WO II als experience

waalsdorpVanmiddag was ik in het verbouwde Airborne Museum in Oosterbeek. Ik kwam daar vaak, maar na de verbouwing was ik er nog niet geweest. Het is 4 mei, dus zo’n dag leek me een toepasselijk moment.voor een bezoek aan een plek die ons herinnert aan de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog. Een afgeladen parkeerplaats, grote groepen toeristen, motorrijders, families, want zoiets is een boeiend uitje, zondag bovendien en er is een goedlopend restaurant op hetzelfde terrein.
Het museum is met zijn tijd meegegaan en biedt nu, net als alle andere musea die toch vooral in de vaart der volkeren niet achter willen blijven, een ‘experience’; beleef de oorlog alsof je er middenin staat. Ook Herinneringscentrum Westerbork is daar – zij het in wat mindere mate- in meegegaan. Beide musea leveren een schemerige looproute met een moderne belettering ( dat zijn teksten die bijvoorbeeld op doorschijnend gaas geprint zijn, maar in elk geval lastig leesbaar ), met verborgen luidsprekers waar toepasselijke geluiden uit komen. Er is voorál minder te zien, het gaat tenslotte om het méér beleven. Alles moet tegenwoordig beleefd worden, alsof we niet meer over enige rudimentaire vorm van voorstellingsvermogen beschikken.
Het Nationaal Comité 4 en 5 mei heeft zelfs een app voor de mobiel uitgebracht, waarin je in een ‘Duifkopter’ vliegt ‘voor de vrijheid van je vriendjes’. De debilisering van de Tweede Wereldoorlog ten voeten uit.. We kunnen komende week ook naar de spetterende première van ‘Anne’, de toneelvoorstelling over het leven van Anne Frank, compleet met een uitgebreid dinerarrangement. De musical ‘Soldaat van Oranje’ trekt al jaren volle zalen en is naast een geheide uitgaanstip een kaskraker van jewelste.

De slachtoffers van de oorlog zijn hoofdrolspelers in een theatershow geworden, komen nu tot hun recht in schijnwerpers, 3D-surroundgeluid, technisch spektakel, state-of-the-art ledverlichting of een onbenullig spel op je mobiele telefoon.
En dan is het straks 2 minuten stilte, tussen ‘Studio Sport’ en ‘Eén tegen Honderd’ door. We herdenken met het bord op schoot, vanuit onze comfortabele luie stoel in de woonkamer of het theater, of via het schermpje van de iPhone. Of tussen hoogwaardigheidsbekleders op de Dam, die in volgorde van belangrijkheid hun kransen mogen leggen.

Ik denk aan een stokoude verzetsstrijder, met wie we jaren zijn opgetrokken. Die eenzaam en verbitterd wegteerde in zijn kamer in het verzorgingstehuis, kijkend uit het raam, met uitzicht op een parkeerplaats. Wiens leven na al die jaren nog steeds beheerst werd door de oorlog, en die alles waarvoor hij had gevochten zag wegglijden in een zee van oppervlakkigheid, leegheid en commercie.
Ik denk aan reusachtige stapels schoenen die ik in enorme rekken in Auschwitz en Majdanek heb zien liggen, in de doodse stilte van het nooit meer terugkomen, van het voorgoed verdwenen zijn. Kinderschoentjes, soms nog vaag een kleur te onderscheiden. Aan bakken met knuffels, aan bakken met babyspeentjes.

En ik denk aan stille plekken in de duinen, aan het prachtige zingen van de merels op de Waalsdorper Vlakte, aan een klein en onopvallend monumentje in de bossen bij Nunspeet, waar de 7-jarige John Meyers uit het Verscholen Dorp werd doodgeschoten. Daar, op die plekken, waar geen experience is, en geen diner-arrangement, waar geen dranghekken staan, daar kun je een heel klein beetje beleven wat eigenlijk niet te beleven is. Een glimp van Iets wat elk voorstellingsvermogen te boven gaat.   .    ,

Stresskip

stresskipKleine kinderen, kleine zorgen, grote kinderen, grote zorgen.Als er één spreekwoord klopt, dan is het dát wel. Nu ben ik van nature al een zorgelijk typje, en met drie dochters in de huwbare leeftijd wordt een dergelijke karaktertrek nog eens tot duizelingwekkende hoogte versterkt, dat begrijpt u wel. Die zorgen zijn mij met de paplepel ingegoten; ik was en ben werkelijk overal bang voor, net als mijn moeder die complete Siberische bossen en de voltallige daarin wonende berenbevolking dagelijks op de weg zag. Niets dan goeds over mijn opvoeding verder, maar ik ben daardoor wél wat ..eh .. voorrzichtig geworden.

Het is eigenlijk nog een groot wonder dat ik niet reeds vele malen ben overleden aan een maagzweer of iets dergelijks, en dat als kind al. Ik was bijvoorbeeld jarenlang bang voor bananen, die monsterlijke en angstaanjagende vruchten, omdat ik ooit eens als kleuter op een of ander ingegroeid stokje in dergelijk fruit stuitte, wat tot gevolg had dat ik in een hysterische paniekaanval besloot nooit meer bananen te eten. Ik heb dat meen ik drie jaar vol gehouden. En nu nóg: fruit, dat is mij eigenlijk veel te gezond. Was het mogelijk en zonder gevolgen, dan bracht ik mijn verdere leven door met het eten van vissticks en zoete gemengde drop ( met van die gesuikerde spinnetjes – die niet eng zijn –  er in ).

In mijn kindertijd vulde de muur zich ’s nachts naast mijn hoofd met kronkelende, slijmerige monsters, in mijn kindertijd bewoog steevast de stoel met kleren mijn kant uit en dreigde de eerste kunstmaan die toen als een wonder van techniek gelanceerd was, bliepend en al uiteen te spatten op mijn onder de dekens verborgen hoofd. Als tegenprestatie, om de angst een beetje te verbergen, bracht ik halve nachten heen en weer rollend en luidkeels een divers repertoire aan liederen schallend, in bed door. De voorstelling varieerde van de klassiekers als Moldau en het Britse volkslied tot Franse Chansons en de laatste hits van de Beatles en de Rolling Stones. Bij één lied, de titelmelodie van één of ander jeugdprogramma op woensdagmiddag op de tv, barstte ik altijd in hartverscheurend huilen uit, omdat de daarbij getoonde beelden van een zwerver onder een brug langs de Seine ook ’s nachts nog op mijn netvlies brandden omdat ik het zo zielig voor die man vond.

Ik was natuurlijk ook bang voor honden – die mij dus ook prompt beten of in elk geval heel naar tegen mij deden- , bang voor grote jongens – die mij dus na school geregeld achterna zaten – , bang voor kinderlokkers – waar volgens mijn vriendjes de hele buurt van vergeven was -, en bang voor Karin Hoes, waar ik op de basisschool enige tijd zwaar doch heimelijk verliefd op was, maar die mij tijdens een gevecht voor het oog van mijn vriendjes routineus tegen de grond werkte; een groter afgang is natuurlijk niet denkbaar.

Mijn vroege puberteit was een aaneenschakeling van hopeloze verliefdheden, bang om af te gaan, en van lijdzaam toezien hoe een of andere klojo er dan telkens weer met het object van mijn liefde op het schoolfeest vandoor ging. Ik was natuurlijk ook niet om aan te zien: bloempotkapsel ( “We gaan géén geld aan een dure onzinkapper uitgeven!”), dus met een messcherpe brillantine-in-het-haar-scheiding, stevige zwarte bril met bloempotglazen, stomme, want goedkope C&A-kleren ( “Een boetiek is voor nozems!”), viel er ook niet veel eer te behalen.

Drie dochters hebben voor de nodige doodsangsten en perioden van hevige verontrusting gezorgd. Zestien jaar, en dan naar een feestje van ‘een vriendin’; wat lopen daar voor gozers rond, ik ram ze in elkaar als ze ook maar één poot durven uit te steken. Eén grote drugsbende daar natuurlijk, en dan ook nog een beetje om drie uur ’s nachts thuis willen komen. Waarom kan zo’n feest niet gewoon om acht uur ’s avonds beginnen, met een sapje en zo, en dan om twaalf uur uiterlijk in dromenland.
Met de dochters van 18, 20, 21, én een vrouw, allen blond, rondreizend door Egypte. Dat is toch vrágen om een ontvoering door bebaarde en bloeddorstige Bedoeïenen. Wauwel in het holst van de nacht, heen en weer hossend op een nukkige dromedaris, achter zo’n stel op razendsnelle Arabische paarden aan, voorgoed verdwijnend in de eindeloze woestijn, in een hopeloze jacht op dochters die als blanke slavin verkocht worden en nu ergens bosjes Al Qaida-strijders aan het baren zijn.
Natuurlijk vond niets van dit alles plaats, maar dat was toch wel uitsluitend te danken aan het scherp en achterdochtig oog wat iedereen die binnen een straal van honderd meter mijn blond bezit probeerde te naderen, in de gaten én op afstand hield.

U kent het wel, het kroost is uit feesten, en dus lig je wakker totdat – o heerlijk gevoel van totale ontspanning – je de sleutel zachtjes in het slot hoort steken en je stille voetstappen op de trap naar boven hoort gaan. De weldadige rust die daarna volgt.

Gelukkig is Wauwel gezegend met een gade die in roekeloosheid en ogenschijnlijke zorgeloosheid geheel het tegenovergestelde is van mijn persoon. Zij wil, zo lijkt het, alleen maar enge en gevaarlijke dingen doen, wil parachutespringen, wil snorkelen en duiken – zelfs zónder grond onder de voeten! – , wil wel in de achtbaan en heeft zich ook al eens in een vlaag van volslagen waanzin op 90 meter hoogte laten rondslingeren in een reusachtige zweefmolen in een of ander pretpark. Pretparken zijn ongeveer de gevaarlijkste oorden die er op aarde bestaan, dat weet u natuurlijk wel.

Op moment van schrijven is één van mijn dochters nu in haar eentje aan het rondtrekken in Peru, het land van Joran van der Sloot. Mijn vrouw heeft dat tot mijn ontsteltenis en wanhoop nota bene toegejuicht en gestimuleerd. Waarom nemen vrouwen het toch altijd voor hun dochters op en steunen zij de man niet in zijn krachtdadige opvoeding? Wél mobieltje mee, en stuur voorál je routes en adressen door, en laat élke dag enige malen van je horen. Je houdt zoiets als vader toch niet tegen, zéker als al die vrouwen tegen je samenspannen. We zijn nu op de helft van de reis. Vorige week vrijdagmiddag  het laatste contact: “Ik ga hier uit dansen met een vriend”. En daarna niets meer. “Ze loopt de Inca-trail, daar is geen haast geen mobiel bereik en al helemaal geen wifi, dat weet je toch!”, wordt mij van alle kanten bezworen.
Jajaja, ik weet het wel, ik heb de gruwelijke reisplannen te uitentreuren bestudeerd, maar tóch. Belachelijk dat ze in zo’n land niet op elke straathoek in het hooggebergte van de Andes een gsm-mast hebben staan. Nachten wakker liggen, Rennies binnen handbereik. Twee meisjes spoorloos verdwenen in Panama, hoor je dan op het nieuws. Kan de samenloop nog vreselijker zijn.

En dan, op dinsdagavond, nog nét niet in totale paniek aan de lijn met de Nederlandse ambassade in Peru maar wél ongeveer alle nagels kwijt, een ping op mijn mobiel: “Ik ben weer online, het was fantastisch!”. Dat is de digitale versie van de sleutel zachtjes in het slot, midden in de nacht. Eindelijk rust, Weg stress. Nou, ja, voor even dan. Nog twee weken,nog één pak Rennies,  dan komt het kuikentje weer thuis.

Kerk

Ik kom nog graag in kerken, hoewel ik niet meer in de kerk kom. Een beetje een heiden dus nu. Vroeger niet, vroeger was ik behoorlijk gelovig, en dat is eigenlijk iedereen: de een gelooft dat er iets is, de ander dat er niets is, maar geloven doen we allemaal. Omdat we het eigenlijk niet meer weten, althans, niet zéker weten. We leven in een wereld van bewijzen, zijn die er niet, dan geloven we het wel. Tegenwoordig is dat lastig. Er zijn veel bewijzen, misschien wel te veel.

Voor een kind ligt dat radicaal anders: een kind gelooft heilig in sprookjes, gelooft heilig in Sinterklaas. eigenlijk een heel prettig wereldje: behapbaar, klein, vol verbazing, alles nieuw, een reis naar oma, 80 kilometer verderop, is een wereldreis. Met mijn ouders ging ik op vakantie, van Haarlem naar Den Helder, met de boot naar Texel. Een expeditie gelijk. Voor dag en dauw ( om zeven uur ) op, en volgepakt in de Fiat 500, mijn vader verbeten sturend, mijn moeder allerlei controlevragen snauwend, ‘Weet je wel zeker dat je het gas uit hebt gedaan?’ De stemming vaak te snijden, maar dat merkte je niet als kind. Na uren, leek het, was je in Den Helder, waar een enorm schip ons gezin, de hysterie nabij door het de halve dag wachten in de lange rij in de brandende zon, ons naar de overkant bracht, een oceaanreis was het. Wel twee weken bleven wij, de dagen leken eindeloos en regen zich loom aaneen. Daarna weer voor een jaar naar huis. En dan weer naar Texel, en nog vele jaren het zelfde ritueel. Er was niet anders, geloofde je. Je geloofde in een toekomst, je geloofde dat alles nooit meer zou veranderen, dat je altijd kind zou zijn, ook later als je groot was.

