Mislukte hond

We hadden even een hond. Dat was iets wat ik mijn hele leven eigenlijk al wilde. Mijn gezinsleden ook, want door het uitlaten van een hond schijn je per jaar vijf kilo af te vallen. Een soort hondenleven dus. Maar goed, via via konden wij even een vijf jaar oude golden retreiver uitproberen – er zijn namelijk ook twee hoogbejaarde katten in huis- , en vrijdagavond was het grote moment daar.  Terwijl wij nog met de patatjes op tafel zaten verschenen daar Willis ( uit privacy-overwegingen heb ik de naam van de hond even aangepast ) en diens baasje.
Willis was een enthousiast typje en wandelde vrolijk kwispelend door de kamer, daarbij direct al een sterke hondenlucht verspreidend. De eerste kerstbal verliet de boom. Hij was eigenlijk ook erg groot, maar allemaal geen probleem, je wilt een hond of niet. Willis had drie speeltjes bij zich: een tennisbal, een koetje en een soort enorm opgezwollen plastic dildo die “piep” zei als je er in beet. Die zouden we als eerste door een onschuldig plastic badeendje vervangen, dacht ik bij mijzelf.
Trui, onze ene kat, had zich op de vensterbank achter het gordijn teruggetrokken om daar grommende en blazende geluiden te produceren, en Thijs, de andere kat, was nergens te zien.
Willis voelde zich meteen thuis, dat scheelde al weer. Na een uurtje vertrok het baasje en waren wij dus de nieuwe baas. Daar zaten wij dan, en even had ik een associatie met het moment waarop mijn allereerste kind als net geboren baby naast mij in bed lag: hoe gaan wij dit allemaal goed brengen? Willis leek de baas niet echt te missen, en was ook niet geïnteresseerd in Thijs, die inmiddels binnen was gekomen en volledig van angstzweet doorweekt met klamme pootjes bij mijn vrouw op schoot zat, de blik star op Willis gevestigd.
Dat was geen veelbelovende start, want het zou van Thijs afhangen of Willis mocht blijven terwijl Willis toch zo lief was. We gaven onszelf tot na de Kerstdagen, dan moesten ze toch wel zo’n beetje gewend zijn.
De eerste wandeling, direct wilde Willis het op een plassen zetten tegen de heg van de overburen. Nu zou ik er geen moeite mee hebben als hij de oprit van onze eigen buren zou hebben vol gepoept, maar de overburen waren van een iets ander slag, die wilde ik nog even ontzien totdat ik me ook aan hùn kinderen zou gaan ergeren. Op naar het platsoentje, waar Willis – gelukkig was het al aardedonker – langs de struikjes een spoor van drollen achterliet waar ik me normaal helemaal wezenloos aan zou hebben geërgerd. Zou ik nu gelijk al met zo’n zakje en schepje in de weer moeten om zo’n warme brei even voordelig in de prullenbak te wippen? Of zou ik wachten tot de volgende morgen vroeg ( ja dan ook al wandelen natuurlijk ) zodat de drollen tot fossiele dinosaurusuitwerpselen waren bevroren en ze dus makkelijker en geurlozer vervoerd konden worden ? Maar even laten liggen, en niet te veel meer aan denken. Lekker aso.
Willis wist gelijk de weg naar huis en sleurde mij de laatste meters bijna door de straat. Binnen moest met de dildo gespeeld worden en de katten waren nog kribbiger dan eerst.
’s Nachts sliep ik slecht. Ik had visioenen van Willis – of Thijs- die dwars door het glas van de serredeur sprong om de ander aan te vliegen. Bij het betreden van de kamer zou ik die morgen vroeg onder de kerstboom onthoofde dierenlijkjes vinden, of zou het nieuwe bankstel volledig ondergepoept zijn, of Willis zou geëlectrocuteerd zijn bij het doorknagen van de kerstboomverlichting, de kat zou op hoogbejaarde leeftijd een hartaanval hebben gekregen, Willis zou in het aquarium zijn gesprongen, dat daarop gebarsten was, zestig liter water over de vloer verspreidend, het parket tot aan het plafond krom getrokken, dat soort dingen. 
Op zaterdagmorgen om kwart voor zeven ’s ochtends liep ik weer  met Willis langs het plantsoen, op zoek naar de drollen, maar die waren blijkbaar door een andere hond opgevreten – er zijn er die dat doen – dus dat viel dan weer mee.

Willis is weer weg. Terug naar zijn baasje. Thijs begint weer voorzichtig wat stapjes door zijn domein te wagen, waar hij veertien jaar onbekommerd en ongestoord rond heeft kunnen wandelen. Ik kon het de katten niet aandoen. Het zou niks geworden zijn. Thijs durfde zelfs niet maar naar beneden, zat alleen maar op zolder. Oudste rechten en zo. Ik heb weer heerlijk geslapen, uitgeslapen. Zometeen maar even met de kat knuffelen en daarna de hondenharen uit de auto zuigen. Een wijze les. Geen hond dus. Geen hondenleven.

Nachtmerrie

 

Er zijn van die momenten waarop het lijkt dat ineens alles zich tegen jou keert. Ik ging net even boodschappen doen in mijn geliefde dorpje B. Even naar de AH. Zodra ik de winkelstraat inliep had ik de indruk deel te nemen aan de Torenbouw van Babel, kort nadat de beruchte spraakverwarring had toegeslagen: het was vrij druk en toch hoorde ik alleen maar Pools of andere onverstaanbare talen om mij heen. Van alle kanten schampten gesprekken in exotische talen langs mijn oor, en even dacht ik te dromen. Je kreeg ook de indruk dat mensen je probeerden te rammen of ineens een schichtige uitval naar je deden.
De hemel was grijs en naargeestig, de atmosfeer kil en toch drukkend. En ik moest alleen maar wat lof, ham en kattenbrokjes hebben.
De lof was uitverkocht. De ham was haast onbereikbaar doordat mensen her en der hun winkelwagentjes onbeheerd lieten staan of er mee tegen je schenen stootten. Ook zo wat: een gezin met drie kinderen, die alledrie nog eens zo nodig zo’n klein kinderkarretje moesten rondrijden, als dolgeworden horzels tussen de menigte door. De hele supermarkt leek gevuld met Tokkies, Sjonnies en Anita’s. Vóór mij enorme rijen bij de kassa’s. Eindelijk bijna aan de buurt, het geduw achter mij negerend en onopvallend hard terugduwend, wat woedende blikken opleverde.
“Deze kassa is gesloten meneer!”. Een nieuwe rij dan maar. Enkele klanten voor mij een bejaarde, die zeker drie verschillende tassen bij zich had waarin twee portemonnees zaten.  Uit de ene werd papiergeld gehaald, uit de andere muntgeld.  Eindeloos natellen en nog eens tellen. Abrupt stilhouden om de bon nog eens te controleren en daar vragen over te stellen. De volgende klant: één produkt was niet geprijsd, daar moest over gebeld worden. Als ik in een rij sta, gaat de andere rij altijd sneller. Ga dus nooit in mijn rij staan. De kassarol was leeg. Moest vervangen worden.
Eindelijk stond ik verhit weer buiten. Recht op mij af kwam vervaarlijk slingerend een vreemd misvormde vrouw aanzetten. Ook dit liep goed af. Gelukkig, daar was de auto. Snel ingestapt.
Bijna thuisgekomen, begon een verpestende stank het auto-interieur te vullen. U raadt het al: ik was in een enorme hondendrol gestapt, welke zich nu fijn in het profiel van mijn bergwandelschoenen had genesteld. Leuk, snel even boodschapjes doen.