Armoe

Wauwel zal het nieuwe jaar opnieuw als arme sloeber in moeten gaan. Tot mijn schrik bedacht ik op Oudejaarsdag dat ik nog geen staatslot had gekocht. Ik had nog wel zulke mooie plannen en visioenen van wat ik met mijn 25 miljoen zou gaan doen: allereerst een roze Hummer kopen ( grootste model ), die ik dan vervolgens dwars over een stoep, pal voor de winkel waar ik boodschapjes zou gaan doen, zou parkeren, lak aan alle verkeersregels. Bekeurinkjes werp je meewarig glimlachend over je schouder. Het nieuwe overal-schijt-aan 2009.

Wat zou ik doen met mijn werk? Direct stoppen, alles uit je handen laten vallen en niet koud of warm worden van de proceskosten die je werkgever je aan doet? Zou ik doorgaan met mijn weblog? Bekende Nederlander word je toch wel met 25 miljoen. Je wordt uitgenodigd door Harry Mens ( walgelijke man, maar geld stinkt niet ), je gaat naar de miljonairsfair, je luncht met Jort Kelder, gaat shoppen in de PC Hooft en je komt in het Stan Huygensjournaal ( walgelijke krant, maar geld stinkt niet ). Je begint als Wauwel een leuke glossy die je vol laat schrijven door lieden die echt leuke stukjes kunnen schrijven.

Je neemt een werkster om van de opmerkingen af te zijn dat je in plaats van voortdurend achter de laptop te zitten, beter iets nuttigs in het huishouden kunt doen, te beginnen met het opruimen van je rondslingerende schoenen want er komt zo visite.

Het zal allemaal niet lukken. Had u ook stiekumpjes gehoopt op die 25 miljoen? Gelukkig hebben we de postcodeloterij nog, want daar ga je natuurlijk mee door: stel je voor dat je je loten opzegt en een week later wint jouw straat. De rest van je leven in een krankzinnigengesticht. Ik win trouwens zelden wat met die postcodeloterij. Ja, laatst, de ijsprijs, voor een bakje oneetbaar bevroren Ben & Jerry’s-water met een kleurtje, en van de zomer twee kaarten voor Plopsaland of iets dergelijks. Niks Plopsaland voor Wauwel.

Ik heb nog traumatische herinneringen aan – ik meen – Ponypark Slagharen. Daar was een soort ruimte waar je lasergames kon doen, leek me wel leuk. Ik naar binnen. Daar werd ik in een soort plastic Ivanhoe-harnasje gegespt, kreeg een te klein plastic helmpje op mijn hoofd, en vervolgens moest ik tien minuten lang door een schemerduister doolhofje dwalen om met een namaak ruimtepistooltje op kleine kinderen te schieten, die waarschijnlijk allemaal dachten: ” Wat loopt daar voor vieze ouwe vent”. Die kinderen kregen na afloop vast allemaal slachtofferhulp. Er was geen weg terug. Het liefst had ik ondergronds het pand verlaten, om aan de afkeurende blikken van begeleidende ouders te ontkomen.

Volgende keer, als ik wel win, bouw ik mijn eigen lasergame-ruimte. Maar ja, het zal wel bij een bakje Ben & Jerry’s blijven. Het is tenslotte niet voor niets kredietcrisis. Straks even naar Albert Heijn. Dan is mijn koopkrachtstijging 2009 ook weer teniet gedaan.

