je je ook nog wel eens een keertje in de sauna vertonen zonder de aandacht van het voltallige kruidenbad op je te vestigen. Niet dat er op mijn leeftijd nog veel op mij gelet wordt, maar toch.

De dokter was een vrouw. Eentje waarbij mannen tot nietige wezentjes verschrompelen, dus de gedachte om dingen dan maar weer te verzwijgen of te bagetelliseren ( ook zo’n typisch mannentrekje bij de dokter ) werd snel de kop ingedrukt. Nu had ik gehoopt met één ruk van  de narigheid af te zijn maar er moest een speciale kamer gereserveerd worden waar “brandapparatuur” aanwezig was. Dat werd dus een weekend ongemakkelijk draaien tot het vanochtend dan zo ver was. Luchtigjes de brandkamer in. Gaat u daar maar met uw broek op uw knieën op uw buik op de bank liggen. Je bent weerloos op zulke momenten.  Er werd een metalen plaat onder mijn been geschoven, ‘voor de geleiding’. Zo gaat dat dus blijkbaar op de elektrische stoel. Een injectie met verdoving, o zegen. Waarom eigenlijk niet geheel van de wereld op zulke momenten.
“Voelt u dit?”, hoorde ik terwijl ik geheel verstijfd met mijn tanden in het zeil gebeten lag nadat mij was gevraagd even te ontspannen.

……..

“Zo, het is klaar!” klonk het na 10 seconden. Dat viel tegen. Niks gevoeld nota bene. In een pincet werd mij het corpus delicti getoond. Een miniscuul flintertje. Ook daar zou ik al niet mee in de uitzending van Shock Doc komen. En niet eens een belangstellend berichtje van mijn vrouw, hoe het nou ging en zo. Het leven voor de aftakelende man is hard. Je kunt ook nooit meer ergens stoer over doen.

Leraar, elke dag ( heel ) anders

In afwachting van een functioneringsgesprekHet levenspad van de gemiddelde docent kent pieken en dalen, en is vol gevaren.  Van alle kanten wordt de arme beambte bedreigd, aangevallen, beschimpt door lieden als Ton Elias en andere onwelwillende politici, op het matje geroepen door een stoet van management- en bestuursleden, ter verantwoording geroepen door boze ouders en leerlingen en in zijn schrieperige salarisje nog meer gekort door ongeveer de gehele resterende wereld. Daarnaast wordt het slachtoffer gekweld door een tot aan de hemel reikende berg administratieve rompslomp, moet hij of zij geregeld op bij-, na- en herscholingscursus en is tot diep in de nachtleijke uren bezig met correctie en lesvoorbereiding. Op verjaardagspartijtjes zit de betrokkene stil en schuwig in een hoekje, knabbelend op wat nootjes, meewarig aangekeken en befluisterd door de overige feestvierders, die allemaal wèl in het leven geslaagd zijn en niet tot de risée der maatschappij horen. Eén keer per jaar  mag de leraar een aantal uurtjes op de tv genieten van aandacht, en de dag na Dierendag is het de Dag van de Leraar, maar zowel dier als leraar wordt geacht zich niet te ver buiten de mand te begeven en als volgzaam hondje te baas te gehoorzamen.

Vóórdat nu allerlei enthousiaste types die ook allemaal verstand van onderwijs pretenderen te hebben maar het niet actief bedrijven woedend wegzappen vanwege veel te cynisch en zo want het is toch zo fijn om onderwijsadviseur of zo te zijn, wil ik ook even opmerken dat er ook heel leuke kanten aan dit vak zitten, namelijk het lesgeven zelf. Dat gebeurt namelijk zo ook nog af en toe. ’t Is toch een beetje een soort van roeping, van ontwikkelingshulp samme maar zeggen, en wanneer je maar geregeld ’s avonds met zwavelstokjes langs de deuren gaat kun je je salaris nog een beetje aanvullen zodat je af en toe trillend en bevend kunt bijkomen in een weekendje Landal.

