Het management van het eerbiedwaardige onderwijs-instituut waar ik werk, heeft in zijn onuitsprekelijke wijsheid besloten, dat het voor de medewerkers goed is op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen omtrent de examinering in het Competentie Gerichte Onderwijs (CGO). Ook ik behoor tot de uitverkorenen, dus mag ik vandaag de elementen trotseren om mij te vervoegen in de bossen ergens bij het dorp E. op de Veluwe. Het CGO heeft daar een etablissement afgehuurd, waar wij drie keer een hele dag (!) zullen moeten leren dat examens van vroeger allemaal knudde waren en dat het licht ons nu gebracht zal worden door de Proeve van Bekwaamheid (PvB), waarbij een leerling gedurende enkele uren allerlei zaken doet die door een examinator ( dat heet dus nu ‘assessor’, net als een huisvrouw nu ‘domestic manager’ heet ), vermoedelijk gekleed in een lange wittte doktersjas, aantekeningen makend op zo’n blocknote en streng turend door een bril-met-zonder-glazen, worden beoordeeld. Drie dagen lang, op een vrijdag. Ik heb daar natuurlijk enorme zin in, dat begrijpt u wel. De auto heeft geen vier lekke banden, ik heb vannacht niet onverwachts een kind gekregen, en het dorp is niet van de buitenwereld afgesneden door hevige sneeuwstormen… misschien dat iemand nog een suggestie heeft. Via Twitter zal ik u vandaag kond proberen te doen van de wederwaardigheden, tenzij men daar het gebruik van alle mobiele apparatuur blokkeert… En binnenkort natuurlijk meer.
Deel 2:
De eerste dag van de training zit er op. Na een half uurtje rijden en wat zoeken in het bos belandde ik bij een wat verlopen conferentie-oord, met opengebroken kamertjes en verlaten biljarttafels, en hier en daat wat nettere zaaltjes. Bij de receptie stond een duidelijk trainerstype, in blijde afwachting van de kandidaten. Aan mijn gezicht moet hij hebben gezien dat ik er eentje was; ik werd tenminste vriendelijk doorverwezen naar een bovenzaaltje, waar nog drie van de zeventien te verwachten collega’s koffie stonden te drinken, in dezelfde berustende houding als ik. We zouden om haldf tien beginnen. Uiteindelijk bleken acht collega’s voorgoed verdwaald in de omliggende bossen, maar de beide trainers hielden de moed er in.
Ga er maar aan staan, een training geven over een redelijk abstract onderwerp aan een groepje lieden die door hun baas naar de plaats delict zijn gestuurd, op de laatste dag van een drukke wekweek, in het vooruitzicht tot vier uur ’s middags getraind te worden. Ik moet eerlijk toegeven: ze deden hun best, bleven opgewekt en vriendelijk, en leefden ernstig met ons mee, net als de vele twitteraars in het hele land die mij gedurende de dag allerlei opbeurende tweets stuurden als reactie op mijn bevindingen.
We begonnen dus ook met het bekende voorstellingsrondje en het schrijven van het naamkaartje. Daarna de oefeningen. Ooit was ik op een bijeenkomst waar de trainer ons in groepjes verdeelde, ons allemaal een rieten mandje met ingrediënten gaf ( theedoek, kammetje , enz. ), waarmee wij vervolgens een denkbeeldig land moesten ontwerpen en dat alles met stickers op een flapover moesten toelichten. De dag ontaardde in chaos, waarbij de duur betaalde coach steeds wanhopiger en met steeds hogere piepstem riep : “Mag ik even orde, orde, ja?”, daarbij met twee handen aanhalingstekens in de lucht makend. Geen lastiger leerlingen dan docenten.
Ook hier ontbrak tot mijn grote schrik de flapover niet, en we begonnen met een “oefening”… Op de vloer werden allemaal speelkaartjes uitgespreid waar we er eentje met een voor ons passende omschrijving uit moesten kiezen. Nu maak ik al dertig jaar onderwijsveranderingen en dienovereenkomstige trainingen mee, dus ik koos voor “kan relativeren”.
De ochtend kabbelde voort: veel peinzend naar elkaar kijkende en zachtjes fluisterende trainers, en cursisten die papiertjes vol schreven met diverse zelfbeschouwingen. Mijn grootste angst was, dat we ergens op de dag in een Sjamaanse zweethut in het omliggende bos zouden belanden, waar we geheel naakt, en al schreeuwend naar elkaar, onze eigen persoonlijke dolfijn zouden moeten leren ontdekken om daarna, geheel wedergeboren, de rest van ons leven met een verzaligd gezicht competentiegerichte toetsen af te kunnen nemen.
Dat bleek mee te vallen. Er was slechts één gruwelijk moment, toen we na de middagpauze duo’s moesten vormen en tegenover elkaar gaan staan: “We gaan nu tot drie tellen. De eerste zegt: ‘één’, de tweede: ’twee’ en de eeste dan weer: ‘drie’, en dan de tweede: één’, enzovoort.”
Gevoelens van machteloosheid en ontreddering begonnen de kop op te steken. Maar het ergste moest nog komen: “Nu zeg je geen ‘één’ meer, maar maak je een geluidje ‘Briep!’ En, nog erger: “Nu zeg je geen ’twee’ meer, maar in plaats daarvan maak je een spongetje!”……
De lezer zal begrijpen dat Wauwel op dat moment dienstweigeraar werd. De rest van de uren verliep als in een soort droom, je schrikt wakker uit iets naars en ontdekt dan dat het echt is. Maar, eerlijk is eerlijk, de trainers konden er ook niets aan doe. Het bleven rustige en vriendelijke jongens. De laatste twintig minuten werden besteed aan het naast elkaar leggen van de agenda’s voor de volgende cursusdag. Thuisgekomen, overwoog ik even om mij zelf een alcoholisch delirium te bezorgen, maar ach, een simpel Belgisch biertje deed mijn verhitte gemoed ook weer wat kalmeren. Weekend. En de volgende cursus: wie dan leeft, wie dan zorgt.

