Gamma, de ultieme sex

Vandaag was ik bij de Gamma. Ik ben zo’n klusser die volkomen onplanmatig in een opwelling aan iets begint, met als gevolg dat je honderdduizend keer terug naar de bouwmarkt moet omdat nét dat ene boortje breekt, of dat je verkeerd de plaat opgemeten hebt, of omdat je de 5 liter pot paarse  “laat ik eens wat aparts doen” muurverf bij het openmaken over het hoogpolige tapijt hebt gedonderd. Ik stap ook altijd achteruit op een deksel waar verse verf aan zit, en wandel daarna het halve huis door, en ik ben natuurlijk altijd van alles kwijt, terwijl ik toch écht absoluut zeker weet dat ik die centimeter daar en daar heb neergelegd. Die kabouters doen hun verdwijnwerk uitstekend.

Nu is de Gamma, net als alle andere bouwmarkten niet echt behept met een aansprekend interieur. De trend in living en huisinrichting is tot overmaat van ramp ook nog eens grijs, in alles, en al jaren, lijkt het wel. Het behang moet in beton-look, aan het plafond graag industriële lampen, met veel buizen, het tuinmeubilair is atoombom-bestendig gemaakt van dikke steigerplanken waar je gruwelijk je vingers aan open haalt. In deze tijd van het jaar komt daar ook nog de verplichte kerstafdeling bij, die bestaat uit een – naar het lijkt – van grote hoogte neergestorte verzameling kunstkerstbomen, waar een geblinddoekt persoon vervolgens van enige afstand wat slingers, ballen en een verlicht led-rendier in heeft gesmeten. Dat is dan wél in de aanbieding, trouwens. Nee, dán de Intratuin. Dáar mogen we de kerstafdeling al ongeveer sinds het einde van de zomer bewonderen, en als je dus €5000 te besteden hebt kun je het gehele meubilair aan kant schuiven en de woonkamer van top tot teen inrichten met een hysterisch in alle kleuren van de regenboog flikkerend, besneeuwd berglandschap, volgebouwd met opper-kitsch kersthuizen, kerkjes, bierbrouwerijen, skihellingen, Tiroler Stüblern, en overal komt zoetgevooisde speeldoosmuziek uit. Je gooit vervolgens de kinderen er tussen, zet de kerst-cd van Zanger Rinus of de Toppers op, steekt een shaggie aan en je bent verzekerd van een ADHD-festijn waar tot in lengte van dagen geen einde meer aan lijkt te komen.

Maar terug naar de Gamma, daar is het voor de doorsnee man vét kicken, een soort ultieme sex, zeg maar. Ik kan daar eindeloos ronddolen, terwijl ik eigenlijk kwam voor een doosje plugjes omdat de vorige dwars door de gipsplaat in het zwarte gat verdwenen. Al je andere behoeftes verdwijnen als sneeuw voor de zon, bij de aanblik van gasbetonblokken, verzinkboren, winkelhaken, douchecabines, schroeven en moeren, slijptollen, touwen en kettingen op een rol, met als orgasmisch hoogte punt toch wel een stel groen rubberen laarzen, maat 46 of 47. Je hebt ze tegenwoordig ook met stalen neuzen.

Er komt ook een bepaald soort mannen: aannemers en hun personeel bijvoorbeeld, maar die zijn saai. Komen in gevlekte werkkleding even snel iets halen, op rekening, en weg zijn ze weer in hun busje met bouwmaterialen. Er komen ook types – hier in Barneveld dan – op klompen binnenklossen. Bodywarmer aan ( altijd groen ), ruitjesoverhemd, en wanneer ze bukken om een zak betonmortel in de kar te werpen hebben ze altijd een gruwelijk bouwvakkers-decolleté. Thuis wacht hun vrouw op bijvoorbeeld oranje Crocs.

Verder zijn er mannen zoals ik. Glazig rondzoekend, want het briefje met alles wat nodig is hebben ze thuis op tafel laten liggen, en zich vergapend aan al het moois voor mannen. De Kamasutra-beurs voor klussend Nederland, zeg maar. Je denkt alleen nog maar aan boren, hakken, breken, lijmen en schilderen. Scheppend bezig zijn, om zo een uitstekend excuus te hebben om niet allerlei andere stompzinnige klusjes als wc schoonmaken of dweilen te hoeven doen; “Ik heb die vloer met veel inspanning gelegd, nu mag jij hem verder dweilen!” In gedachten bouwen wij ons droomhuis van top tot teen zelf, wij zien het glanzende toilet dat achter die grijze rioolbuis straks tevoorschijn zal komen, wij dóen dat wel even voor het vrouwtje thuis. Een enorme tevredenheid maakt zich van ons meester, een verzaligd gevoel overmant ons. Het is zaterdag, we mogen naar de bouwmarkt, we mogen klussen. en vanavond wacht de beloning. Hopelijk houdt het vers gemetselde gipsblokken muurtje achter het bed een beetje stand.

