Brand!

27on1Alleen de titel van dit blogje trekt al bezoekers. Ja hè, anders was u hier vast niet gekomen. Om duistere reden wordt een groot deel der mensheid altijd aangetrokken door sensatie, zonder dat is er blijkbaar niks meer aan.

Beschaafde lieden generen zich wel een beetje, maar toch, als er ergens een mooie fik is, dan stormen we daar graag op af, zolang het niet om woonhuizen of  branden met persoonlijke ongelukken gaat – wat mij betreft dan. Ik spreek uit ervaring: ooit zelf brand gehad in huis, ’s nachts op de slaapkamer van één der kinderen, zo’n nachtmerrie wens je je ergste vijand niet toe. Ik ga soms ’s avonds nog wel twee keer naar beneden om te kijken of ik de kaarsjes wel ècht goed heb uitgeblazen. Voer voor psychiaters.

Dorpje B. op de Veluwe. Donderdagavond, zeven uur. Ik maak mij op om na een zware werkdag vol onderwijskundige taken nu eens helemaal uit mijn dak te gaan tijdens het oefenen van de tango bij de plaatselijke dansschool. Zoiets is op mijn leeftijd niet altijd een eenvoudige opgave. Toch neem ik mij elke keer weer voor mijn partner vurig door de zaal te smijten, daarbij met een wild gebaar mijn smetteloos witte overhemd open rukkend zodat alle knoopjes in het rondvliegen, en zij – mijn gade – haast bezwijmd ter aarde zijgt bij de aanblik van mijn bezwete tors.  Zo zie je dat op tv tenminste. In mijn geval zou de voorstelling toch meer doen denken aan twee parende zeekoeien, dat lijken mij ook niet meer van die vlotte dieren.
Ik stap dus naar buiten en ontwaar daar aan het zwerk enorme zwarte rookwolken. Elke keer denk ik bij de aanblik van zoiets allereerst aan mijn school, maar telkens blijkt het weer een gruwelijk eind verder uit de buurt te liggen.  Het liefst was ik gelijk derwaarts gevlogen, maar ja, die dansles hè, dat gaat voor. Zo voltrokken zich dus de samba en de jive in een tergend  traag tempo, terwijl buiten mogelijk de halve wereld in de fik zou kunnen staan.
Of we eventueel nog even een klein stukje die die kant op zouden rijden, stelde ik mijn vrouw voor toen we weer buiten stonden. Wonder boven wonder, je verwacht dat niet direct van vrouwen, ging zij akkoord. Zo stuurde ik dus quasi ongeïnteresseerd richting rookwolken, voorzichtig voorstellend of we toch maar niet naar huis zouden rijden. Maar nee, ik mocht nog een stukje verder. Stel je voor dat ze had gezegd: ja, ga maar weer linksaf naar huis.  Het leed zou niet te overzien zijn geweest.

Het liefst was ik natuurlijk plankgas, met loeiende toeter naar de plaats des onheils gescheurd, volkomen vergetend dat ik slechts een dun bezweet overhemd aan had onder een dun colbertje.  Half dorpje B. op de Veluwe spoedde zich inmiddels lopend, hollend, fietsend en racend derwaarts, eigenlijk had men – eenmaal aangekomen – de auto midden op de weg met draaiende motor achter willen laten om toch vooral niets te missen. Ook wij vonden ergens een plekje en zo wandelden wij kalmpjes, of je de een brief op de bus ging doen, naar het kolkende inferno toe.  Graag had ik gerend en iedereen die in de weg liep opzij gekegeld. Uit de weg! Wauwel moet de brand verslaan! Maar ja, je wilt niet al te zeer op het op sensatie beluste gepeupel lijken, daar hoor jij natuurlijk niet bij, dus loop je je de laatste honderden meters op te vreten en bovendien nog te vernikkelen van de kou. Ook maar hopen dat je geen bekenden tegenkomt, dan sta je gelijk als Hart-van-Nederland-kijker in beeld. En ja hoor: tientallen leerlingen, bekenden uit het dorp. Hallo Wauwel, jij ook hier? Niet gedacht van u zeg! – Ach nee, ik kwam toevallig langswandelen, zes kilometer van huis, om hier een brief op de bus te doen.

Hoe gaat dat verder met zo’n brand. Wel, het is heel gezellig, de sfeer wordt steeds joliger naarmate er meer muren instorten en er zwaardere ontploffingen klinken, je zou wensen dat er een rijdende snackbar langs kwam, en iedereen verbroedert in de gloed van de vlammen. Je slaat je wildvreemde buurman nog nèt niet op de schouders. Allemaal zijn we weer een beetje pyromaan, en allemaal willen we eigenlijk weer brandweerman zijn net als vroeger toen we nog kind waren. Allemaal zijn we jaloers op die kerels in die vuurvaste pakken, op de herrie en het lawaai waarin zij werken, de flitslichten en de rook. En we blijven maar staren naar die vlammen, net als de oermens naar het eerste vuur. We zijn nog niks veranderd.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *