Dit was een rare week. Opnieuw zit ik in de bus die mij lijkt te leiden naar het einde van de wereld. Hetzelfde weer: grijze watten, die deze dag eind juni doen linken op zo’n onbestemde, afwachtende dag ergens begin november, wanneer het geen herfst meer is maar ook nog geen winter.
Finland is een land als alle andere noordelijke landen, alleen lijken hier de bewoners op veel plekken te ontbreken. Toeristische plekjes, jachthaventjes, de poolcirkel; het is er uitgestorven. Hier en daar een camper op een vlakte langs een winderig grijs meer; het is tenslotte zomer. Op de rotondes in de plaatsjes die de bus passeert, meestal een standbeeld zoals je die op een plein ergens in een mijnstad in Kazachstan zou verwachten, of ergens in de kolenstreken van Noordoost China.
Het is een graad of elf. De taxichauffeur die mij van het ziekenhuis naar het busstation bracht, vertelde dat men dit heel redelijk vond.
Het ziekenhuis. Afgelopen maandag, na de eerste dag van een cursus die met Europees geld om toch wel plausibele redenen in een der meest afgelegen uithoeken van het noordelijk halfrond werd gehouden, was ik rillerig in bed gekropen, in een kamer die maar niet donker wilde worden en waar de middernachtzon de schitteringen van de rivier op de muur weerkaatste. Ademhalen werd een opgave van jewelste, messen leken in mijn longen te steken. Niet geslapen natuurlijk, de derde nacht op rij.
De volgende dag, de cursus maar even verzuimd, een wandelingetje als van een bejaarde. Naar het dorp, wat leek te bestaan uit twee winkels,een hotel, een enorm Lappen-museum ( de Lappen worden trouwens ook ‘Sami’ genoemd ) – een nog veel groter exemplaar was een eindje verderop in aanbouw – en wat huizen. Af en toe passeerde een auto,verder niets dan stilte en ruisende wind. Stralend weer, dat wel, maar zoals op een mooie winterdag. Hoogzomer in Lapland. De wandeling werd kort, onderbroken door aanvallen van paartjes stormmeeuwen die met schrille kreten de boze indringer poogden de verjagen. Het jong dobberde op de rivier, en ik zag in mij al een moordlustige vogelhater die kleine lieve donsballetjes de verdrinkingsdood injoeg.
De grond werd steeds zompiger; op plaatjes van de streek had ik ook al beren gezien, dus een gruwelijk einde ontrolde zich voor mijn geestesoog. Duizelig terug gestrompeld naar het dorp, even kijken in de souvenir-winkel: messen om een olifant mee te slachten, mutsen, pantoffels en heel veel sauna-benodigdheden, buijvoorbeeld een stuk gewei on je op je rug te krabben.
’s Avonds hoge koorts, een volledig op hol geslagen hartritme en wat ongeruste collega’s belden de dokter, die – net als in Nederland – liet weten dat ik maar naar de hulppost in de dichtstbijzijnd gelegen plaats moest komen, in dit geval Ivalo, zo’n 40 km verderop. Daar bevond zich een hospitaalje, waar een dokter na enige tijd een heel verhaal in het Fins tegen mij af begon te steken, tot het doordrong dat ik daar niet echt vloeiend in was. Over op Engels dus, een vaardigheid die de aanwezige zusters helaas nauwelijks beheersten. Het schijnt in Finland ook al niet goed met Nokia te gaan, trouwens. Hartfilmpjes, infusen, hoge koorts en na een uur ook zuurstof. Men wilde mij wel houden eigenlijk, en echt tegenstribbelen kun je op zo’n moment niet. Om het piepen van de hartmonitor uit te schakelen, moest de zuster de gebruiksaanwijzing raadplegen, en het kastje werd voor een raam gereden zodat men voor mij een soort intensive care creëerde zodat ik in de gaten gehouden kon worden vanuit het zusterkamertje er naast. Een nacht gekoppeld aan slangen en buizen, en eeuwig daglicht alom, dat betekende dus wéér niet slapen. Men komt ook niet even snel over vanuit huis om de kwijnende patient de hand vast te houden. Barneveld-Inari, 2848 km, zegt Google Maps, 33 uur rijden, vertrek in noordelijkwestelijke richting vanaf de Verlooplaan. Hypochonder als ik ben, maakt ik mij al druk over het uiterlijk en het vervoer van de kist naar Nederland.
De volgende dag en diverse aderlatingen verder, was het hart weer tot rust gekomen en de koorts wat gezakt. Men vermoedde een longontsteking, maar de infectiewaarden in het bloed bleven maar stijgen. Ik kreeg mijn eerste bord Finse pap. Er zouden er vele volgen ( en weer onaangeroerd teruggebracht worden naar de keuken ). Verder: brood ( een sneetje gewoon en een sneetje zuur ), thee, toetje ( consequent iets drillerigs wat er op het oog eerst best wel smakelijk uitzag ) en dat op vreemdsoortige tijdstippen. En natuurlijk voortdurend twee infusen. Wil je die pap niet goedschiks, dan maar kwaadschiks, en injecteren we de zooi rechtstreeks in je aderen. De conversatie met de zusters bestond uit “Yes”en “No”. Aan het ein de van de middag mocht ik de “intensive care” verlaten en kreeg ik een andere kamer, die ik – o blijdschap – mocht delen met twee stokoude Finnen, waarvan er eentje volgens mij al enkele weken gebitloos en morsdood in bed leek te liggen, met lege ogen en wijd open mond starend naar het plafond. Ik hoefde mij niet te verheugen op een boeiende conversatie in vloeiend Engels over alle aspecten van de Finse samenleving en de gezondheidszorg in het bijzonder, en ook het woord “pap” zou in het Fins ongetwijfeld een halve bladzijde in beslag nemen. Wie op tv een Fins ondertitelde film kijkt, heeft volgens mij alleen nog de bovenkant van het scherm voor het eigenlijke beeld ter beschikking. En er wàs tv op de kamer. De iets minder dode maar stokdove kamergenoot vond het hoog tijd om het apparaat in te schakelen om zo een bijdrage te leveren aan mijn stekende hoofdpijn.
Op dag drie was er gelegenheid tot ontsnapping, doordat ik met mijn infuusstaketsels nu wat mocht rondwandelen. Naar huis was uitgesloten, men dacht nu aan een longembolie en tot overmaat van ramp belde de Alarmcentrale vanuit Nederland. een ernstig persoon informeerde dringend naar mijn gezondheid. Dan gaat het dus echt niet goed met je. Het ziekenhuisje leek geheel ingericht op de verzorging van dementerende bejaarden, en stelde een intrigerende verzameling foto’s aan de wand ten toon, waarvan er hier enkele te zien zijn. Er was een soort sanatorium-balkon, met achter glas uitzicht op een meer. Er waren overal schommelstoelen, er was een bejaarde die ’s ochtends voor de buis in de ‘ontspanningsruimte’ werd geposteerd, daar de hele dag kreten slaakte en die ’s avonds weer werd weggehaald. Schommelend bracht ik de middag op het sanatoriumbalkon door, om maar niet naar de kamer terug te hoeven, de pap stond naast mij koud te worden. Zo voelt het dus wanneer je honderd bent.
Nog meer dokters; een verademing, want even Engels kunnen spreken. De volgende morgen – vrijdag – zou ik heel vroeg naar Rovaniemi, zo’n 350 km. verderop gebracht worden, want alleen daar kon men zeker constateren of ik wel of geen longembolie had. Vliegen was uitgesloten in dat geval. Minstens een extra week pap. Je zou sterk gaan geloven in wonderbare genezingen.
De zuster kwam. Het infuus werd vervangen, enge bloedstolsels die regelrecht je hersenen in zouden kunnen schieten. Bloedverdunning in de buik. Het doet geen zeer meneer. Eindelijk douchen, de infuushand in plastic verpakt. Warm water als een hemels bad, waar je uren onder zou kunnen staan als je niet zo zwak was geweest.
Vrijdagmorgen, 4:30 uur. De enige zuster die nog een klein beetje Engels spreekt, brengt mij een ontbijtpakketje, nog één keer een infuus en wenst mij goede reis. Geen pap. Warmte doorstroomt mij. Ik ploeter mij wankelend in mijn kleren, zie op tegen de lange rit. De rugzak lijkt 80 kilo te wegen. De taxi staat klaar, een busje met zowaar een bed er in, en een chaffeur die natuurlijk geen Engels spreekt. De reis verloopt knikkebollend, af en toe vertraagd door matineuze rendieren, maar toch word ik tijdig in het ziekenhuis in Rovaniemi afgeleverd, waar ik zal horen of ik nu wel of geen longembolie heb en waar men zeer voortvarend en vlot Engels sprekend met mij aan de slag gaat. Series prikken, foto’s, onderzoeken. Ik lig op de eerste hulp. Naast mij wordt een soort blazende en stomende walrus binnen gereden, de kleren worden van diens lijf geknipt en iemand met een lang leren voorschoot rolt een karretje vol dikke slangen achter het gordijn, waar nu vreselijke geluiden vandaan klinken. Er ligt iemand dood te gaan, lijkt het. Ik besluit de rest van mijn leven te vasten, nooit meer te snoepen, een lichaam als een jonge god te kweken. Men draaft in en uit, gordijntjes vliegen open en dicht. Hier wordt gewerkt. Een jong zustertje rijdt mij met wapperende haren door de gangen heen en weer naar de röntgen-afdeling. Na een paar uur komt een dokter, een jonge Finse schone met zo’n strenge bril met zonder glazen lijkt het, die mij vertelt dat ik geen embolie heb maar slechts een zare longontsteking en dat ik morgen naar huis mag vliegen. Een paar uur later sta ik buiten, opnieuw te wachten op de bus, terug into the wild. eerst weer naar het noorden, maar levend en wel, en nog nooit zo verlangend naar huis als nu. We leven weer, ook al is het nog in the middle of nowhere.

- En nog even een intrigerende foto uit de wandcollectie van het ziekenhuis in Ivalo. Je voelt je toch snel aangesproken…
Naschrift: Inmiddels ben ik weer thuis. Ik voel me geen honderd meer, maar tachtig. Het gaat dus beter, maar langzamer dan je zou willen. Alle tijd om straks te genieten van de vakantie en zo af en toe weer eens een blogje te schrijven. Ik kon het toch niet laten. Genoeg tijd gehad om heel veel na te denken over allerlei dingen in elk geval, en om diverse roeren rigoureus om te gooien. In een richting die heel aardig lijkt. Twitter heb ik niet gemist, ondanks dat je met een druk op de knop bijna 1000 volgers wist. Sporadisch zal ik er nog te vinden zijn, wanneer ik iets zinnigs te melden heb misschien. of ook wel onzinnig, maar toch misschien wel iets aardigs.