Mijn ouders gingen naar de kerk, zochten er bevestiging. Ik moest dus ook. Meestal een bezoeking. Er lag een boekje: “Psalmen en gezangen uit de Nederlands Hervormde Kerk”. Een creatieve, blijkbaar minder gelovige geest had daar tijdens die verveelde uren letters in weg gekrast, wat resulteerde.in “Palmen en gezagen van de Nederlandse Hoer” . Daaruit werd ik dus gesticht, bezong de lof van de Nederlandse hoer. Puber werd ik, en nog steeds op zondag naar de kerk, want daar ontmoette ik tenslotte ook mijn eerste grote liefde, die de toepasselijke naam Gloria droeg. Dat was fijn zingen toen, want die naam kwam in allerlei liederen voor, dus bulkte je luidkeels mee op het moment suprême.
Ik belandde in een koffiebar, bij een organisatie die Youth for Christ heette. Bestaat nog steeds, de koffiebar in Haarlem is echter niet meer. Er kwam daarna een sexclub in, de duivel in eigen persoon. In die koffiebar, daar ging het mis: vanuit het raam op de bovenverdieping, keken wij, na een avond mede-jongeren bekeren onder het genot van een flesje chocomel, neer in de kamer van de overbuurman. Een typisch figuur volgens ons, want altijd vage blauwe of rode verlichting daarbinnen. Zo eentje die duidelijk niet te bekeren was en wel aan de drugs zou zitten. Daar waren wij – gekluisterd aan het raam – gretige getuige van grote zonde: “Kijk nou, het lijkt wel of daar ook een vrouw op bed ligt. Ja hoor, naakt, en hij trekt z’n broek uit!” Opwinding alom. Ook ernstig gelovige jongeren blijken dus gevoelig te zijn voor de verleidingen des vlezes, en dan maar de hel riskerend.
Toch was het een mooie tijd; je hebt als puber toch enig houvast nodig, en veel slechter ben ik er niet van geworden. Ik bleef ook christelijk, kwam niet in de hel. Het heeft iets prettigs, geeft zekerheid, jarenlang geloofde ik dat die aarde echt in zeven dagen geschapen was, compleet met fossielen en al. Je bent tenslotte God of niet, dan is zoiets een peuleschil.

In Barneveld, na het Vaticaan de plek waar je volgens mij meer kerken en meer gelovigen ( procentueel gezien ) dan waar ook ter wereld bij elkaar vindt, begon de kentering. Een nieuw kerkgebouw, en een dominee die- en dat was al iets vreselijks – vrouwelijk was. Daar komt mijn ouderwetse aard en opvoeding door mijn ouders om de hoek kijken: een dominee mot mannelijk zijn, liefst ouder, rijzig van postuur, en gezag uitstralen. Niks geen modern gedoe. Deze dominee nu was wel eh…vrouwelijk, liep als een marktkoopman die een kar met appelen voortduwde, had de stem van een dokwerker en haalde tijdens de preek voortdurend snorkend haar neus op. Een gruwel was het voor mijn aangezicht. Had Jacobine Geel nu op de preekstoel gestaan, dan had ik nog steeds ademloos en diep gelovig aan haar lippen gehangen, ook als zij het katheder al lang verlaten had; dan was ik nu dus beslist geen heiden geweest. Een dominee op pijlers, in strakke rubberen toga en naad-netkousen, zoiets moet toch kunnen wanneer je als kerk de gelovigen bij de leest wil houden.

Ik dwaalde dus af, doolde letterlijk en figuurlijk door de wereld, zag geloven die al eeuwen geleden waren uitgestorven en die alleen hun stoffelijke resten aan ons na lieten: piramides, godentempels in China, India, Nepal, Bali, Jordanië, Afrika, en de failliete Crystal Cathedral in het wereldse Los Angeles.. Het was alles vergeefs dus, er bleek uiteindelijk niets te zijn. Geloven doen we in tijden van nood. Want dan willen we eigenlijk wel, dan stromen kerken en tempels vol en bieden steun en veiligheid. Of we doen het alleen, in stilte in eenzaamheid, als niemand het ziet, in onze eigen persoonlijke nood, en we ons een beetje schamen.

En dat is nou het mooie, wanneer je als toerist weer zo’n kerk bezoekt in een grote stad te midden van razend verkeer of ergens op een weitje hoog in de Alpen: je komt in een soort hemel van rust en stilte terecht, waardoor je automatisch weer een beetje gaat geloven, waardoor je automatisch weer een beetje kind wordt, verlangend naar het rotsvast vertrouwen van toen. Een zo’n enorme kathedraal, daar zie je mensen uit alle windstreken van de wereld, in de eenzaamheid van hun drukke leven, kortstondig knielend in een kort moment vóórdat ze weer verder reizen, biddend tot hun god, voor mensen ergens op diezelfde wereld die zo heel erg hard en harteloos is geworden. En bij het licht van flakkerende kaarsen lees je de teksten in het gebedenboek, zoals deze intrigerende wanhoopskreet, laatst gezien, ergens in een kerk, waar het soms nog heel goed toeven is:

Deze zin: “Ik was weer erg overstuur en in de war. Het duurde urenlang, en nu ben ik er ziek van geworden”. Waar een kerk en geloof soms toch al niet goed voor zijn. Wie weet keer ik weer eens terug.

gebedenboek

 

Eeuwige liefde

liefdespaarUit de nacht van de tijd zijn zij langzaam naar boven komen glijden. Beetje bij beetje, eerst met grove scheppen, later haast korrel voor korrel, met spades, borstel en penseel, onder het oog van een student, dopjes in de oren, op het ritme van een dreunende beat….