Zie het als een uitdaging, dat doet het altijd goed. Nou, die uitdagingen die zijn er hoor! Het boeiende instituut waar ik werk heeft besloten nog boeiender te worden, en dat kan in de vorm van nieuw- en verbouw. Als school wil je natuurlijk met je tijd meegaan en daar hoort een eigentijdse en inspirerende leeromgeving bij met leerpleinen, campussen, doe-afdelingen en wat dies meer zij. Niks mis mee, want het gaat uiteindelijk om de inhoud, de kwaliteit van de lessen, en die is op mijn school ronduit goed, dat durf zelfs ik hier wel te stellen. Het oude pand stond ook een beetje op instorten en je wilt niet ’s avonds met allerlei narigheid in Hart van Nederland gepresenteerd worden. Sinds het begin van dit cursusjaar zijn dus horden goed geschoolde ( want MBO ) bouwvakkers met veel enthousiasme overal in het boren, zagen, spitten  en beuken en de plannen zien er veelbelovend uit. Over een jaar moet alles klaar zijn, en de door de werkzaamheden weggevallen ruimte is elders in het dorp teruggevonden in de vorm van een deels leegstaand schoolgebouw, wachtend op uiteindelijk sloop, maar nu nog voor onderwijsdoeleinden bruikbaar.

Nu bestaan er op de wereld geen flexibeler lieden dan docenten en  hun leerlingen. Een groot deel van hen is dus verhuisd naar de noodlocatie, die echter wel heel erg de nadruk op ‘nood’ legt. Dat vraagt enig improvisatievermogen. Ook mij is de eer te beurt gevallen te resideren in de noodopvang, in een tot kantoor omgebouwd lokaaltje met nog 19 andere collega’s, inclusief alle verhuisdozen met toetsen die van de inspectie tot het einde der tijden bewaard moeten worden. We hebben twee telefoons, twee ramen die een beetje openkunnen maar dan zit de rest op de tocht, en als docent 1 een beetje over zijn ‘bureau’ gaat hangen met het hoofd tegen de muur, is er nét genoeg ruimte voor docent 2 om het pand in overspannen toestand te verlaten. Dat laatste is niet geheel zonder gevaar: het bouwsel is uitsluitend te bereiken of te ontvluchten na een gevaarlijke tocht over een soort rotspad, en dat heeft al menig naaldhak het leven gekost. Met klimijzers zie ik nog wel wat mogelijkheden, maar voor de komende winter verwacht ik toch en sterke schooluitval van lieden die nooit meer boven water komen omdat zij ergens onderweg in een ravijn zijn gevallen of door kolkend ijswater zijn meegesleurd.

De leerlingen zitten wat lijdzaam in de gangen, hurkend en schurkend tussen proppen papier, snoepverpakkingen en rondslingerende jassen en tassen, want er zijn helaas geen kapstokken of kluisjes- daar is geen ruimte voor. In de ochtendpauze van een kwartier stop ik dan wat eerder met mijn les van 45 minuten om mij haastig van gebouw A naar gebouw B te begeven, waar ik nog 1 minuut heb om even te plassen en een kop koffie ( wanneer het wat uitloopt moet dat mogelijk op het toilet ) te nuttigen. Geregeld spoed ik mij dan gedrurende de middagpauze weer terug naar gebouw A voor de rest van de lessen, om de dag te besluiten met een dodenrit weer naar gebouw B omdat iemand bedacht heeft dat daar vergaderd moet worden over bijvoorbeeld het observeren van je collega volgens het STARRT-principe. Dat laatste is trouwens prima. Naast de nodige zelfspot en kritiek dient een leraar ook eens open te staan voor opmerkinfen en tips van een ander. Alleen vervelend dat dat nu weer in de vorm van een ellen lang formulier moet.

Tegen de avond rest dan nog de rit naar huis met een tas vol beoordelingsformulieren van negen kantjes elk van de kwalificerende toets “Gesprekken voeren” op 2F niveau, inspectieproof, en die nog aangevuld gaat worden met vier andere kwalificerende toetsen, die allemaal in twintig weken geoefend, afgenomen, nagekeken, geherkanst en weer nagekeken moeten zijn, want o wee, de inspectie. Soms heb ik nog wat tijd om rudimentair wat aan de spelling te doen, of iets met de woordenschat, die elk jaar beperkter lijkt te worden. Snap de vraag maar eens wanneer je de woorden die er in staan al niet meer begrijpt…

Ik lijk wel gek. Welnee, ik ben bij mijn volle verstand, en wanneer je eenmaal voor de klas staat vergeet je alle treurnis om je heen. Voor de zoveelste keer maar weer het Kofschip, het Sexy Fokschaap, het verschil tussen liggen en leggen, kennen en kunnen, hen en hun. Ze leren er wat van, en dat is na al die jaren telkens weer een opsteker. Elke dag leraar is – wanneer je niet te veel stil staat bij alles wat er op je afkomt – heel aardig uit te houden. En zowaar: e;ke dag anders dan je van te voren verwacht!  Nog een jaartje, en dan kan ik tot mijn 68e  uitkijken over het hypermoderne leerplein, vanuit mijn hypermoderne kantoor bij een hypermodern klaslokaal….ook weer anders!

Wauwel in Zuid-Afrika

Het is winter, en in de late namiddag zit ik in de laatste stralen van de ondergaande zon op de veranda onder en paar enorme koortsbomen. Ik ben in Zuid-Afrika, in de Ezulwini Game Lodge. Om ons heen is wildernis, boven ons roepen exotische vogels en een paar honderd meter verderop grazen zebra’s en plukken giraffes als voorwereldlijke mastodonten blaadjes van de acacia’s op de savanne.Een andere wereld, eentje waaraan je later, zittend op de veranda van het verzorgingstehuis, gekluisterd aan je stoel of luier, met weemoed zult terug denken. De laatste stralen van de zon die door de takken en bladeren door je gesloten oogleden schijnen, zijn als laatste flakkerende herinneringen aan de tijden van weleer, een zoete nasmaak van toen.
In Zuid-Afrika kun je wel oud worden, een land waar ik eerst niets mee had en waarbij ik de reis in een opwelling geboekt had omdat Indonesië al volgeboekt was. Velen zijn mij voorgegaan, en gebleven, door de eeuwen heen. In Pretoria bezochten wij het Voortrekkersmonument, en daar voel je dan toch iets van gêne wanneer je kijkt naar de slachtpartijen die de blanke kolonist daar onder de inheemse bevolking heeft aangericht, vereeuwigd langs de muren van het verder vrij lelijke gebouw. “Moet nie op die bankie staan nie”, wordt ons geadviseerd middels opschriften op de muur. “Dogtertjes het graag met vliesgesigpoppies gespeel”, zo lezen we bij een vitrine met kinderpopjes. Boerendochtertjes, die na een grote trek vol ontberingen besloten daar een gezin groot te brengen, en het genomen land niet meer af te geven: niet aan de Engelsen, niet aan de Nederlanders of Duitsers, en al helemaal niet meer aan de ‘Zwartmensen’, zoals de inheemse bevolking door de blanke zuid-Afrikanen die ik sprak, wordt genoemd.

Je komt in een andere wereld: anders al door het tegenovergestelde seizoen. Hartje winter, veel kale bomen in een bruin en dor landschap, en toch overdag redelijk zomerse temperaturen in de aanloop naar een vroeg invallende koude nacht. Je hebt een paar dagen nodig om daaraan te wennen, ik merkte dat vorig jaar zomer ook in Australië. Een ruimtereiziger gestrand op een andere planeet, die sterk lijkt op de eigen, maar toch met een ondefinieerbaar andere atmosfeer.  De vliegreis bracht ons al over allerlei brandhaarden. Beneden ons de kust van Libië, met brandhaarden als Misrata en Tripoli, en lager, na eindeloze kilometers of barre zongeblakerde zand- en rotsvlaktes in de invallende duisternis de oerwouden van Congo en Rwanda, en plaatsen met namen die herinnerden aan de afschuwelijke slachtpartijen tussen Hutu’s en Tutsi’s. In de duisternis vlamde een enorme bosbrand , een oranje kilometerslange hel van vlammen in inktzwarte omgeving. En dan Johannesburg, na ruim 10 uur vliegen.  Wanneer je niet in de luxe verkeert om businessclass te rijzen, is vliegen eigenlijk een vorm van middeleeuws transport, zeker wanneer je een lengte van 1,94 ergens zo voordelig mogelijk in moet proppen. En toch blijft het fascinerend, en zou ik de rest van mijn werkzame leven vliegend en reizend en daarover schrijvend kunnen besteden.
Johannesburg was koud; het had enkele dagen daarvoor in de heuvels nog gesneeuwd, zo vertelde een kruier mij tijdens het wachten op onze bus. Daar troffen we ook de andere groepsleden; het is altijd afwachten wat voor soort mensen dat zijn. Nu waren we niet in Marbella, dus dat levert vanzelf geen hooggeblondeerd, van tattoo’s en kitscherig goud voorziene kettingrokende en zuipende types op. Een grote touringcar voor een groep van 17 personen, inclusief reisleidster en chauffeur Louis. Die spraken een soort vernederlandst Zuid-Afrikaans, wat het ergste deed vermoeden, maar wat heel snel wende.

Rijden  in een luxe oase op wielen, langs een enorme krottenwijk, langs “Mandela-huussies”, langs een wereld waar het gist en pruttelt onder het deksel dat nu nog enigszins op zijn plaats wordt gehouden door de frêle vader des vaderlands, die enkele dagen daarvoor nog zijn verjaardag had gevierd. Op die verjaardag doet elke Zuidafrikaan gedurende 67 minuten iets zinnigs voor het land: van plantsoenen schoffelen, een afgebladderd verkeersbord schilderen tot sponsoracties voor een schooltje in een township.
Schooltjes zie je overal in het gele landschap. althans, je ziet schoolkinderen, als door een ringetje te halen in een keurig schooluniform, die kilometers langs snelwegen, provinciale wegen, landwegen en zandpaden lopen, in alle vroegte op weg naar school of schoolbus. ergens in the middle of nowhere. Langs die wegen ook veel kraampjes,  met koopwaar varierend van een paar pakjes sigaretten of een stapeltje bananen, tot kleurig gerangschikte trossen en bergen fruit. Ook kraampjes midden in de stad, in stille buitenwijken, de nood om geld binnen te halen lijkt hoog.
Langs die weg een ongeluk, waar tientallen auto’s zijn gestopt en waarvan de inzittenden nu in allerijl hun auto’s tot aan de berstuurdersstoelen volproppen met een lading afgevallen mango’s. “Koop nooit langs die weg,” roept de chauffeur in het Zuidafrikaans, “alles wat ie daar koop is gestool”. Het legt de enorme kloof en het enorme dilemma van Zuid-Afrika bloot. Blank tegen zwart, nog steeds, en meer. Hij was jarenlang treindienstleider, leidde ook jongeren op tot machinist. Met de komst van het ANC kon hij kiezen: overplaatsen naar een uithoek, of je biezen pakken. Dat overkwam ook onze reisleidster, die een goede baan had bij de televisie, die documentaires maakte en met groten der aarde in contact stond: ophoepelen. Dat overkomt ook de twee Duitse eigenaren van een schitterend in de bush gelegen lodge waar we overnachtten: binnenkort zullen jullie hier waarschijnlijk moeten vertrekken, wij nemen het over.
Je ziet het aan de straatnaamborden. Er gaat een andere onrustige wind waaien.

Wilhelmina is uit, Florence Ribeiro is in. Op zich niks mis mee en begrijpelijk ook, maar ik denk dat de prioriteiten beter bij andere, werkelijke problemen hadden kunnen liggen.
Die lodges, dat is het andere Zuid-Afrika. De wereld van Richard Attenborough, de wereld van het Kruger Wildpark, waar je meent de Big Five gespot te hebben, totdat je in alle vroegte ontdekt dat de meest gevaarlijke, number six, namelijk de voorzitter van je college van bestuur, op een meter achter je staat. It’s a small world. Mijn eerste – boosaardige – gedachte was natuurlijk: “Die is op betaalde studiereis om het onderwijssysteem in de wildparken van Zuidafrika te bestuderen”. Het zegt iets over mijn verdorven karakter. Dat is natuurlijk onzin, en het is frappant -en leuk! – hoe je elke keer weer bekenden ontmoet, in welke uithoek van de wereld je je ook bevindt. Tijdens een overhaaste evacuatie voor een reusachtige bosbrand in Zuid-Frankrijk, kwam ik in een met noodbedjes en hulpgoederen afgeladen sporthal een leerling tegen, op een afgelegen Noors eilandje een studiegenoot, en buren uit de straat op een klein bootje in de Egeïsche zee.

