Nerd

Op elke school lopen  – onder het personeel –  wel een paar computernerds rond.  Die zitten bijvoorbeeld voortdurend tijdens de pauzes in de docentenkamer met hun mobieltje in de hand, een e-reader, of – het absolute toppunt – pronken met hun nieuwe iPad. Ze geven privé en tot wanhoop van hun partner kapitalen uit aan electronische hebbedingetjes, steken een flink deel van hun vrije tijd in de schoolwebsite of andere technische nieuwigheden en zijn altijd bereid de oververmoeide collega’s die nog in het digitale stenen tijdperk verkeren met raad en daad terzijde te staan.
Soms worden ze wat meesmuilend ontvangen; daar heb je hem of haar weer. En we hebben het al zo druk. Net een beetje Word 2003 onder de knie, is hij of zij al bezig met versie 2010. Terwijl wij razend trots zijn op onze met veel moeite in elkaar geknutselde Powerpoint-presentatie, waarin we alle animaties, tekst-effecten en geluidjes  hebben gestopt die we tegen kwamen ( niet wetende dat ons leerlingenpubliek daardoor met een stekende hoofdpijn amechtig achterover zakt ) , komt onze computernerd met iets als Prezi, waar we nog nooit van gehoord hebben maar wat er fantastisch uit ziet en wat we best zouden willen gebruiken als we toch maar een beetje tijd hadden en we er ook nog een beetje begeleiding bij kregen.

Het schoolmanagement dient die schaars aanwezige computernerds te koesteren. Ze hebben vaak een wat nuchterder kijk op ict-zaken die door dure bureaus en gladde vertegenwoordigers aan het management als het ei van Columbus worden gepresenteerd. Een duur ei, want  ict-ontwikkelingen die van boven af worden opgelegd, hebben vaak een averechts effect.
Docenten zijn vaak de meest behoudende lieden op aarde, murw gebeukt door allerlei als vernieuwing gebrachte veranderingen. Kom er dan ook nog een blije manager  vertellen dat “we nu toch een leerlingbegeleidings-systeem hebben wat alle problemen de wereld uit helpt”, dan is het tijd om de rode stormbal te hijsen.

Met het invoeren en toepassen van  ict moet je voorzichtig zijn. Veel directies en besturen  zien het als een wondermiddel, een middel om leerlingen mee te lokken  en toch vooral te laten slagen, en de docent wordt geacht daarin enthousiast mee te gaan.  De school wordt vol gehangen met digitale borden, waarbij een flink deel van het personeel  vermoedt met een wat uitgebreider white-board te maken te hebben, de school schreeuwt van de daken dat er voor leerlingen mooie laptop-projecten en leerwerkruimtes zijn, de school roept af en toe iets op Twitter, de school stuurt de diverse teams een middagje op een kostbare computer-training, en dan komt het allemaal verder wel goed, want het is ict en dat is een toverwoord binnen het onderwijs.

Een moderne onderwjsmanager

Op ict-congressen en -beurzen zie je eigenlijk nooit de doelgroep waar het eigenlijk om gaat. Veel grijze koppen, veel netwerkende en naborrelende  managers, veel vertegenwoordigers die bij elkaar op bezoek gaan in de diverse stands, maar docenten en leerlingen (!) zie je er niet. Die docenten hebben het veel te druk met overleven en lesgeven, durven ook geen middagje vrij te vragen bij hun teamleider, weten überhaupt nauwelijks dat er dergelijke bijeenkomsten zijn,  en de leerlingen, ja, die worden eigenlijk nooit betrokken bij het implementeren van nieuwe ict-voorzieningen.  Een groot deel van die leerlingen is, vergeleken met  hun docenten, enorm computer-nerd. De kloof is reusachtig. Hun generatie is opgegroeid met mobieltjes, Hyves, illegaal downloaden, en is eigenlijk continu online, waarbij de school een hinderlijke onderbreking van hun fascinerende bezigheden in de virtuele wereld is. Een gigantische bron van kennis op ict-gebied, waar we op school veel te weinig naar luisteren.  Ze lijken een beetje op de computer-nerds onder de docenten, ze weten van mekaar waar ze over praten en wat er leeft.  Ze weten alles van nieuwe software, en vinden het vooral “gewoon”, waarbij de beleidsmakers nog in alle staten van opwinding verkeren.
Hoe graag soft- en hardware-leveranciers  ons ook willen doen geloven dat we als school echt niet meer zonder het nieuwste van het nieuwste kunnen, laten we ons toch vooral de kop niet gek laten maken. Het blijft een hulpmiddel, leuk, maar verder voor onze leerlingen heel gewoon.

