
China wordt naar verhouding maar door een handjevol toeristen bezocht. Als er dan zo eentje komt, is die al snel een bezienswaardigheid, en die moet dus gefotografeerd worden, bij voorkeur pontificaal, maar soms ook heimelijk. Dan wordt er net zo lang heen en weer gedrenteld totdat jij bijna het volledige zicht op de te fotograferen tempel of het standbeeld van de grote roerganger ontneemt, maar dan heb je ook wat. Liefst met het enige kind er bij, en daarna met de vader en vervolgens met de moeder. Leuk om straks thuis te laten zien, zo’n wildvreemde westerling. Grote groepen – en die zijn er overal – staan je ongeneerd aan te gapen. Zo voelt het dus om de reïncarnatie van Michael Jackson te zijn.
Ons overkwam dat dus geregeld. Als je dan vervolgens aanbood je eigen foto’s via email naar ze op te sturen, werd er vriendelijk gegrijnsd en geknikt, maar begrijpen waar je het over had, ho maar. Ach, waarom zou je als Chinees ook Engels leren spreken, als je weet dat je over een paar jaar het belangrijkste land ter wereld bent, waarbij de Verenigde Staten tot een soort Andorra verbleken? Met Engels kom je dus niet ver. Het woord ‘email’ is volslagen onbekend, ‘internet’, nooit van gehoord. In internationale hotels wordt niet of nauwelijks Engels gesproken, en het bestellen van een eenvoudig glaasje wijn kan een hele opgave zijn. Zo wilde Wauwel op een avond wel een alcoholische versnapering tot zich nemen, dus de ober gewenkt, en gewezen op het glas rode wijn van mede-groepslid Jan. Dat werd niet begrepen. Of ik bier wilde. Nee, wijn, maar dan wit, graag. Grijns grijns, vriendelijk lachje. “Led wine? “. De wijnkaart erbij, waarop je kon kiezen uit Red, White en Rose. Na enige minuten de diverse soorten aanwijzen die ik niet wilde hebben, vergezeld van afwijzende gebaren, hoopte ik dus op een wit glas wijn. Even later verscheen de ober met rose. Ach ja, is ook lekker.
In een supermarkt op zoek naar kant-en-klaar-noedels, die daar in ongeveer duizend verschillende soorten te krijgen zijn, maar dan wel allemaal met Chinese opschriften, en op de plaatjes is alles met saus overgoten, dus je weet niet of je nu hond of vis naar binnen gaat werken. Pas nadat ik klapwiekend en tok-tok-tok roepend door de winkel laveerde, begrepen de verkoopsters dat ik kip wilde, en werd mij een bak met onbestemde plaatjes overhandigd. We hadden wel een lijst met allerlei gerechten in Chinese tekens mee gekregen, maar die had natuurlijk ook geen enkel effect.
Chinezen zelf eten trouwens alles. De uitdrukking: “Alles wat vliegt behalve een vliegtuig en alles wat pootjes heeft, behalve een tafel en een stoel” klopt heel aardig. Op de diverse markten zie je gruwelijke uitstallingen van dingen waarbij je niet durft te raden wat het is, bakken met krioelende schorpioenen, pakken gedroogde zeepaardjes en afgehakte hondenkoppen aan haken, waarachter de lotgenoten lijdzaam in hun kooitje zitten te gapen. Sommige delen van zo’n markt zijn verboden voor westerse toeristen, zo wist reisleidster Anna ons te vertellen. Je wilt dus niet weten wat daar allemaal te koop wordt aangeboden.
Nee, dan maar ’s avonds op de hotelkamer de kip-of-wat-het-ook-wezen-mag-noedels naar binnen geslobberd. Gewoon met een bijgeleverd inklapbaar vorkje, wat bij de eerste hap door midden brak. Maar misschien kwam dat doordat ik te verkrampte spieren had van het eten met stokjes. Hoe werk je trouwens een hondenkop met chopsticks naar binnen?
Wordt vervolgd

Ik moet hoognodig eens naar China. Kan ik me ook eens XXL voelen.