Terug naar de buffels, de giraffes en de leeuwen. Eten en gegeten worden, en je best doen om die hinderlijke gedachte dat je ergens in safaripark de Beekse Bergen rond rijdt, te onderdrukken.  De eindeloze savanne, de enorme kuddes trekkende buffels, de leeuwen en jakhalzen die in een hinderlaag liggen, de gieren cirkelend in de lucht; het is niet te bevatten, het kan haast niet echt zijn. De stekende kou ’s ochtends vroeg, waar je dik ingepakt met een deken over je knieën in de ochtendschemer op een jeep het park binnen rijdt, en de trillende lucht op het heetst van de dag boven een door leeuwen gewonde buffel, die geveld is  en blatend op z’n einde wacht.
’s Nachts, onder de overweldigende sterrenhemel op de veranda van de lodge, hoor je ze in de verte brullen, de leeuwen, ergens in het stikkedonker, in de nacht waar verscheurende dieren rondsluipen en elkaar naar het leven staan. Rondom om jou heen, en nee, dit is geen Beekse Bergen meer.

We komen aan de grens met Swaziland, waar 70% van de bevolking onder de armoedegrens leeft, waar Koning Mswati III met zijn vele vrouwen – hij mag er elk jaar weer een nieuwe bij kiezen – in weelde leeft, en waar in het schamele wc-gebouwtje bij de douane een enorme doos gratis condooms voor de bezoekers klaar staat. Swaziland kent het hoogste aantal hiv-besmettingen ter wereld, maar dat is iets waar je geen toeristen mee trekt. De gemiddelde levensverwachting is hier nog geen 48 jaar. En daar zit je dan, in de volgende luxueuze lodge, en je wandelt met een razend dure camera om je nek over een stoffig landweggetje honderd meter verderop, en je probeert een gesprekje aan te knopen met wat kinderen uit de omliggende dorpjes, die wel met een Engelstalig schoolboek onder de arm naar huis lopen, maar die nauwelijks Engels spreken of verstaan. Naar huis, dat is een eenvoudig hutje, veelal nog van leem, ter grootte van een tuinschuurtje, met er om heen wat kippen en een geit. Een stapel hout zorgt voor de verwarming en de grondmist van houtrook die je overal in heel Zuid-Afrika ’s ochtends en ’s avonds ziet en vooral ruikt. De geur van houtrook en verbrand loof, dat is Zuid-Afrika.  Het is ook de luxe en het mondaine leven aan het strand van Durban: disco, Hilton Hotel, clubben en chillen in een lounge-tent aan de Indische Oceaan, waar we een eindje verderop staan te kijken naar een groepje vissers die zich in het zweet zwoegen om een net met wat armetierige vissen aan land te zeulen, waarbij ze ondertussen afgeblafd worden door hun baas die werkelijk geen hand uit de mouwen steekt. Die baas is een Indiër, een van de velen die het in Durban goed voor elkaar heeft en die door de oorspronkelijke bewoners met een scheef ogen worden aangekeken. Nóg een ingrediënt in die borrelende en bijna overkokende pan.

De laatste dagen brengen we door in een resort in de Drakensbergen, een soort vreselijk Centerparcs, waar verveelde rijke Indiërs met hun volgeladen SUV’s komen aanrijden om een weekendje met rondhangen en naar ghettoblasters luisteren door te brengen.  Alsof we alvast weer worden voorbereid op het leven in onze westerse wereld. Een soort decompressiekamer waar je na een lange duik in een fascinerende onderwaterwereld weer moet acclimatiseren.
Nog even Zuid-Afrika dan: met een afgesplitst reisgezelschap van vier personen richting Johannesburg, richting vliegveld, honderd kilometer over een weg die al twee jaar voor de helft opengebroken ligt, waar al twee jaar niets meer mee gebeurt. Onze chauffeur blijkt het grootste deel van zijn leven diplomaat te zijn geweest, ambassadeur in Paraguay, consul in de VS en Italië. Nu rijdt hij, een bijna uit zijn voegen barstende zestiger, ruim na zijn pensioen, toeristen rond. Hoe het vroeger toch wel alles beter was, wèl vol bewondering voor Nelson Mandela maar bezorgd over de toekomst.
We zijn te vroeg voor het vliegveld. Of we nog naar Soweto willen. De reisorganisatie wil ons daar liever niet hebben, hoewel zowel reisleidster als chauffeur al jaren roepen dat het daar een stuk veiliger is geworden, net als Johannesburg zelf, waar we ook al angstvallig vandaan werden gehouden.  Ik voorzie angstige toeristen, opgesloten in een busje, belaagd door woedende hordes met kapmessen, een voortijdig einde van Wauwel met een brandende autoband om de nek, maar ik ben altijd al een enorme bangbroek geweest en gelukkig heb ik dan een vrouw die in roekeloosheid precies het tegenovergestelde van mij is.
En zo rijden we in de ondergaande zon langs wat het grootste ziekenhuis van heel Afrika heet te zijn, in het hart van Soweto: in weekends en op salaris-uitbetaaldag vertoont de afdeling spoedeisende hulp overeenkomst met een slagveld in oorlogstijd, zo horen wij. Schot- en steekwonden aan de lopende band. Toch kun je als toerist tegenwoordig heel goed Soweto bezoeken, als je maar bepaalde plekken vermijdt. Je kunt zelfs georganiseerde trips per fiets doen. Een eindeloze stad gebouwd van eenvoudige huisjes, die allemaal als kleine vestingen ogen met hun muren en hekken van prikkeldraad en glasscherven; wie in Zuid-Afrika een huis bezit, omringt zich met een soort mini-Berlijnse muur, of je nou arm bent of rijk. Het eenvoudige huisje van Nelson Mandela in het armoedige straatje van toen is nu een soort relikwie onder een glazen stolp, een museum temidden van terrasjes met prijzige comsumpties en souvenirwinkeltjes. We komen bij de Regina Mundi kerk, een sjofel bouwwerk dat diende als veilige haven en bolwerk van actievoerders tegen de apartheid na het bloedbad in 1976, waarbij de politie tussen de 36 en 500 betogers doodschoot. Dat verschil in getallen geeft de enorme kloof aan, die ook nu nog steeds door de bevolking loopt.  Bij de ingang is een soort bewaking, de deur wordt van het slot gedaan. Er heerst een groot rumoer, en wordt gezongen door een groot koor en daarvoor een roepende, springende en dansende menigte kerkgangers, allen op hun paasbest.
En dan ervaar ik daar die zelfde sensatie als in de beroemde scène uit The Blues Brothers, waarin Jake door een goddelijk licht gegrepen wordt en in een serie spectaculaire salto’s naar voren danst. Mijn camera met kostbare vakantiefoto’s om mijn nek voorkomt dat ik de reis alsnog met rug- en ander ongewis letsel moet afhaken.

Dit is het dus: de ziel van Zuid-Afrika. Je hoorde het in het volkslied, waarvan de hartverscheurend prachtige melodie door merg en been ging  toen we door een zingende en dansende groep personeelsleden in een lodge bij een wildpark begroet werden. Een lied van hoop en wanhoop. Je ziet het in Soweto, je ziet het in de Regina Mundi-kerk. Hoe gaat dit eindigen?
Voor mij eindigde de reis met een laatste blik uit het vliegtuig op de vele verdwijnende lichtjes  van Johannesburg met zijn uitgestrekte townships, in het duister van de nacht. Hoger en hoger, kleiner en kleiner. Ik wil terug.

 [youtube]http://www.youtube.com/watch?v=_mKku1_RRqs[/youtube]