Onderwijsvernieling ja of nee

Op Twitter barstte op Nieuwjaarsdag een discussie los over een artikel op de site van Kennisnet; dat lijkt al in juni geplaatst, maar in het onderwijs gaan de ontwikkelingen gelukkig soms toch nog wat minder snel dan iedereen denkt, dus nu pas vliegen diverse lieden elkaar in de haren. Voor wie geen zin heeft om op de link te klikken: het komt er op neer dat de auteur een pleidooi houdt voor een minder krampachtige houding tegen het gebruik van mobieltjes in de klas. Niet iedereen is het daar mee eens. Men krijgt al genoeg onderwijsvernieuwing over zich heen, en de frustratie richt zich onder andere op het feit dat die vernieuwing vaak door mensen langs de zijlijn van het onderwijs wordt bedacht.
Nu werk ik al weer zo’n 35 jaar in het onderwijs, voornamelijk als docent, en ik kan dus wel zeggen dat ik toch minstens 35 onderwijsvernieuwingen heb moeten slikken. De meeste pakten niet goed of desastreus uit, en wanneer je ziet dat het kennisniveau de afgelopen 35 jaar met sprongen achteruit is gegaan, dan kan ik me voorstellen dat je niet op nóg een verdere aantasting van de nu langzamerhand rudimentaire vaardigheden zit te wachten. Mobieltjes, social media, de ICT; ze worden door veel mensen in het onderwijs als een bedreiging gezien. Er zijn op scholen in de afgelopen decennia werkelijk miljoenen over de balk gesmeten aan allerlei ict-projecten en in een tijd van voortdurende bezuinigingen en daardoor verdere afbraak van het onderwijs is zoiets frustrerend. De wrevel is begrijpelijk. Wie zoals ik tot de groep van “ICT-nerds” of – iets positiever -” ICT-voorlopers” binnen de school behoort, moet oppassen niet in de valkuil van “ICT in de klas is toch vanzelfsprekend en leuk!” te trappen. Ik kan mijn vrouw niet kwader krijgen dan als antwoord op een computerprobleem te beginnen met “Nou, gewoon”.

Het feit dat onze leerlingen de hele dag door ongeveer vergroeid lijken met hun mobieltjes, wil nog niet zeggen dat zoiets in de klas dan ook maar “gewoon” en “leuk” moet zijn. Docenten, én leerlingen,  zijn geen lemmingen, hoewel het daar vaak steeds meer op begint te lijken. ICT-voorlopers zijn snel geneigd om dingen als vanzelfsprekend te beschouwen die door veel collega’s nog als iets buitenaards worden gezien.  Het past dan niet om die collega’s af te schilderen als halsstarrige mastodonten die elke verandering tegenhouden.

Een instantie als Kennisnet propageert al jaren het gebruik van ICT in de klas maar of dit nu geleid heeft tot zoveel betere onderwijsprestaties is nog maar de vraag. Natuurlijk, er zijn zat onderzoeken waarin een verbetering wordt aangetoond, maar zo kun je evenveel onderzoeken opvoeren waaruit het tegendeel blijkt. Het gaat altijd om deelgebieden, bij specifieke groepen gebruikers, met specifieke wensen en vaardigheden. Je voelt je langzamerhand als school of als docent een beetje schuldig wanneer je nog niet met een digiboard werkt en wanneer je nog ouderwetsch de lesdag in groep 8 besluit met voorlezen uit een spannend boek in plaats van met het klassikaal bekijken van een filmpje op YouTube.
Het scheelt ook nogal of  je voor een klas met HBO-leerlingen of een klas met VMBO-leerlingen staat. Probeer die laatsten maar eens van het voortdurend controleren van de updates op Hyves en Facebook af te houden. Het is verschillend publiek, en dat heeft verschillende benaderingen nodig.  Ga een VMBO-docent dus vanuit een redelijk luxe positie als HBO-docent of onderwijs-adviseur niet met een blij gezicht vertellen dat hij z’n klas in een achterstandswijk de hele les door moet laten pielen met het mobieltje, omdat dat zoveel meerwaarde heeft en omdat die man of vrouw met de tijd mee moet gaan.

We moeten niet klakkeloos achter en alle gadgets aanhollen en daarbij de onderwijsrealiteit uit het oog verliezen. Kennisoverdracht via het mobieltje en social media  kan vreselijk leuk zijn, kan daadwerkelijk iets toevoegen, maar dring het niet op en presenteer het vooral niet als de ultieme onderwijsvernieuwing.  Dat hebben we inmiddels vaak genoeg gehoord. Ik word vaak genoeg door mijn leerlingen teruggefloten wanneer ik weer begin over twitter in de les en wanneer ik al te enthousiast van de ELO gebruik maak. Leerlingen en docenten, die vormen eigenlijk een behoorlijk behoudend volkje. Laten we daar maar een beetje rekening mee houden. ICT-bescheidenheid siert de mens.

