Ik loop in een wolk. Om mij heen stilte, slechts onderbroken door geklingel van koeienbellen en het druppen van water uit de dennenbomen om mij heen. Vaag zijn zij zichtbaar, doemen in flarden op, verdwijnen in zwijgende schimmen.
Een natte mist van druppeltjes waaiert om mij heen. De wereld is gekrompen tot een meter of tien. Het is wel goed zo. Ik zou weken door kunnen lopen. Langzaam, stap voor stap, hoger, hoger.
Er is niemand anders meer op deze aarde, in deze wolk. In deze witte cocon van natte draden, draag ik mij zelf omhoog; hoe hoog, ik weet het niet. Het zou rond zestienhonderd meter moeten zijn, straks tweeduizend. De aarde ontstijgen, op eigen kracht, een vogel zonder vleugels hoog in de lucht.
Het alleen zijn in de mistige, kille wade is een oase van rust. Waar beneden de wereld woedt, waar men elkaar letterlijk en figuurlijk uitmoordt, met kogels, zwaarden of met woorden, lijkt dit een ander heelal. Het geluidloze van de ruimte, de kou die langzaam in mijn botten dringt, die verdooft en kalmeert. Als het zinken in een verre oceaan, een oceaan van damp.
Zo nu en dan is er een flard van wind, die een kortdurend venster biedt op andere wolken om mij heen. Zij wervelen, tollen in soms herkenbare gedaanten, draaien weg, en herbergen elk een zelfde mens als ik. Toch zien we elkaar niet, blind drijven we omhoog in een klamme omstrengeling, ons roepen is een ijle zucht.
Boven mij wordt het langzaam lichter. Een parelmoer grijs, ik bereik het oppervlak, de top.
Ik veeg de druppels van mijn gezicht. Rondom mij strekt zich een eindeloze zee, wit, vlak, zonder golven, slechts een verstild raken aan een eindeloze kust. Een grijze oceaan, een horizon zonder enig schip.
Vreemde grauwe schelpen kraken onder mijn voeten, grijs zand, zover het oog nu reikt. Kleine golfjes mist slaan geruisloos, als rimpels, tegen mijn voet. Een bleke spiegel strekt zich voor mij uit, en daar, traag dichterbij, drijft een fles. Flessenpost. Een baard van algen heeft zich afgezet, het glas is dof in mijn handen, deels bedekt met zeepokken. Mijn nagels pulken aan de kurk. Ik ontwaar papier en schud de boodschap door de hals.
Er is hier nog iemand die iets zoekt. Wij spreken elkaar door de tijd heen, over een oceaan van wolken. Het papier ontrolt zich in mijn kleumende handen. Niets is er geschreven, een leeg bericht. Ik zoek of ik vervaagde letters zie, maar nee, het is een blanco vel. Een kreet zonder geluid.
Tussen de schelpen en de kiezels graai ik naar iets om wél te schrijven. Tevergeefs. Het kalk doet het papier slechts scheuren, ik staak mijn poging. Voorzichtig rol ik het vel weer op en schuif het terug in de fles. Ik duw de kurk weer terug en werp uit alle macht mijn woordeloze antwoord in de wolk. De zee trekt dicht. De fles verdwijnt. Ooit kom ik hier terug. Ik kan het vinden, ik onthoud de plek, wachtend aan de wolkenoever, wachtend op mijn post.