Maar pas wel op: wanneer u als computernerd een ander iets uit moet leggen over een computerprobleem, begin dan vooral niet met “Nou, gewoon”. Dan zijn de rapen zuur.

Deze column is ook gepubliceerd in SLB-berichten, september 2010

Leerwerkruimte

Een kijkje in de leerwerkruimte
Een kijkje in de leerwerkruimte

Elke zichzelf respecterende school dient -naast een groot aantal digiboards – te beschikken over een leerwerkruimte. Zoiets doet het altijd goed in de mailings naar buiten en wanneer je als manager een clubje hoge gasten rond leidt. In zo’n leerwerkruimte worden leerlingen geacht te leren en te werken, veelal met behulp van de computer. Een beetje leerwerkruimte is ook nog eens multifunctioneel. Je mag er ook lessen geven. Die eer viel mij vandaag ten deel. Hoe gaat zo iets.
Vóórdat de leerwerktoestand begint, zorg je natuurlijk dat je als docent al aanwezig bent. Ik moest iets met een beamer doen, die er niet was. Nu ja, dat kon gelukkig bij de systeembeheerders geregeld worden. Koffertje mee, snoertjes en kabeltjes, niet vergeten het speciale verloopstukje van mijn MacBook aan te sluiten want het hele schoolsysteem is nogal windows-minded, wat inhoudt dat ik ook maar windows op mijn Macje heb geïnstalleerd.
De leerwerkruimte is vrij modern, aan alle kanten voorzien van glas zodat je vrijelijk uitzicht hebt op andere lokalen, waar men weer vrijelijk uitzicht op jou eigen pedagogisch handelen heeft. De moderne leerling heeft tenslotte op zijn tijd wat afleiding nodig.  Eerst stonden er ook hippe en kekke bankstellen, maar dat ontaardde teveel in een speelhangruimte, en zoiets valt tegenwoordig naar de inspectie toe niet meer te verantwoorden.  Nu zijn de vrijgekomen plekken dus opgevuld met computertafels in kringen, en stoelen op wieltjes die alle kanten op kunnen draaien en rijden.
Het gevolg is dat zich voor de verdwaasde ogen van de docent een draaiende, heen en weer bewegende, spelletjes op de computer spelende massa ontrolt, waarbij aan twee kanten andere soortgelijke massa’s je door de ruiten aanstaren en aanhoren, en waarbij voortdurend ook nog groepen leerlingen uit andere klassen door je les heen trekken, op weg naar de lokalen achter de glazen wanden. De toegang kan wel afgesloten worden, maar dan zie je vanuit een ooghoek voortdurend groepjes lieden die pogen de poorten te rammeien , omdat ze anders bij leraar die-en-die te laat komen en ze wáren al een kwartier te laat, dus of meneer Wauwel maar snel even z’n les wil onderbreken en de deur open wil komen doen. Vervolgens kun je verder gaan met je presentatie die de beamer op een glanzend en te klein verrijdbaar whiteboardje projecteert. En dan even niet te veel aandacht schenken aan leerlingen die toch weer de Hyves open zetten, de Webmessenger, de pagina met spelletjes, de pagina met zuipfoto’s van afgelopen weekend in de kroeg. Nu even niet. 

Doceren is tegenwoordig vaak acteren, improviseren, incasseren, conformeren, je nergens meer over verbazen en toch vooral zorgen dat je bij vlagen niet knettergek wordt. ’t Is dat de leerlingen zelf zo leuk zijn om mee te werken, dat geeft je dan wel weer houvast. Sommigen zeggen “Meester” tegen je, dan schieten de scheuten Ot-en-Sien-weemoed door je heen.  Ik kan het dus nog steeds aanraden, wanneer je nog een baantje zoekt.

Intake-gesprek

Tegen het eind van het schooljaar houden wij in onze opleiding zogenaamde intake-gesprekken. Wie te kennen heeft gegeven op ons boeiende instituut een opleiding te willen volgen, wordt op een goede dag uitgenodigd een twintig minuten durend gesprekje met twee docenten  te voeren en daarin de motivatie uit te leggen, waarbij we tevens wat strikvragen stellen:
“Stel, je loopt langs een vijver, en daarin zijn een mens en een paard aan het verdrinken. wie haal je er het eerste uit? “, waarna de kandidaat, haast struikelend over zijn of haar tong, direct antwoordt:
“O, het paard natuurlijk, want dat kun je vertrouwen, en mensen niet!”

Zoiets verbaast mij, een redelijke paarden-onsymphatisant, die het consequent over knollen  heeft en over poten in plaats van  over benen, al lang niet meer.
Deze keer had ik mij voor twee avonden opgegeven om een serie gesprekken af te nemen. De ene collega vraagt, de andere maakt een soort van aantekeningen en vervolgens brengen we het management advies uit, waarbij een negatief advies met zó veel redenen omkleed moet worden dat je bij voorbaat al iedereen juichend toe laat.

Daar komt de eerste kandidaat, door ouders vanuit het verre Tilburg naar onze locatie in centraal Nederland begeleid. Een meisje van een jaar of zeventien schat ik. Ze geeft mij een handje; of er een dood visje in je hand wordt gelegd, en neemt zenuwachtig met de vingers friemelend plaats.
“Zo, en waarom wil jij graag onze opleiding volgen?”
“Ja, ik heb mijn hele leven al iets met dieren willen doen” ( Wij bieden als school een opleiding “Iets met dieren” aan )
“En heb je zelf ook dieren?
“Ja, een hamster, twee ratten, een goudvis”
“En wat wil je later worden?”
“Ja, iets met dieren”

Die wordt aangenomen, want ze blijkt te kunnen spreken.

De volgende aspirant-deelnemer is een jongeman, die twintig minuten voorover gebogen zittend naar zijn voeten staart. Hij heeft wat papieren van de huidige opleiding meegenomen.
“Ik zie dat hier geen cijfers op deze lijst staan. Komt er nog een cijferlijst aan?”
“Eh.. nee, wij doen daar niet aan. Bij ons telt alleen dat je een vak gevolgd hebt, je hoeft geen cijfer. Als je alle vakken hebt gevolgd krijg je je diploma”
“Ah! Ik begrijp het. Dus je hebt vijf vakken gevolgd? En geen Engels? Want dat zie ik hier niet staan.”
“Nee, dat is onderdeel van dat vak wat daar staat. Gesprekstechnieken.”
“O ja… nou, dan is het wel duidelijk ja.”

Zo gaat het een paar uurtjes door. Er moeten een stuk of negentig deelnemers aangenomen worden. Ik bekijk de diverse aantekeningen op de meegebrachte papieren – een enkeling heeft alles vergeten – : heeft dyslexie; heeft dyscalculie; heeft ambulante begeleider bij zich; heeft PDD-NOS; is allergisch voor stof….

“Kijk je wel eens naar het nieuws?”
“Nou… eh.. ik lees soms wel de Spits, en ik kijk wel naar soaps”.
“Tjonge, het is al weer tijd! Dat ging snel! Nou, eind mei hoor je van ons! ”
“Doei”.

Ach ja… we doen ons best toch maar weer. Het lesbloed kruipt waar het niet gaan kan.

De Vliegende Brigade komt er aan!

De Vliegende Brigade in vol ornaat, vooraan een adviesbureau-persoon, achteraan een ex-inspecteurVanaf maart 2010 zullen alle problemen in het onderwijs tot het verleden behoren. Vanaf dat moment zullen zwak presterende scholen worden bijgestaan door “Vliegende Brigades”, bestaande uit – en ga nu maar even stevig in de stoel zitten- ex-inspecteurs, mensen uit de schoolbegeleidingsbranche en van de landelijke pedagogische centra. Ze krijgen een zogenoemd verbetermodel mee.

Dat kan dus niet meer stuk, zó’n partij kennis die me daar eventjes vrijblijvend langs de schooldeuren komt om zwak presterende docenten de grondbeginselen van het ABC der onderwijsvernieuwingen  stevig door de strot te rammen.  Dat zal ze leren, een beetje de zegeningen van het nieuwe leren  tegen te werken! De landelijke pedagogische centra hebben tenslotte niet voor niets jarenlang hun best gedaan ons middels dure cursussen, workshops, seminars, doe-weekends en noem maar op klaar te stomen en te bekeren tot het stralende licht van de Middenschool, de VMBO-t, het competentie-leren, het Nieuwe Leren, het Natuurlijk Rekenen, het Onnatuurlijk Rekenen, noem maar op. Waarvoor hebben we anders miljoenen uitgegeven aan onderwijsadviesbureau’s die -oneindig veel meer dan die sukkels van docenten- de onderwijsheid in pacht hebben? Wie weet hier nu iets van hoe je in de praktijk moet lesgeven? HUH?  Juist, de  Vliegende Brigade!  De bedoeling van de Vliegende Brigade is dat we over een jaar niet meer “zeer zwak”, maar gewoon, normaal “zwak”  zullen zijn. Zo hebben onze staatssecretaris, mevrouw Sjèron Dijksma en haar adviseurs – niet gehinderd door enige kennis van zaken – dat uitgedacht.

Hoe ziet zo’n Brigade er uit? Ik zie daar een schoolgebouw op een gure maandagmorgen in maart voor mij, het docententeam tijdens de koffiepauze bijeen geschurkt in een morsige lerarenkamer, ideeën uitwisselend over het invullen van de belastingpapieren en mopperend op het management. Voor de school houden enkele geblindeerde en onopvallende bestelbusjes met gierende remmen stil, de deuren worden opengeworpen, de straat is aan twee kanten afgezet en een groepje in regenjassen of zwarte pakken gehulde lieden stormt naar binnen, grote aktetassen met zich mee torsend. Het is ook mogelijk dat de leden van de Vliegende Brigade gehuld zijn in een soort kekke Superman-outfit met logo en dat zij vanuit de lucht neerdalen op het schoolplein, onder luid applaus en gejuich van een een grote menigte leerlingen, docenten en schoolmanagers.

De brigade rukt de lokaaldeuren open, schuift bruut docenten opzij en begint met het wegwerken der achterstanden op onderwijsleergebied en onderwijsvernieuwingen aan de hand van een enorme, tot aan het plafond reikende stapel dossiers: het verbetermodel, wat zó  groot is, dat het elk zicht op de werkvloer en wat daar gebeurt ontneemt. Na afloop van de les is iedereen tevreden, de staatssecretaris nog wel het meest, want er is weer een zeer zwakke school minder en vervangen door een normale zwakke school, en het is toch fijn dat je met nog twee jaar regeren voor de boeg straks niet afgerekend wordt op het feit dat je je onderwijsvernieuwingen en hun zegeningen niet voldoende hebt doorgevoerd.

Wanhoopt niet langer, de Vliegende Brigades komen er aan!

