Carnaval…..tja…

Het is carnaval in bepaalde delen van het land waarvan ik zou wensen dat die niet bij ons hoorden. Nu kan ik me bij Limburgers en Brabanders nog wel voorstellen dat die zich een paar dagen per jaar wat vreemd willen uitdossen en bijvoorbeeld op een toeter blazen, maar laat die folklore toch alsjeblieft ergens ver weg in het zuiden blijven.  Vooral niet in dorpje B. op de Veluwe bijvoorbeeld, want – dit gaat op heimelijke fluistertoon met schaamrood op de kaken –  daar woon ik namelijk.

Insiders weten het al: ik ben niet zo’n feestnummer. Ik trek ongeveer wit weg bij iets wat naar feest neigt. Vooral personeelsactiviteiten hebben nogal eens de onhebbelijke eigenschap in feestelijkheden te ontaarden. “En nu allemaal een cowboyhoed op en in polonaise door de zaal, mensen!”  Waarna men zich vol overgave op de vette steak werpt. Bedrijfsuitjes waarbij het personeel zich allemaal verplicht in een te strak t-shirt met jolige opdruk perst. Aangeschoten lieden die tegen je aan gaan staan, een arm om je heen slaan en met een stinkadem zeggen dat je een toffe peer bent. Dan liever een citroen. Geen peer.  Drie keer “Hoera” roepen, en uitbarsten in “Lang zal die leven”, ook zo wat.  Het wordt dan bij mij altijd zoiets als bij de troonrede van dat mens wat zonodig naar Oman moet om een vorkje te prikken: wanneer daar “Leve de Koningin!” geroepen moet worden, klinkt het altijd net of er iemand drie keer achter elkaar gecondoleerd wordt. Je moppelt maar wat en je geneert je suf.

Ben je asociaal wanneer je niet van uitgelaten meehost? Mist er iets in je genen? Moppen, ook zoiets. Sommige lieden moeten ongeveer steun zoeken bij het meubilair bij elke grap die bekende cabaretiers maken, en bij elke comedy die ze op televisie zien. Er zijn mensen die de ene na de andere grap  uit hun mouw schudden. Schaterlachen alom. Bij zoiets zou ik willen dat ik vuurtorenwachter op Rottumerplaat was. Er zou eigenlijk ook een soort carnaval voor zuurpruimen moeten zijn. Daar zou ik dus echt uit mijn dak kunnen gaan denk ik.

In dorpje B, wat zich hoogst origineel tot “Kiependaarp” heeft hernoemd, trekt op zaterdagmiddag een feeststoet door de straten met wat kleumende kindertjes, een blaaskapel en wat onvermijdelijke versierde tractoren.  Het echte feest wordt hier in een achteraf gelegen zaaltje op een industrieterrein gehouden. Om te lachen  moet je niet alleen zijn denk ik. Ik kan me zo voorstellen dat zelfs een winkel in feestartikelen op de lachspieren kan werken. Het hangt er van af met wie je daar bent, bijvoorbeeld. In  B. is zo’n winkel niet. Geen schetenkussen. Geen glimmend plastic politie-uniformpje met een guitig petje. Jammer allemaal toch. Men is hier niet zo van de feesten. Zo’n carnavalsoptocht, die douwt men zich met moeite door de strot, op zo’n kille zaterdagnamiddag, tegen sluitingstijd van de winkels. Een trekker met een kar. En daarop Prins Carnaval met zijn gevolg, die hier ook iets uitstralen van ‘wij zijn hier eigenlijk liever niet’. Het oogt ook allemaal een beetje treurig, zo’n stoetje wat door de winkelstraten en langs de lokale super trekt, begeleid door de lokale BOA. Het publiek bestaat uit toevallig passanten, allemaal op weg naar huis en de aardappelen met jus. Carnaval…. tja, voor een uurtje mag het.

Eén antwoord op “Carnaval…..tja…”

  1. Ik heb jarenlang als krantenverslaggever in dat dorpje B. gewerkt. In mijn jongste verslaggeversjaren heb ik dat carnaval daar verslagen (op papier dan). Dat was toen in zaal Vinkenborg. In 1988 verhuisde ik naar Brabant en nu woon ik al weer tien jaar in de carnavalsstad bij uitstek, Oeteldonk. Ik denk nog vaak terug aan wat ze in Kiependaarp carnaval noemden. Die beelden komen overeen met jouw schets. Wat een feest van herkenning! Overigens: carnaval zit niet in mijn bloed, ik heb het zelf alleen maar beroepshalve vanuit een donker hoekje beschouwd.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *