Collega

 

Vanochtend, in de rij bij de koffieautomaat, stond voor mij een nieuwe collega. Lang, kaal, en vaag bekend uiterlijk, zo van achteren. Nu word je in het onderwijs dagelijks geconfronteerd met allerlei wildvreemden die nieuwe collega, ouder, vertegenwoordiger, stageaire of mogelijk alweer een nieuw management-lid kunnen zijn, dus je kijkt nergens meer van op, en niemand lijkt zich tegenwoordig meer voor te stellen als je niet zelf het inintiatief neemt.
Laatst las ik in het personeelskrantje dat er iemand van mijn locatie was vertrokken, wiens naam mij absoluut niets zei, een teken aan de wand. Had anderhalf jaar bij ons gewerkt.

Vlak voordat ik dan toch maar even een handje wilde schudden in de wachtrij voor de koffie, het levenswater van de doorsnee docent, kwam de grote schok. Deze man was helemaal niet nieuw, hij werkte al jaren bij ons op school en twee weken geleden had ik hem nog gesproken. Chemo-kuur. Al zijn haar was weg. Een paar jaar geleden werd bij hem kanker geconstateerd, en na eerst uiterst sombere prognoses leek het toch de goede kant op te gaan, totdat onlangs een flink aantal uitzaaiingen werd geconstateerd en hij te horen kreeg dat menselijkerwijs gesproken, geen herstel meer mogelijk is.

Ik wist er dus alles van, had er geregeld met hem over gepraat, en dan toch nu dit. Wat doe je als je weet dat het vermoedelijk niet meer heel lang zal duren. Hij heeft er voor gekozen tòch zoveel mogelijk naar school te gaan. Geen les geven trouwens;  je bent als docent in het algemeen een volleerd acteur, maar er zijn rollen, die je niveau te boven gaan, en je publiek leeft vaak in een wereldje van dromen over toekomst en er mooi uit willen zien.  Bovendien hechten ze sterk aan zekerheden in hun onzekere pubertijd, en als je daar dan – strijdend tegen de dood-  hun roze wolk komt verstoren, daar wil je ze op die leeftijd toch niet teveel mee confronteren. En jezelf al helemaal niet.

Je kunt natuurlijk thuis gaan zitten, je kunt iedereen van je afstoten omdat die mensen eigenlijk geen deel meer uitmaken van de totaal andere wereld waar je zo tegen je wil en tegen alle hoop in bent terecht gekomen. Er zijn ook mensen die je niet meer aan durven spreken, die ‘kanker’ nog met ‘de ziekte’ aanduiden, die niet weten hoe ze met je om moeten gaan. Je verliest vrienden, maar je krijgt er weer andere vrienden bij. 

Hij gaat dus zo lang mogelijk door. Hoe anders kijk je dan tegen de dagelijkse onderwijspraktijk aan. Er wordt op scholen heel wat afgezeurd en gemopperd, zeker tijdens pauzes in personeelskamers, en in gedachten tijdens de gigantische hoeveelheid vergaderingen. Dat is dus allemaal maar heel betrekkelijk. Volkomen onbelangrijk eigenlijk, vergeleken bij wat jou nu overkomt als je weet dat al die vergaderingen over zaken gaan die jij misschien niet meer zult meemaken.

Je zou er wat voor geven  om je nog weer ongegeneerd te kunnen ergeren aan neuzelende collega’s, aan nog meer onderwijsvernieuwingen, aan ronduit onbeschofte leerlingen, aan ellenlange vergaderingen, aan een puinhoop in de klas. Je zou graag weer op het matje geroepen willen worden door niet-begrijpende ouders, je zou alle rotklussen willen opknappen en 32 uur per week voor de klas willen staan tot je pensioen aan toe. Alles zou je nog willen doen, zolang je maar niet dagelijks geconfronteerd werd met een mogelijk naderende dood.

De wonderen zijn de wereld nog niet uit, en hij heeft nadat de eerste keer bij hem kanker werd geconstateerd, toch het geluk van zo’n wonder mogen smaken. Een sprankje hoop blijft altijd in de mens ingebakken, denk ik, als een klein sterretje in een donker heelal. Dat hij nu, met nu wel heel sombere prognoses,  in de rij staat voor de koffie, is zo’n sterretje in je directe omgeving, een klein wonder, waar ook anderen uit kunnen putten en van kunnen leren. Bijvoorbeeld het belang van goede collega’s, die je steunen als de wonderen de wereld uit lijken.

Straks is het grote vakantie. Ik hoop hem daarna weer in de rij bij de koffie te zien staan.