Cursus

[youtube]http://www.youtube.com/watch?v=VFoE2Hy01KQ[/youtube]

Op gezette tijden bedenkt het management van het eerbiedwaardige onderwijsinstituut waar ik werk, dat het voor de ondergeschikten wel weer eens nuttig kan zijn om een cursus te volgen, bij voorkeur eentje die de zegeningen van de nieuwste vernieuwende onderwijsvernieuwingen over de cursisten uitspreidt. Zo kregen wij enige weken gelden een serie mailtjes van een Bureau X, wat ons op steeds dwingender toon verzocht een aantal ooit gemaakte toetsen aan te leveren. Deze zouden dan langs de lat van het zogenaamde competentie-gerichte toetsen worden gelegd en gewogen. De definitie van competentie-gericht toetsen is me tijdens de twee cursusdagen niet geheel duidelijk geworden, het heeft meen ik iets te maken met dat je je vragen zo simpel mogelijk stelt en zo. Eerlijkheidshalve moet ik er bij vermelden dat ik de eerste – volledige – cursusdag van ’s ochtends tien tot ’s middags vier uur gemist heb.  

Nu is de moderne  jongere sterk visueel gericht en behept met de concentratie van een lantaarnpaal, dus ik voorzie in de toekomst toetsen  in de vorm van drie-bladige prentenboeken, gemaakt van sabbel-bestendig materiaal. Als je er daar maar genoeg van uitdeelt, kom je toch nog aan je veertig vragen, die je dan over een heel semester kunt uitspreiden in verband met de te verwachten moeilijkheidsgraad. Bovendien wordt een sabbelbestendig prentenboek van veertig bladen wel erg onhanteerbaar.

De cursusdagen waren – heel tactisch – gepland tijdens een toetsweek. Men moet gedacht hebben dat je dan als docent niet veel te doen hebt. Hoe gaat zoiets. Je stopt een groepje onwillige docenten in een lokaaltje, eventueel een kroketje van de zaak vooraf, en je levert hen over aan twee- zo op het oog – vers van de opleiding komende onderwijsadviseuses. De eerste dag schijnt de cursus door één van beide dames alleen gegeven te zijn, en de ervaringen waren toen zódanig, dat voor de tweede cursumiddag versterking moest worden ingevlogen.  De sfeer deed sterk denken aan een doorsnee klas met lawaaiierige pubers, en het wachten was op het moment dat een van beide slachtoffers daar voor de klas het geduld zou verliezen en tot schuimbekkende handtastelijkheden jegens de cursisten zou overgaan, maar nee, de beide onderwijsadviseuses hielden het hoofd ogenschijnlijk koel en overlegden rustig met elkaar, hun dossierstukken en hun mobieltjes. Je zou met ze te doen hebben: denk je alles van onderwijs te weten, want je werkt tenslotte bij een onderwijsadviesbureau, moet je ook nog  volgens de heersende vernieuwingsnormen zoiets aan mensen uit de praktijk onderwijzen. Dat is raar! Daar helpt geen kek mantelpakje tegen. Ik teken voor zo’n baan: je verdient goud geld terwijl je de cursisten in groepjes wat laat aan rommelen en de laatste schoolroddels bespreken.
Zo af en toe verstomde het rumoer en konden de juffen een nieuwe zelfwerkzaamheidsopdracht aan de aanwezigen verstrekken, zodat een ieder die dat nodig achtte toch nog aan zijn eigen correctiewerk en andere schoolcorrespondentie toekwam. Zo werd het bijna vier uur, en konden de beide deskundige bureau X-medewerksters ons vertellen dat wij binnenkort een bewijs van deelname en – voor de leergierigen – een heus certificaat tegemoet konden zien. Nu waren er van de hele groep slechts twee die wat voorwerk hadden kunnen verrichten – blijkbaar iets meer vrije tijd – , dus die kunnen zich verheugen op een ongekend carrière-perspectief binnen het onderwijs. De rest, schrijver dezes incluis, zal het moeten stellen met een bewijs van deelname, wat natuurlijk weer een ereplekje gaat krijgen bij de andere bewijzen van deelname, alleen weet ik even niet meer waar die allemaal rondzwerven.