Terug in de wereld na die dag, of die nacht, 1500 jaar gleden, waarin zij in de aarde werden gelegd, naast elkaar, hand in hand, het hoofd van de ene gekeerd naar de ander, de ander als het ware beschroomd opzij kijkend. Postuur en houding doen de vrouw vermoeden, maar dat is gezien door een blik van de twintigste eeuw, gevoed door een schoonheidsbeeld wat bedacht is door snelle reclamejongens en couturiers. Zij wil niet, weert af, hij wil wel, dringt aan.

De echte vrouw ligt rechts, brede heupen, gebouwd om een kind te dragen in een tijd die vol met wonderen en verwondering lag, vol angst voor het onbegrepene, vol angst voor het dreigende, en vol onwetendheid over alles wat verder dan het oog en de mond reikte. Maar ook, in hun geval, vol verwachting voor de toekomst; wij zien een liefdespaar, wij willen dat zien, in onze drang naar verklaren.

Vroege middeleeuwen, Romeinse tijd, een tijd van stilte, leegte, een wijdheid van de wereld, die niet verder strekt dan enige honderden kilometers. Daarna houdt de aarde op; daarachter ligt het godenrijk, het dodenrijk, dat wat dreigend en afschrikwekkend is.
Buiten de muren van de stad, de tempel, het klooster, vonden zij elkaar, omarmden zij elkaar, Onder bomen die het zelfde zijn gebleven, onder bladeren die nog steeds dezelfde koelte geven, het zelfde ritselen. Met merels die onveranderd hun zelfde tonen produceren, Een kus van nu is net zo hartstochtelijk als een kus van toen, een siddering door het lichaam siddert net zo hevig door ons heen. Daar staat de tijd in stil, en meer dan 1500 jaar. Het licht van de sterren, uitgezonden van plaatsen in het oneindig heelal die ook toen al misschien niet meer bestonden, schijnt net zo rustig en koel als op de gezichten van een liefdespaar wat nu, onder de oranje gloed van stadsverlichting, een stille plek gevonden denkt te hebben.

En dan het weten van een naderende dood. De pest misschien, een kou die niet met middelen, bezweringen en zalverijen was te bestrijden. We weten het niet. Het onherroepelijke afscheid, een weerzien in het dodenrijk. De ander kwijnt, en volgt, en warme aarde vult zich schep voor schep boven hun teder naast elkaar gevleide lichamen, hand in hand; dooft boven hen het laatste lome licht in de namiddag, ergens in het Italiaanse heuvelland , voorgoed. Het doffe ploffen van het zand, een trage hartslag die dan stopt.

Het graf verwildert onder de seizoenen, wordt vertrapt door vele voeten, hoeven, wielen, karren, rupsbanden, walsen, asfalteermachines, gebouwen dreunen neer en worden weer ontmanteld. Geen weet van oorlogen, van stervende en in hun doodsstrijd om hun geliefde roepende soldaten, Duits, Italiaans, Amerikaans, boven op de plek waar zij nog steeds maar liggen. De wereld draait als een dolgeworden mallemolen over hen heen.

En dan: zacht gekrabbel, wroeten, een vreemde geur en een reusachtig licht. Dit is niet het godenrijk, dit is nu. Zijn worden herboren, begeleid door het slissen van de muziek uit de oordopjes van de jonge student, die aandachtig met zijn borsteltje hun lege ogen blootlegt, die hun handen van het stof ontdoet, de ring aan de vingers weer openbaart, en die hen liefdespaar noemt. Hun foto flitst over de wereld die nog veel meer dan 1500 jaar verwijderd lijkt van die van hen. Zij liggen in een ander universum. Binnen enkele uren reizen zij de niet meer platte aardbol rond, vergaren zij honderdduizenden likes, meer mensen dan zij ooit in hun korte leven konden tellen.

Eeuwige liefde, ook straks, maar niet meer op die plek, waar zij samen 1500 jaar jaar doorbrachten. Straks wordt een museum, een zaal, een glazen vitrine onder kunstlicht. Nooit meer zonlicht, nooit meer maanlicht, nooit meer merels en nachtegalen in de avond. Straks een zacht zoemen van de klimaatcontrole, de stille stap van een nachtwaker, die even stilstaat bij hun glazen kast. In het strijkende licht van zijn zaklantaarn schittert even kort een vonkje uit haar ring. Een flits van een liefdespaar in eeuwigheid.

 

Noot:
Dit stuk schreef ik naar aanleiding van een foto die ik op Twitter tegenkwam.. Een van mijn volgers, @Touaregtweet, zond mij deze link met wat achtergrond-info, waarvoor dank! Ik heb expres gewacht met lezen, ik vind dat je eerst ruimte moet kunnen geven aan je fantasie. Wel wist ik dat dit paar gevonden is in Noord-Italië, en dat het ongeveer 1500 jaar oud moest zijn. 

Onderhoud!!!

Het uiterlijk takelt met de jaren verder en verder af. Zo ook Wauwel. Het werd wat sleets. Daarom, op dit moment, werk aan de winkel met een andere layout. Het is nog niet klaar dus. Maar wel leesbaar. Lees maar.

Wat betreft de kunst: de schilderijen, foto’s en tekeningen komen nog. Eerst eens op mijn gemak overzetten vanaf mijn oude site met kunstwerken: www.reinbijlsma.com. Wie niet kan wachten ( ja je weet het nooit hè?) kijkt daar nog maar even.

Insomnia

Naarmate een mens ouder wordt, schijnt die mens minder behoefte te hebben aan slaap. Ik ben dus ook zo’n ouder wordend persoon, en op mijn zestigste gaat de aanname voor mij inderdaad op. Je krijgt op een gegeven moment iets hijgerigs over je, zo van dit wil ik nog en dat wil ik nog voordat ik in een verzorgingsgesticht voor hinderlijk in de maatschappij aanwezige ouderen wordt opgesloten. De nacht wordt dan ook een beetje een storende onderbreking van alles wat je nog wilt doen als je later groot bent.

Daar komt nog bij dat de moderne mens, zelfs de oudere, de beschikking heeft over andere middelen dan alleen maar een saai boek ( waar je dan weer snel door in slaap valt ) en een leeslampje. Beide zijn niet meer nodig, want we hebben immers ons mobieltje, onze nieuwe levensader, bij de hand. En daarop is licht, is nieuws, zijn boeken en zijn mensen, van wie er altijd wel enkele ook op datzelfde moment last hebben van slapeloosheid of die gewoon aan het werk zijn. Nu zit ik in het onderwijs, en het is opvallend hoe veel collega’s in het holst van de nacht op Twitter nog reppen van nakijkwerk, van boeiende docentenlectuur die ze aan het lezen zijn, van onderwijsvernieuwingen of onderwijsafbrekingen, en van hun afschuw over het huidige kabinet. Het heeft iets van helemaal aan het einde van de dag nog zorgen dat je even langs het kantoortje van een over jou gestelde onderwijsmeerdere loopt, in de hoop dat die zal opmerken en onthouden dat je nog heel laat aan het werk bent, in tegenstelling tot de vrijdagmiddagen, waar je op veel scholen een kanon kunt afschieten.

Nu ben ik dus van gevorderde datum, én man, en dat houdt in dat je er ’s nachts wel eens uit moet om aan bepaalde drang gevolg te geven, wil je tenminste niet het gevoel hebben wat je midden in de nacht in de tent op de camping wel eens hebt: zal ik nu wel of niet gaan pissen, en als ik dat wél doe is het weer zo’n enorm geheister met die slaapzak en die ritsen en moet ik me dan wel of niet helemaal aankleden en dan over dat koude gras met closetrol onder de arm ( die steevast in het bedauwde gras valt ) naar het pleegebouwtje of zal ik het maar achter de tent tegen de struikjes gaan doen met het risico dat een of andere oplettend type je met een Mag Light in het volle licht tentoonspreidt terwijl je daar in je blote togus niet snel genoeg kunt stoppen met plassen want je prostaat is immers als zestig.
Wanneer je dus eindelijk weer in je koud geworden bed ligt, ben je wél klaarwakker, en grijp je dus naar je mobiel.

De meeste nachtelijke tweets hebben een luchtig karakter – het hangt er ook een beetje van af wie je volgt natuurlijk – maar soms komt er eentje langs waar een wereld van narigheid of wanhoop achter lijkt te zitten, en dan vormen Facebook en Twitter wel een vrij treurige omgeving om daar uiting aan te geven.   Nu zoeken de mopperaars, de wereldverbeteraars en de lichtvoetigen van geest elkaar, net als in de echte wereld , wel op dus er zijn altijd lieden die troost of vermaak kunnen bieden. In 140 tekens, dat wel, dus je kiest je woorden ook nog eens met zorg. Ik reken mijzelf geregeld tot de mopperaars en de klagers ( volgens mijn vrouw altijd ) , dus kan ik heerlijk zwelgen in allerlei leed en tandengekners.

Elk mens heeft zelfbevestiging nodig, en dat is natuurlijk ook een van de redenen waarom men op twitter gaat en noestig volgers bijeen spaart. Vroeger speldjes en Flippo’s, nu draait het om volgers, en die sprokkel je bij elkaar door iets zinnigs te zeggen, in wat voor vorm dan ook. Bijna 1900 mensen vinden mij, oude zeur, brompot en mopperaar, blijkbaar zinnig, terwijl zij zelf gezien hun tweets vaak tot de groep met een wat opgewektere levenshouding behoren, iets wat ik mij natuurlijk nauwelijks kan voorstellen, dat begrijpt u wel.
nachtMensen gaan bij het zoeken naar contacten in eerste instantie voor het uiterlijk, ook al is dat vaak maar een indruk van niet meer dan enkele seconden. Nu zegt dat op Twitter en andere social media niet veel, want iedereen kan elke willekeurige identiteit met elk gewenst fantastisch uiterlijk aannemen, en je weet dus nooit helemaal zeker met wie je nu eigenlijk echt te doen hebt. Misschien ben ik wel een strakke jonge ge-tepelpiercte en getatoueerde  blondine met een IQ van 60 die is afgewezen voor het programma Utopia wegens té intellectueel. Je moet dus afgaan op de teksten en de eventuele foto’s die bij tweets geplaatst zijn. Daarin verraadt men zijn of haar persoonlijkheid.   Zo is Twitter een exacte kopie van de werkelijkheid, eentje met diverse sociale lagen waarbij we ons in ons eigen laagje het prettigst voelen, maar waarbij het meer dan in de werkelijkheid veel makkelijker is om eens een kijkje in bijvoorbeeld een tokkie-leven te nemen. Dat laatste kan voor sommigen nog wel eens een schok zijn. Docenten moeten voor de aardigheid eens zoeken op de hashtag #kutschool, waarbij je ook #kutsgool niet moet vergeten, want qua spelling hollen we nogal achteruit. Zij zullen zich vervolgens afvragen in wat voor levensgevaarlijke omgeving zij eigenlijk hun dagelijks werk doen, iets om werkelijk gehéé slapeloze nachten  van te krijgen.

Wat nog het meest zegt over de persoon op Twitter, wordt gevormd door de foto’s. Een beeld zegt meer dan woorden, en nu begeef ik mij op glad ijs, want bij vrouwen zie je dan vooral foto’s van kleding, de kinderen, bloemetjes en plantjes in en om de tuin, iets wat ze vandaag gekocht hebben ( een tas of zo ), een enge levende spin op het plafond, mooie plaatjes met mooie dichtregels en vooral: heel veel eten. Allerlei gerechten passeren de revue, ontelbare glazen wijn, liflafjes, de kerst- en paasdissen en de terrasjes met koffie en gebak in het zonnetje. Hoe zoet is het leven.
De mannen in mijn timeline gaan in het algemeen voor het ruigere en zwaardere en meestal saaiere werk: auto’s, politieke spotprenten, een kantooromgeving, een foto van de file waar ze in staan, eentje die heel veel ( meestal dikke ) damesbillen plaatst, statistieken uit de krant, en foto’s van computers, een platgeslagen spin op het plafond, mobieltjes of andere dingen met veel knopjes. Zélden plaatsen mannen een gevoelige tweet, er is opvallend weinig geklaag over exen of lichamelijke kwalen. Wel veel geneuzel over foebel, daar hoor je vrouwen gelukkig nou nooit over.  De zondag is met alle sport-tweets soms een bezoeking.
Wat mannen en vrouwen bindt, zijn de tv-programma’s. We zitten dan met z’n allen in de digitale kroeg naar de buis te staren, en spuien een stroom van commentaar.

Hoe veilig allemaal, want we kunnen ons mobieltje weg leggen wanneer we willen, tot we midden in de nacht ineens behoefte hebben om gehoord te worden, écht gehoord. En inderdaad, soms luistert er dan iemand, een echt persoon, en die geeft nog antwoord ook. Op internet ben je nooit alleen, ook niet midden in de nacht.

 

Auto kopen

autokopenOneindig veel moeilijker dan het kiezen van de juiste vrouw is voor een man toch wel de keuze voor de juiste auto.  Zo’n vrouw kies je – in het gunstigste geval – maar eens in je leven, op jonge leeftijd, wanneer je nog niks gewend bent maar een auto  slijt wat sneller op alle gebied, dus die moet vaker vervangen worden. Een auto is ook het enige in je leven waar je als man een zekere mate van controle over hebt: je duwt of drukt ergens op, en er gebeurt wat je mag verwachten. Een vrouw heeft dan toch meer iets van de eerste Lada’s: je duwt of draait ergens aan, en dan is het vervolgens zeer onvoorspelbaar of het beoogde resultaat ook bereikt wordt. Grillen, dwarsigheid, kwalen; koop geen Lada.

Een auto kopen is dus ook een mannending: de autobladen worden door mannen gemaakt, de programma’s op tv worden door mannen gemaakt, een vrouw mag hoogstens als lardering wat schaars gekleed op een motorkap rondkronkelen. Nu ben ik zo beïnvloedbaar als het maar zijn kan, dus leg zo’n juffrouw op het plaatwerk en ik koop mogelijk dat model ( de auto ), maar hier in dorpje B. op de Veluwe, midden in de BibleBelt zou zulks een waar volksgericht veroorzaken en ik voel me hier soms toch al zo’n nieuwerwetsche westeling uit het boze westen., en in feite ben ik dat als Haarlemse mug ook.

Mannen hebben zeer kleine hartjes, zijn volslagen hebberig en willoos en kicken in heel veel dingen puur op uiterlijkheid. Een dankbaar object voor handenwrijvende autoverkopers, die in drommen op zo’n volslagen technisch onbenul als ik zelf ben afstormen. “Hoeveel pk heeft uw huidige wagen?” Weet ik weel, als iemand zegt dat het er vijf zijn geloof ik dat, en als het er vijfhonderd zijn geloof ik dat ook.  Een beetje verkoper kan mij dus alles wijsmaken. Ik rij dan ook al weer een aantal jaren in een Zafira, de typische docentenauto,  bij steeds dezelfde garage, want mannen vertonen  ook nog eens zeer weinig durf, wanneer het gaat om het overstappen naar een ander merk en dus een andere garage.  En garages, dat is de vijand, die lichten je op en maken je alles wijs, die ogen van zo’n gladde verkoper boren gewoon dwars door je heen, je hóórt hem denken: daar heb je weer zo’n sukkel. En zo’n sukkel ben ik. Twee auto’s ( heule grote, want passend bij ego ), heb ik al naar de Filistijnen geholpen doordat er een rood lampje ging branden, maar wat ook weer vaak wel uit ging, dus blijkbaar tóch niets aan de hand.

Er viel dus vorige week een reclamefoldertje in de bus wat € 2000 extra boven op de inruilwaarde van mijn huidige auto beloofde, bij aanschaf van een nieuwe Opel, plús een tankpas van €500, plús bi-fuel  upgrade ( Watte?) , plús nog iets, maar ik weet niet meer wat dat was. Alléén deze week geldig, dus snel beslissen, waarschuwde het epistel.  Ja dan sta je dus in dubio. Ineens was de oude auto erg wrakkig, viel de bodem er ongeveer uit, zouden de remmen wel eens kunnen weigeren, werd de auto veel te groot nu de kinderen het huis uit waren  en was het parkeerlampje stuk, en alleen het idee al dat ik zoiets zelf zou moeten kunnen vervangen bezorgde me al slapeloze nachten. Weg met dat wrak dus, maar hoe kleed je nu zoiets aan zó, dat je vrouw daarin een beetje meegaat? Ik hoef bij haar niet met hippe kleuren of modellen aan te komen, en vrouwen kunnen zó vreselijk ontmoedigend reageren wanneer jij met krampachtig blij gezicht allerlei voordelen van het bezit van een nieuwe bolide ( ja niet helemaal nieuw hoor) op somt. Je haalt foldertjes in huis, je mist halve conversaties door je getuur in autotests op je iPad, en je komt met allerlei half onderbouwde berekeningen over voordeel in verbruik en kosten waarbij een beetje VVD-staatssecretaris van Financiën  zou verbleken. Je hebt het object van je dromen in de garage zien staan, en er gruwelijk trots een proefritje in gemaakt, waarbij je denkt dat alle medeweggebruikers naar jou kijken, en je bent inmiddels zó verblind door pure hebberigheid dat de nadelen en de gebreken die je in de diverse reviews óók tegenkomt, volledig verbleken of als klinkklare leugens beschouwd worden. Een beetje mijn nieuwe auto-in-spé afkraken, zeg! Je rijdt er natuurlijk even mee naar huis -de hele straat hangt amechtig uit de ramen – , je vrouw komt naar buiten en merkt op: “O, hij is tenminste kleiner dan de vorige” en gaat weer naar binnen om iets onnozels te doen. Deceptie, deceptie. Ik moét die auto gewoon hebben, dat budget, ach, als je een beetje rekent, en liefst creatief, dan kom je als je nog dertig jaar in dat ding rond rijdt, toch nog redelijk voordelig uit.

Nachten wakker  en in bed liggen woelen, sinds die stomme folder in de bus rolde, de tijd tikt voorbij, het kan alléén deze week nog, daarna nooit meer. En de vrouw maar zoet slapend naast je; die wil gewoon niet begrijpen hoe moeilijk de man het heeft, welk een zware last er op zijn schouders rust. Vrouwen komen echt van een andere planeet. Eentje waar geen auto’s rijden.