Me-Paper project

Sinds enige tijd behoor ik tot de honderd uitverkorenen onder de Nederlandse bevolking die mee mogen doen aan het “Me-Paper project”. Ik citeer even ( een heel verhaal, maar u mag het oranje gedeelte ook even overslaan, dus niet gelijk wegzappen):

“Door de technologische en maatschappelijke ontwikkelingen is het voor de dagbladwereld van belang om na te denken over hoe de krant er in de toekomst uit zal zien. Allereerst hebben mensen 24 uur per dag de mogelijkheid het laatste nieuws te ontvangen door (mobiel) internet.Daarnaast vertonen de nieuwe generatie beeldschermen een grote overeenkomst met papier. Ze zijn goed leesbaar in fel zonlicht en minder vermoeiend om lang te gebruiken. Deze twee ontwikkelingen leiden er toe dat de leesbaarheid en mobiliteit van de papieren krant gecombineerd kan worden met de mogelijkheden van online media. Hiervoor is het echter wel noodzakelijk dat het huidige krantenconcept aangepast wordt aan de digitale documentlezers.

In het MePaper project worden dan ook nieuwe journalistieke formats gemaakt voor deze digitale krant. Daarbij staat niet de technologie centraal, maar de redacteur, de dagbladlezer en het soort artikelen dat het beste past bij de digitale krant.  Deze formats worden door vijf Nederlandse kranten en twee onderzoeksinstellingen van april 2007 tot maart 2009 ontwikkelt voor mobiele digitale documentlezers.

In het MePaper project zal de nadruk liggen op geheel nieuwe manieren van informatieordening, waarbij optimaal gebruik wordt gemaakt van de sterke kanten van het internet. De lezer krijgt een belangrijke rol in de beoordeling van het resultaat: steeds worden ontwerpen voorgelegd ter evaluatie en advies. Dat geschiedt in speciaal hiervoor ingerichte lezerspanels, samengesteld uit betrokken lezers die zich voor dit doel hebben aangemeld. Behalve in panels zullen lezers ook op meer incidentele basis proefontwerpen beoordelen.  Zo groeit de zekerheid dat de krant van de toekomst zal aansluiten bij de sterk gewijzigde consumptie- en leefpatronen en anders gedefinieerde informatiebehoeften.

De lezer van de toekomst ritselt niet meer met bedrukte pagina’s maar navigeert door voortdurend geactualiseerde databestanden. Die staan op kleine, mobiele, online documentlezers. Geen science fiction, maar nabije realiteit. Door de technologische vooruitgang op het gebied van (mobiel) internet hebben mensen de mogelijkheid om 24 uur per dag het allerlaatste nieuws te ontvangen. De nieuwe generatie beeldschermen vertoont grote overeenkomst met het vertrouwde papier. Ze zijn goed leesbaar in fel zonlicht en minder vermoeiend om lang te gebruiken. Verder hebben deze apparaten een handzaam formaat. Het gevolg hiervan is dat de leesbaarheid en de mobiliteit van de papieren krant gecombineerd kunnen worden met de mogelijkheden van online media.De digitale krant op mobiele documentlezers: Het MePaper project. De participerende kranten zijn: de Barneveldse Krant, het Eindhovens Dagblad, het Financieele Dagblad, SP!TS en de Volkskrant. De betrokken onderzoeksinstellingen zijn: het European Centre for Digital Communication (EC/DC) in Maastricht, coördinator van het project, en het Vlaamse Interdisciplinary Institute for Broadband Technology, IBBT.De te ontwikkelen formats zullen getest worden op e-readers (gebaseerd op e-ink technologie) en verder op ultra mobiele PC’s (UMPC’s). Deze apparaten hebben ongeveer dezelfde draagbaarheid en een vergelijkbare beeldschermgrootte (diameter 15 – 18 cm), maar verschillen sterk in interactitiviteit en mogelijkheden voor multimedia. “

Kort samen gevat: de krantenwereld gaat er van uit dat de papieren krant in de toekomst vervangen wordt door een digitale. Hoe die er uit moet gaan zien, dat wil men nu met behulp van de lezers  te weten komen. Tot nu toe heb ik daarvoor acht dagen lang een dagboek – gewoon op papier – moeten bijhouden. Daarin moest elk nieuwsmoment vermeld worden, met bijzonderheden als plaats, manier waarop, tijdstip, etc. Liefst ook vergezeld van een foto van dat nieuwsmoment: Wauwel (ReinB), amechtig onderuitgezakt op de bank, voeten in pantoffels op de salontafel, zappend voor de buis. Of Wauwel, verzonken in de krant aan het ontbijt, de rest van de familie in gezellige conversatie bijeen.Door zo’n dagboek besef je goed wat voor – in mijn geval – nieuwsjunk je eigenlijk bent. Op de meest krankzinninge momenten wil je nog nieuws hebben. Zo zou ik ook een foto gemaakt kunnen hebben van mijzelf, zittend op het toilet, starend naar mijn smartphone met daarop het laatste nieuws via internet, maar ik kon niet direct een vrijwilliger vinden om die foto te maken.