Verliefd op het competentie-leren

 

Vandaag kreeg ik een opbeurend artikel onder ogen in een vakblad voor groen onderwijs, de tak waar ik mijn struggle for life strijd. Daarin kwam een lector pedagogiek van de beroepsvorming aan het woord, die ook – niet onbelangrijk – een eigen onderwijsadviesbureau had. En elke onderwijsgevende weet, dat de adviezen die daaruit voortkomen, niet zomaar klakkeloos in de wind geslagen mogen worden en van onschatbare waarde zijn. Vanuit zijn verlichte en alziende helikopter-positie weet de lector mij  te melden, dat wij hier in het MBO-onderwijs al honderd jaar een beetje monologisch en gesepareerd voortmodderen.
“Docenten zijn eigenlijk een beetje schuw voor de samenleving”. We willen wel ons verhaal vertellen, maar “luisteren, ho maar!”
Ik had mij altijd al afgevraagd waarom wij onderwijsgevenden als lichtschuwe wezens, met een flinke dosis pleinvrees, door de samenleving schuifelden, maar dat komt dus doordat wij geen betekenis geven aan onze beroepservaringen; in mijn geval is het dus blijkbaar al dertig jaar lang een rommeltje. En met mij velen: in elke docentenkamer schrikt de lector zich te pletter van het cynisme en de ongeïnteresseerdheid. Wij lezen ook nooit een artikel of een boek over ons vak, zo constateert hij ( meschien licht daarfoor trouwens een verklaaring in de leesvaardighijt van PABO-studenten) .Wij hebben een gruwelijke hekel aan leren.

Al lezend begin ik mij ernstig af te vragen waarom wij nog niet standrechtelijk zijn doodgeschoten wegens misdaden tegen het competentieleren.
Maar de lector heeft een tip: Onze houding tot het nieuwe leren moet vergeleken worden met verliefdheid. Eerst is er verliefdheid, maar we kennen elkaar nog niet. Hoe maak je daar dan liefde van? Heel eenvoudig: door er uren over te praten, met elkaar en met anderen.
Vanuit het oogpunt van de ouders – de heer en mevrouw Onderwijsadviesbureau – is het natuurlijk begrijpelijk dat je je achtergebleven kindje, ook al is het nòg zo lelijk, zo snel mogelijk wilt uithuwelijken aan een willige partner. Maar de geschiedenis leert dat het met zo’n opgelegd huwelijk in het algemeen niet goed gaat. Meestal zijn ook de kinderen ernstig de dupe als één der ouders zich redelijk a-sociaal blijkt te gedragen en weinig om de opvoeding van het kroost geeft.

Nu heb ik al uren met het mogelijk object van mijn liefde: het comptentie-leren, gepraat. Wat zeg ik, we worden er al twee jaar over doorgezaagd. Hoe meer ik haar in de ogen kijk, hoe meer ze op Moe Tokkie gaat lijken. Hoe meer ik met haar praat, hoe meer mij haar stinkende adem opvalt. Haar ongemanierdheid, lompheid, domheid, oppervlakkigheid, onnozelheid. Hoeveel relatie-therapie hebben wij al niet over ons uitgestort gekregen. Tjonge, wat krijg ik langzamerhand een gloeiende hekel aan dat mens.

Haarkrapsessie

 Al eerder schreef ik over de onderwijs-vernieuwingsdrift die nu ook het agrarisch onderwijs in zijn ijzeren greep houdt. Nooit echt een bolwerk van vernieuwing, maar àls er dan toch gemoderniseerd moet worden, dan gaat het ook gelijk hard. Waar overal het competentie-leren inmiddels als onwerkbaar en ongewenst wordt afgeschaft of afgezwakt, wordt hier zwaar ingezet.

Dat gaat gepaard met veel hippe kretologie, liefst in het Engels: “Make your own peanutbutter!”,  juicht een kleurrijke folder van  een MBO-voedingsmiddelenopleiding ons toe. Iedereen doet daar aan “Working apart 2gether!”, het W.A.T.-concept. Zoiets doet het altijd goed, zo’n sms-woordje in je reclame-uitingen. De jeugd stroomt toe.

Vooraan in de groep van juichende pleitbezorgers en enthousiastelingen staan de onderwijs-adviesbureau’s en het management van de opleidingsinstituten. Zolang je maar je hoofd boven het wolkendek blijft uitsteken schijnt altijd de zon en is er geen vuiltje aan de lucht.
Om nog wat extra cachet aan die zonneschijn te geven worden onderwijsbureau’s en managers in het agrarisch onderwijs uitgenodigd voor een fijne conferentie over “De Groene Standaard“, die “van ons allemaal is”. Bedoeld voor locatie-overstijgende managers, locatie-managers, afdelings-managers, ja, dat gaat nog druk worden daar, en alles “om het gevoel te versterken en te kunnen uitdragen”.