Beestjes in de regen

In B, het dorpje op de Veluwe waar ik woon, hecht men nogal aan oude gewoonten. Zo was daar jarenlang een grote tentoonstelling, waar leek het heel de bevolking maanden lang in blijde verwachting naar toeleeft. Kern van de tentoonstelling was een grote verzameling kippen en konijnen, die volgens mij allemaal de eerste of tenminste toch de ereprijs gewonnen hebben, hen toebedeeld door een groep ernstig kijkende controleurs in witte stofjassen, met zo’n map in de handen geklemd waarin allerlei aantekeningen gemaakt worden. Of zo’n beest goed op de poten staat bijvoorbeeld, of de vleugelvoering goed is en of de krop wel helderrood is. Dat soort dingen die een leek als ik totaal niet opvallen. Mooi,  zo’n  fantasierozet, met “Eerste Prijs”erop. De winnaars lijken niet onder de indruk en blikken de bezoeker vanuit hun hokjes stoïcijns aan. Ik onderscheid alleen maar een groot of klein konijn, en een bruine of een witte kip. De tentoonstelling wordt aangevuld met een aantal boeiende onderafdelingen: een drukbezochte hal met Johannes-orgels, waar de bezoekers vooral psalmen op hele noten met dreunende klank de ruimte in doen galmen; een afdeling met roestvrij stalen kalverdranghekken en drinkbakken, likstenen, schrikdraad-installaties en andere aanverwante artikelen; een grote stand waar het Reformatorisch Dagblad aan de man gebracht wordt. Veel kramen met knutselarijen voor de komende winter, bijvoorbeeld 3D-ansichtkaarten, knipvellen, origami. Men verwacht veel sneeuw en lange winteravonden. En oliebollen natuurlijk, die krijg je om ondoorgrondelijke redenen in B. het hele jaar door aangeboden. Is er een goed doel, dan staat er midden in de zomer geheid wel ergens een kraam met oliebollen in de zinderende hitte. Ik pretendeer dan altijd volslagen verbijsterd te zijn als men mij op zo’n moment een zak wil verpatsen.
Zo’n tentoonstelling is hèt uitje voor de hele familie, en iedereen die ook maar enigszins van het erf gemist kan worden, spoed zich derwaarts. Na drie dagen, op zaterdagavond, is het weer voorbij.

Wat rest is de wekelijkse kleindierenmarkt. Elke woensdagmorgen verzamelt zich een groot aantal onbestemde lieden in onbestemde voertuigen met onbestemde dozen en kratten rond een gammele, tochtige markthal, om deze vervolgens te vullen met kooitjes en kistjes in allerlei soorten en maten, waaruit een kakafonie van geluiden opstijgt. Ook vanuit de kofferbakken in de her en der geparkeerde voertuigen wordt al driftig en vooral steels gehandeld. Geen pottenkijkers graag. De hal wordt vooral gevuld met een schier ondoordringbaar rookgordijn, geproduceerd door voornamelijk zeer dikke mannen die er haast allemaal uitzien als een wederrechtelijk aangeklede zeekoe ( ik citeer even Bordewijk ). Vale en verschoten overhemden, dwars over dikke buiken die in bruine, sleetse terlenka broeken worden gepropt. Petten in allerlei soorten en maten, geklos van klompen, (kunst) gebitten waaruit diverse tanden ontbreken, haast allemaal een bungelende sigaret of sigaar in de mondhoek, uitpuilende portemonnees in achterbroekzakken gepropt, bouwvakkers-decolleté’s. Ze hieten Piet en Rinus of Teunis en ze kennen mekaar allemaal. Met geroutineerde gebaren bekijken ze de konten van konijnen en cavia’s of plukken ze een ontsnapte kip van het plaveisel. Her en daar dwaalt dromerig een klein kind, alles om zich heen vergetend, pozend bij de konijntjes die als haringen in een ton bijeengepakt zitten in een sinaasappelkistje.
Er wordt enorm veel koffie gedronken en buiten vormen zich al vroeg lange rijen voor Piet’s Viskraam, waarvan de eigenaar zijn klanten ook allemaal lijkt te kennen. De argeloze bezoeker die na een uur weer buiten staat heeft tranende ogen van de rook en tuitende oren van de herrie die beest en mens produceren.  Een aardige ervaring is het wel, een anachronisme ook,  je waant je na een reisje in de tijdmachine terug in het B. van in de jaren ’50. Dat dat maar zo mag blijven, ook met al die mannen, het hoort bij B. , en er verdwijnt al zoveel.

Vandaag was de hal bezet. Iets met paarden daarbinnen. De markt was voor de gelegenheid naar buiten verhuisd: een doorweekte verzameling kleumende beestjes in van nattigheid uiteenvallende kartonnen dozen, lege kramen en mopperende handelaren in de gietende regen. Niks aan dus. Het moet maar gauw weer droog worden, en gauw weer in die hal.