De kerstnachtdienst komt er weer aan. Gaan we wel, gaan we niet. Vroeger, in Haarlem, natuurlijk altijd. Op naar de grote St. Bavo. Een lange rij van Haarlemmers, in allen een flink welbehagen. Daar was toen eens een man, een demonstrant, met in zijn handen een groot kruis waaraan een geslacht en gekruisigd konijn hing. Tegen de massaconsumptie. Dat was wel een beetje eng ja, zo’n man. Daar moet je niet je warme kerstgevoelens door laten verknallen. Tenslotte stond je niet voor niets een uur buiten te blauwbekken in de vrieskou daar in die rij, en vervolgens nog eens anderhalf uur binnen kleumen op slechtzittende bankjes. Tot overmaat van ramp klonk daar tijdens de stilte van het gebed ineens een spetterend geklater vlak achter mij op de vloer, en een zurige lucht vertelde mij dat het kerstkonijn bij zeker één kerkganger die avond slecht gevallen was. Veel gestommel en gerammel met emmers. ’t Was een lang gebed. De gedachten niet bij het kindje Jezus in de kribbe ( ik weiger tot in lengte van dagen om “voederbak”te zeggen ), maar bij de vraag of de stukjes konijn ook achter op mijn broekspijpen en schoenen zouden zitten. De rest van de dienst wenste ik vergeefs in een roomse kerk aanwezig te zijn, want daar wordt tenminste nog flink met wierook gewerkt.
Gekruisigd konijn of niet, de Bavo was een traditie. Die sfeer, die galm van het orgel, die lichtjes, het geluid van de Damiaatjes als je door de oude straten in de kerstnacht naar huis liep.
Hier in B, het dorpje op de Veluwe waar ik pleeg te wonen, ligt het allemaal wat gevoeliger. Men is hier niet zo op oude gebouwen, en op sfeer. In sommige kerken is een kerstboom uit den boze, daarin schuilt het oog van de duivel. In die boom dan, hè? In onze kerk staat wel een boom, maar dan een kunstkerstboompje, beetje in een hoekje, alsof het zich geneert. De lichtjes erom heen gesnoerd, net als hier in de buurt bij een conifeer, die nu wat op een kerstrollade lijkt.
De lichten blijven meestal fel branden tijdens de dienst, die nogal modern van snit is. Een collecte voor de onderdrukte Palestijnse gebieden bijvoorbeeld. Met zo’n kerstproject en zo, en bijbehorend projectlied. Niet te zingen meestal, want modern.
Wel heel oud: het koor. Elk jaar, ergens in juni denk ik, piekert de kerstcommissie zich suf over wat zullen we nu eens voor verrassends met kerst doen. Laten we eens het koor programmeren, dit keer maar op kerstavond in plaats van kerstochtend, en dan volgend jaar weer andersom. Het koor is heel groot, en heel oud. Ik schat dat het zo’n kwartier duurt voordat het laatste – en oudste – koorlid naar de plaats bestemming is gestrompeld. Vervolgens barst men uit in gezang, onder het scherp oog van de dirigent die op een torenhoog staketsel is geklauterd om de gehele zachtjes heen en weer deinende – of wankelende? – menigte aan te sturen. Soms is er een soort van Engels lied. Doe mij dan toch maar even liever Kings College Choir. Aan het eind van het lied stommelt men weer amechtig hijgend naar de bankjes, en bij het volgende muzikale intermezzo wordt het hele ritueel weer herhaald. Zo komt zo’n kerstnachtdienst wel vol. Volgend jaar zal ik een gospelkoor suggereren. Voor dit jaar zal het voor mij wel de kerstspecial van All You Need Is Love worden. Maar misschien toch ook nog wel een kerstnachtdienst. Hangt er een beetje van af welke dominee. Niet zo’n moderne graag. Misschien toch nog wel naar Haarlem. Stijl en traditie graag.