De middag zal garant staan voor een frisse kijk op de examinering. Dat is wel nodig ook, want de instantie die toezicht moest houden op correcte vraagstelling bij die examens, het KCE,  is door de onderwijs-inspectie ernstig op de vingers getikt en blijkbaar van haar taak ontheven, wegens blijkbare incompetentie.
Het kernwoord is echter “vertrouwen” en dan komt alles vast wel goed. En daar komen dan nog ambitie en creativiteit bij. Er zijn natuurlijk ook enkele workshops, die allen vertrouwen als basis hebben. De laatste is het meest intrigerend:
Vertrouwen in het creatieve proces van de implementatie. En dat zal gebeuren – nu komt het – door middel van een “HAARKRAPSESSIE, waarmee het creatieve proces een impuls wordt gegeven.”

Een haarkrapsessie…. daar krab ik me toch even van in de haren, die dit nieuwe cursusjaar in versneld tempo grijs worden. Wat zou dat zijn? Zou men krabben bedoelen? Zit men krap aan de top? Het zal in elk geval erg creatief zijn. Zó creatief, dat dit alleen maar door een onderwijs-adviesbureau bedacht kan zijn. Geheel in de stijl van het competentieleren.
Ik heb ongelooflijke spijt dat ik geen onderwijsmanager ben. Ik mag niet mee. Gauw solliciteren.

Trommelen op de studiedag

Met het nieuwe schooljaar in aantocht moet ook de onderwijs-manager zich weer eens het hoofd gaan breken over de vraag hoe het personeel een zinnige studiedag aan te kunnen bieden zonder dat een en ander ontaardt in vèrgaande joligheid achterin de zaal.
Het IsisQ5 Magazine ( ja ik heb die naam ook niet verzonnen ) voor onderwijsmanagers biedt daarvoor een handig uitneembaar katern met 75 tips voor een geslaagde studiedag. Geheel in de stijl van het competentieleren dienen de leervragen voor deze dag door de deelnemers zelf te worden geformuleerd, en er dient ook een extern deskundige te worden uitgenodigd. Vreemde ogen dwingen blijkbaar, maar niet altijd, want ik herinner mij nog een studiedag waar zo’n extern deskundige van een duur onderwijs-adviesbureau ( ‘ja ik heb toch zeker wel een half jaar voor de klas gestaan” ) ons allemaal een rieten boodschappenmandje verstrekte, waarin wij vervolgens onze leervragen moesten deponeren of iets dergelijks. Niet te veel aan terug denken, want anders zit ik zó weer bij de bedrijfsarts.
Ruim van te voren komen in de personeelskamer “flip-overvellen” te hangen, met een dikke viltstift aan een touwtje, en dan gaan we reageren op prikkelende teksten. Op de dag zelf zal er bij binnenkomst een muziekje te horen zijn, dat “geeft een welkom gevoel en stemt positief”. Er zal een café-opstelling zijn, en de tafels zullen zijn bekleed met wit horeca-papier. En: “een bakje pinda’s op tafel maakt het beeld compleet”! Dat wordt veel en copieus gratis vreten. Tussen twee haakjes: uit onderzoek is trouwens gebleken dat zich in zo’n bakje pinda’s na enkele uren gemiddeld vijftien verschillende soorten sporen van urine bevinden.

Vervolgens mogen we gekleurde rondjes plakken bij dingen die we leuk vinden. Waar ik me ook bijzonder op verheug is het kennismakingsrondje: “iedereen laten vertellen wanneer hij/zij welk laatste compliment heeft gekregen en van wie”. Even diep nadenken dus.

Er gaan op zo’n dag trouwens veel complimenten uitgedeeld worden door het management, ongeacht of het aangedragen idee nu zinvol is of niet. Zo adviseert ons het magazine. Er zal ook veel beweging zijn, buiten het gewone gewiebel en geschuifel met stoelen en het gespeel met mobieltjes om: “veel laten lopen”; zo hebben de deelnemers ook geen tijd om hun achterstallig correctiewerk af te handelen. Nog een fantastisch en vernieuwend idee: organiseer workshops! Na de lunch komt er een energizer. Leuk! Er komt, ter verhoging van het enthousiasme, ook een verbindende hart-activiteit: samen zingen en trommelen! Pak al je zorgen in je plunjezak en fluit, fluit, fluit! Jippie !

De laatste tip uit het blad is een beetje vreemd: “organiseer geen studiedagen meer, maar huur liever een trainer in voor een groep van 15 enthousiaste collega’s “. Dat schijnt beter te zijn dan een team waarbij de helft van de aanwezigen geen zin heeft in zo’n dag. Hoe kan dat nou toch? Flauw hoor.