Laatste Schooldag

 

Het is diploma-uitreiking. De school is mooi versierd met zaken die je anders nooit ziet, maar die nu ergens achter uit de kast worden gehaald. Rijtjes stoelen in de aula, wij, als docenten, zijn enigszins op ons paasbest opgedirkt en wachten af wat komen gaat. En wat komen gaat is eigenlijk hetzelfde als al die voorgaande jaren. Een leerling is voor jou één van de vele, meestal tenminste, maar voor hèn ben jij die ene. Daar doe je het dus voor.
Ze komen binnen, met hun ouders. Mooi aangekleed, de meesten. De laatste schooldag misschien, en daarna het werk, de baan of misschien wel gelijk het gezin. Schooltijd, de mooiste tijd van je leven? Ik denk het wel, toch wel. Tenzij je gepest bent natuurlijk, dan is de school een hel. Later zie je dat goed, die hel. En later zie je ook dat het de mooiste tijd van je leven is geweest. Nu niet, want dat ga je natuurlijk niet toegeven tegenover je ouders of vriendinnen. Daar zitten ze dus, en ze wachten op dat belangrijke papiertje, het diploma. Ze kauwen kauwgum, kijken op het mobieltje, dat gaat niet uit natuurlijk…. Ze kijken om zich heen. Wat voor soort jurk of shirt heeft zij aan daar. Zou dat zijn vriendin zijn, dus toch een vriendin. Kijk die leraar, waar ik altijd zo tegen tekeer ging… Er zijn ouders. Soms ook met kauwgum, ook met mobieltjes, veel tattoes ook. Sommigen ook echt mooi aangekleed, anderen komen zó van het werk. Sommigen zijn voor het eerst in de school, voor het eerst in vier jaar….. Er zijn toespraken. Te lang natuurlijk. En dan het diploma, de hapjes en de drankjes.

En je praat met de leerlingen, die je vier jaar hebt gehad, en die je hebt gekend als schuchtere slungelige pubers toen ze voor het eerst als klas bijeen waren. Nu zijn ze dan klaar, en ze gaan de wijde wereld in, en soms kom je er nog eentje tegen, een sloofje geworden, of één die drie keer zoveel verdient als jij. Eh…. hoe heet jij ook al weer… o, al twee kinderen, en hoe oud ben je nu? 21 jaar, zo… En je pikt er in die hal vol met gezellige mensen nog eentje uit, die staat een beetje achteraf. Eigenlijk stond die al vier jaar lang een beetje achteraf. En je zegt: “Zo, dat heb je toch maar mooi voor elkaar, meisje. En waar zijn je ouders?” En dan zegt zij: “Ja, die hadden geen tijd vandaag……” Laatste schooldag, ja. Laatste schooldag.

Dans, meisje.

Dans voor eeuwig

Onlangs was ik bij een voorstelling jazzdance van dansschool Yvon Tomasoa, waar één van mijn dochters met enorm veel plezier les heeft en waar men – zichtbaar aan het resultaat – met enorm veel plezier lesgeeft en ook nog eens opvoedt.
Een volle sporthal, ouders met bloemen, een grote groep kwetterende jongste leerlingen aan de zijkant, net musjes, en de gevorderden daarachter. Helaas, haast geen jongens. Twee slechts, in een eldorado. Waarom missen mannen dat gevoel voor esthetiek? Muziek zwelt aan, de lichten doven, een aantal musjes zwaait nog even snel naar vader en moeder op de tribune. De voorstelling begint…. het wordt een wervelende show. De kleintjes huppelen en springen, kijken haastig naar elkaar, en genieten ondanks alle zenuwen, geroutineerd begeleid door de juffen. De groten dansen fanatiek, geven zich voluit. Soms een misstap, het valt nauwelijks op, het publiek kijkt ademloos. Stilzitten lukt niet meer, mij althans niet. Sommigen dansen met een strakke blik, concentratie. Maar ook zijn er die stralen, die dansen onbezorgd, ze zweven bijna. Die meiden, die zijn nu op hun top. Ze zijn allemaal prachtig om te zien. Een vloer vol engelen op het hoogtepunt van hun geluk.

En de zaal valt weg, verandert in een enorme ruimte, een stadion, een uitgestrekte vlakte. En daar, midden in de leegte, een danseres in de nacht, één spot op haar gericht. Zij danst, zij danst, de muziek is om haar heen en in haar geest. Alles ligt nog voor haar, de tijd is als een mist en glijdt als in een draaikolk om haar heen. Het leven lacht haar toe, alles is nog mogelijk. Geen zorgen nog, geen pijn, nog geen verdriet. Geen starend stil staan voor de spiegel, kijkend naar de eerste grijze haar, naar lijnen onder het betraande oog, het haar in pieken langs ’t gelaat. Geen vent die haar belazert, of een kind dat haar verlaat. Geen ziekte en geen angst voor dood. Geen eenzaamheid, de wereld lacht nog toe en roept haar naam. Dans, meisje, dans. Blijf altijd dansen in het leven.

Over neuspeuteren en zo

Men heeft iets moois bedacht op mijn werk. Ik geef les, iets met computers. Er zijn ook collega’s, die geven les over iets met beesten. Die lessen geven wij het liefst aan één bepaalde afdeling. Ik niet, want mijn lessen zijn blijkbaar zó interessant, dat ik ze her en der in de school aanbiedt.

Als ik geen les geef, zit ik in een kantoortje, vaak alleen, en soms zit daar ook een andere collega. Ideaal, geen storing, als ik de dunne scheidingswandjes even vergeet waardoor je van elke oprisping uit het naastgelegen kantoortje kunt meegenieten. Een enkele keer komt er een leerling binnen ( meestal zonder kloppen, maar daar kijk ik al lang niet meer van op ), die de deur open werpt en verwacht dat je direct opspringt en klaar staat.
Blijkbaar doe ik dat te weinig, want het over mij gestelde gezag heeft besloten dat het beter is als ik met een stuk of tien, twaalf andere collega’s in één kantoor ga zitten. Wij kunnen zo onze afdeling nòg beter bedienen, een warme wolle deken om de ontredderde leerling vormen. Gezellig in één kantoor, met per dag zo’n 60 leerlingen die knus binnen komen vallen, een honderdtal telefoontjes en telefoongesprekken ( en ook nog gelijktijdig ), aangevuld met onderlinge gesprekjes en discussies van vakcollega’s, met geluidjes en bliepjes van computers, met muziekjes uit diverse radio’s en mp3-spelers, en met allerlei leuke beltonen van mobieltjes.

Onderzoek heeft uitgewezen – zo was van de week op het nieuws – dat 90% van de Nederlanders zich schuldig maakt aan neuspeuteren, waarbij van de mannelijke collega’s 70% die bezigheid benut om balletjes te produceren die vervolgens weggeschoten worden in uiteenlopende richtingen, mogelijk ook mijn richting uit. Ikzelf doe dat natuurlijk niet, ik hoor vanzelfsprekend bij de resterende 10%, want het schijnt ook nog eens levensgevaarlijk te zijn in verband met streptokokken of zoiets. De MRSA-bacterie werd zelfs genoemd. Ik geloof dat ik dan gek word, met z’n allen in één kantoor. Ik denk niet dat ik dat ga doen, laat staan kan opbrengen. Ik doe een beroep op levensgevaarlijke werkomstandigheden, gevaar voor die kokken en zo. Ik denk dat ik maar boswachter word op Rottumerplaat, die schijnt weer aan te groeien; af en toe een goed en diepzinnig gesprek met een meeuw, die beesten kunnen je zo begrijpend aanstaren. Of ik trek mij terug in een klein afgelegen stenen huisje, met zicht op een eeuwenoud kerkhofje, onafzienbare heidevelden. Ja, dat ga ik doen. U hoort nog van mij.