Het was een boeiende cursus. Op naar de volgende.

Alle scholen dicht

Leslokaal 2010

Die varkensgriep kan mijn niet snel genoeg komen. Alle scholen gaan dan dicht, zo weet o.a. de Telegraaf ons te melden tussen alle songfestivalperikelen door. Niet dat ik een hekel heb aan school, en als de boel dicht gaat zullen wij  als docenten er toch wel zijn, maar zo’n onverwachte sluiting is een uitgelezen kans om ons eens volledig te bekeren tot e-Learning. Enige jaren geleden heerste hier in de regio Mond- en Klauwzeer en ook toen waren wij genoodzaakt de tent enkele weken te sluiten. Het aantal hits op onze internetpagina’s steeg tot astronomische hoogte, en zelfs de docenten en het management zagen het internet-licht en de geneugten die dat met zich meebrengt.

Ik mag dus ernstig hopen dat  het management de griepscenario’s reeds volledig heeft uitgewerkt en een grote rol heeft weggelegd voor Twitter en Electronische Leeromgeving. Vooral Twitter zal een enorme boost door maken, en als het nu niet lukt met  alle digitale zegeningen in het onderwijs, dan wordt het nooit meer wat, en zullen wij tot in lengte van dagen gedoemd zijn tot het krijtje en een stoffig schoolbord.  Die griep die gaat er natuurlijk komen. Gisteren las ik dat wanneer je niest, daarbij zo’n drieduizend miniscule druppeltjes verspreid worden waarin zich zo’n twintigduizend virussen bevinden, die allemaal naarstig op zoek gaan naar het dichtstbijzijnde menselijk wezen.

Het is ook gelijk een mooie gelegenheid om leerlingen langer op school te houden, zoals meneer Hans de Boer, voormalig voorzitter van de Taskforce Jeugdwerkloosheid sinds vandaag graag wil. Ook al wordt het dan een virtuele school, waarin leerlingen op elk door hen gewenst tijdstip kunnen inloggen. Die aanwezigheid is eenvoudig te registreren, zodat iedereen eenvoudig aan z’n verplichte aantallen uren komt, en mocht een leerling de boel willen flessen door ondertussen iets anders te gaan doen, dan verplicht je zo’n booswicht tot het om het half uur indrukken van een toets of een moeilijk woord; zo wordt digitaal spijbelen een stuk moeilijker en leren ze en passant nog een beetje spellen ook.

Voor docenten met ordeproblemen wordt het ook een stuk makkelijker, scholen gaan enorm besparen op verlichting, verwarming, gebouwen etc, en kunnen in de toekomst volstaan met een serverkastje ergens bij de directeur thuis of zo. Vergaderen gaat allemaal middels de webcam, en ook hoogbejaarde docenten die eigenlijk alleen nog maar aan een infuus vegeteren kunnen weer ingeschakeld worden voor het bedienen van enkele knopjes op het toetsenbord. Zo bespaar je ook op ziektekosten. Op het moment dat iedereen weer gezond en wel naar school kan is het hele onderwijssysteem van een geldslurpend log apparaat veranderd in een geoliede digitale leeromgeving, die de student diens gehele leven verder begeleidt. Een Leven Lang Leren in optima forma.

Zo zie je maar weer: van elke bedreiging kun je weer een kans maken, en overdrijven is ook een vak.

Hoog bezoek

pink-clouds

Toen ik vanochtend zorgeloos fluitend ( want werkzaam in het onderwijs )  bij mijn school aan kwam fietsen, ontrolde zich voor mijn oog een schokkend tafreel: enige lieden waren daar met rood-wit lint vrijwel het gehele parkeerterrein hermetisch aan het afsluiten. Je gedachten gaan dan al snel uit naar forensisch onderzoek wegens een drievoudige moord, of een mogelijk op handen zijnde aanslag door  de Hofstad-groep, maar dat bleek allemaal mee te vallen.  Ons eerbiedwaardige onderwijsinstituut zou vandaag vereerd worden door hoog bezoek, namelijk een of andere secretaris-generaal van de VN of het LNV ( dat weet ik even niet meer )  met gevolg.
Je kunt dergelijke hooggeplaatse lieden immers niet ergens de auto in de berm bij de buren laten parkeren, met alle kans op een parkeerbon van de plaatselijke veldwachter alhier.  Zo’n man zou trouwens vervolgens tot in lengte van dagen uit zijn ambt ontheven worden of, ook mogelijk, verbannen worden naar bijvoorbeeld Kootwijkerbroek.

Het gezelschap zou rond half twaalf arriveren, en het gebouw was werkelijk op zijn paasbest uitgedost. De ontvangstruimten, vèr weg van het gewone gepeupel, waren getooid met sta-tafels, fraaie bloemstukken en het zou me niet verbazen als ook Wibi Soerjadi nog zou worden ingevlogen voor beschaafde achtergrondmuziek. De Toppers wil je bij een dergelijke manifestatie niet hebben.

De directeur-generaal kwam zich vergewissen van de stand van zaken binnen enkele onderdelen van ons onderwijs, en het had hem aardig geleken om zoiets eens op de werkvloer mee te maken. Een unieke ervaring. De ingang was geheel ontdaan van sigarettenpeuken en kauwgumplakkaten, en het management liep in meer of mindere mate netjes aangekleed in de hal heen en weer. Diverse colbertjes van ietwat verouderde snit en kleur waren uit de kast gerukt en ook kon men enkele stropdassen ontwaren. Zelf heb ik nog ergens een stropdas met roze varkenskoppen in dekast hangen, maar een associatie met de varkensgriep ( je moet trouwens van de EU “modern flu”of zoiets zeggen ) is dan te gauw gelegd.

In het dorp was ergens een luchtalarmsirene blijven hangen, maar dit kan ook een vorm van landelijk feestelijk onthaal geweest zijn. Toen het gezelschap eenmaal binnen was, konden wij als gewone docenten even opgelucht ademhalen en ons naar de koffieautomaat in de morsige docentenkamer spoeden om ons daar te laven aan de inhoud van een plastic bekertje en ons broodtrommeltje, terwijl elders in de feestruimte men zich vermoedelijk tegoed deed aan ingelegde kwarteleitjes met een scheutje Dom Perignon ’56. Hoe heerlijk moet het voelen om een hooggeplaatste binnen het onderwijs te zijn.  Om voortdurend op een roze wolkendek gevuld met onderwijsvernieuwingen vèr boven de dagelijkse praktijk te mogen zweven. Is er een hoger doel in het leven dan bijvoorbeeld als staatssecretaris of minister een onderwijsvernieuwing op je naam te mogen schrijven?

Ver onder het wolkendek,  op de werkvloer, moest ik die middag even ingrijpen bij een collega, waar een klas redelijk ernstig aan het ontsporen was, ondanks alle onderwijsvernieuwingen. Het huilen stond haar nader dan het lachen: zoveel voorbereiding, en dan zó behandeld worden. Het is niet altijd eerlijk verdeeld, en je gunt ze toch zo graag een leerzame en leuke les.  Jammer dat de inspecteur-admiraal er niet even bij was.

Ik overdrijf natuurlijk een beetje. Chargeren moet zo af en toe. Er waren geen kwarteleitjes. Geen champagne. Wèl lekkere belegde bolletjes; ik mocht er zowaar eentje proeven van de enorme berg die onaangeroerd terug kwam. Ja, als je je overal op de hoogte moet houden van de ontwikkelingen, kom je niet altijd aan eten toe. Zo heeft elke baan z’n voor- en nadelen.