Dropjes eten, gezond en lekker!

engelsedropIk moet eeuwig aanhoren dat ik zwanger ben, dat ik op de roeimachine moet, dat ik er afzichtelijk uit zie, dat ik nog een keer dichtgroei, dat ik eens een keer een appel moet eten, en dat het heel vreemd is dat het pak speculaas dat gisteren in huis gehaald was nu al weer half of helemaal leeg is en aan wie dat nu toch zou liggen.

Het is inderdaad erg ja, ik schaam mij diep. Volgende week of zo – ik heb dat afgelopen week met een smoes een beetje kunnen rekken – moet ik weer naar de mondhygiëniste. Vroeger ging je naar de tandarts, op het moment dat je een gaatje had, en die man pulkte en boorde dan wat en je kon vervolgens weer een paar jaar vooruit. Nu moet je dus elk half jaar naar een steriele juffrouw, met een kapje voor, meestal in opleiding, die  vervolgens per wegtikkende vijf minuten voor een gruwelijk bedrag naar het schijnt je volledige gebit aan gruzelementen lijkt te trekken met aan aantal gemeen stekende martelwerktuigen. Daarna word je bestraffend toegesproken en krijg je een demonstratie flossen “u moet het draadje zó heen en weer halen!” en dat is dan €15 extra.  Met doorweekte rug en badend in het bloed verlaat je tenslotte in hysterische toestand het pand, op weg naar het Kruidvat om daar een door de juffrouw aangeraden doosje kunststof tandenstokertjes medium  te kopen, van die borsteltjes die bij de eerste poging om ze tussen de restanten van je tanden te steken gelijk dubbelvouwen.
Nu wil het geval dat het Kruidvat ook een uitgebreide snoepafdeling heeft, in het bijzonder de bakken met drop waar je zelf uit mag scheppen.  Een weegschaal is niet in de buurt, dus je gaat die bakken met je schep te lijf om alles in een zo groot mogelijke zak te proppen: Brusselse Mannetjes, schoolkrijtjes, van die zwart-wit dingetjes, griotten, hoestmelange ( nooit geweten waarom dat zo heet ) en gele bananen. Die passen niet bij de drop maar zijn wel akelig lekker, net als de caramels. Gelukkig doet de plakbandhouder waarmee je de zak moet dichtplakken het nooit: het is één grote verstrikkelde kluwen tape, dus de zak blijft open zodat je direct kunt beginnen na het passeren van de kassa. En soms al ervóór. Die tandenstokertjes kosten trouwens ongeveer net zoveel als een volle zak.
Mocht er geen Kruidvat zijn, dan kan ik u ook Albert Heijn aanbevelen, daar verkopen ze zakken met gemengde gesuikerde drop, met onder andere van die beigige spinnetjes erin, die naar anijs smaken.

“En hoe was het bij de tandarts?”
“Vreselijk, als altijd. Ik heb nog even geen nieuwe afspraak gemaakt. Wil je een dropje?”

En zo ploeter ik dus voort in het leven, dolend tussen de Kruidvatzak, de spinnetjes en de roeimachine, zwevend tussen hoop en wanhoop. De mens is redelijk onverbeterlijk, en wanneer je dan artikelen leest dat een teveel aan kilo’s eigenlijk aangeboren is, en áls je het al een tijdje kwijt raakt, het bijna altijd weer terug komt, dan grijp je moedeloos naar de drop, want dat maakt dan toch niet meer zoveel uit. Ik ben er trouwens van overtuigd dat wanneer je zo’n hele zak achter elkaar leeg vreet – dat geldt bijvoorbeeld ook voor chips of voor spekjes – dat het dan lang niet zo schadelijk is. Gewoon doen, de overdaad komt er een paar uur later wel weer uit, en het hoopt zich niet op.  We zijn nog lang niet zo ver dat ik met een takelwagen door de gevel gehesen moet worden, en ik vind dat ik best nog wel een redelijk lichaam heb als ik het voor elkaar krijg mijn adem een minuut lang in te houden. En bovenal, ik ben geen twintig meer, en ik gá af en toe wel eens op de roeimachine, ik zit op salsa, ik zweet het er in mijn eigen infraroodsauna ook wel af, en elke maand een paar keer naar de echte sauna doet ook weer wonderen. Ze hebben daar een weegschaal, en het verschil tussen het begin en het eind van de avond is elke keer ernstig hoopgevend.

Mannen en vrouwen van Nederland: wordt u geregeld verguisd vanwege uw mogelijk te dik postuur? Niks van aantrekken. Gewoon, de Rennies en de roeimachine , de sauna en de dropspinnen bij de hand, en we komen snoepend en innig tevreden en heus niet te dik door het hele land.

[youtube]http://youtu.be/Zx0ME65y72E[/youtube]

 

Rekentoets: want met alleen tongzoenen kom je er niet

FX7.jpg FILM TITLE I, RobotRekenen was – en is – nooit mijn sterkste kant. Op de middelbare school, die toen nog HBS heette, wist ik nooit hoger te scoren dan een 3, en de leraren die mij dit vak vergeefs probeerden bij te brengen, hadden in mijn optiek allemaal een hekel aan mij, en dat gevoel was wederzijds. Uren besteedde ik aan het smachtend naar buiten staren over de skyline van Haarlem, vanuit mijn plekje naast het raam op het Marnix College. De school waar ik later uiteindelijk van af getrapt ben wegens vechten met de aardrijkskundeleraar, die óók al een hekel aan mij had. Ook de rector mocht mij  niet, dus dit was een mooie gelegenheid om deze irritante puber te lozen. zoiets ging toen nog vrij makkelijk. Ik kwam toen op een akelig strenge MULO in Bloemendaal, eentje van het Bint-soort, en dat was precies wat ik nodig had. Ook daar bleek het rekenen in de vorm van afschuwelijke dingen als goniometrie en de stelling van Pythagoras niet aan mij besteed, maar op de een of andere manier wist ik toch met een voldoende van school te gaan. De school waar ik gevormd werd op alle gebied, want dáár was het bijvoorbeeld dat ik mijn eerste tongzoen mocht ondergaan. Nu heeft een tongzoen niet heel veel met rekenen te maken, hoewel klasgenote Margreet ( ik zal haar achternaam hier nu even niet vermelden ), die hem mij toediende, volgens mij uiterst berekenend te werk ging.
Die zoen betekende mogelijk een enorme stimulans in mijn kwakkelende schoolloopbaan en deed mij besluiten mijn uiterste best te blijven doen, want je wilt natuurlijk niet weer blijven zitten en haar zodoende uit het oog verliezen. Zij was namelijk wél erg goed in rekenen, en al tongzoenend hulp ontvangen is nooit weg, als je puber bent. Helaas bleek de liefde ná het weekend al weer over, waaruit haar berekenend karakter bleek. Vermoedelijk had ze een weddenschapje met een vriendin afgesloten, om het grootste ei uit de klas nog aan het lebberen te krijgen.
Op de havo bleef rekenen ook een moeizaam geploeter, en toen ik daarna – mogelijk uit wraak voor mijn tragische schoolloopbaan – besloot het onderwijs in te gaan was wiskunde op de Pedagogische Academie óók niet mijn sterkste kant.
Uiteindelijk werd het dus taal, en tekenen en handvaardigheid. Vakken die tenminste leuk zijn, en waar je je gevoel in kwijt kunt. Tegenwoordig zitten die een beetje in het verdomhoekje. D’r mot geprestéérd worden, en wat nu telt, zijn scores, toetsen en examens, en wel zo hoog mogelijk. Dat betekent, dat alles nu getoetst moet worden, en wat je niet in harde cijfers uit kunt drukken en meten is niet meer interessant.

Gisteren mocht ik dan – als volslagen alfa-man – bijzitten bij een rekentoets die door het Cito, zeg maar de opperste Sovjet uit de tijd van de Koude Oorlog, wordt afgenomen op de computer. Allemaal tegelijk starten, allemaal achter een vaste genummerde computer, allemaal stipt op tijd om één uur beginnen en stipt op tijd om drie uur eindigen, leerlingen met dyscalculie mogen een half uurtje langer doorploeteren. Alsof dat uit maakt, een half uur extra op een beeldscherm staren.
Rekenen moet gegeven worden zoals het in het echte leven voorkomt. Ik heb dat natuurlijk nooit geleerd blijkbaar, dat echte leven, maar op de een of andere manier ben ik niet tot een mislukkeling verworden. Zelfs een drie voor rekenen heeft mij gemaakt tot wat ik ben: iemand die al bijna veertig jaar voor de klas staat en die daar af en toe een stukje over schrijft of twittert. Iemand die ook het niveau van taal en rekenen heeft zien wegzakken tot een situatie waarin een moderne leerling bij het uitvallen van internet, stroom en mobieltje een enigszins reddeloos verloren persoon wordt. Want hoe moet je dit nu spellen, vinden of berekenen wanneer niets het meer doet en wanneer je enkel nog moet hopen op je hersens? Die hersens heb ik gisteren samen met mijn leerlingen, allemaal meiden die er niet er met de pet naar gooiden en die allemaal serieus keihard hun best deden, zitten pijnigen bij het proberen te begrijpen van de vraag. Om een toets rekenen te kunnen maken, moet je tegenwoordig namelijk behalve dat je over bionische ogen beschikt ( wie kan er twee uur onder tijdsdruk onafgebroken naar een beeldscherm staren? ) ook nog een belezen Neerlandicus zijn; heel veel vragen bleken voor meerdere uitleg en redenatie vatbaar, helemaal als je er over na ging denken. De helft van de tijd gaat dus bij het moderne rekenen op aan het proberen te begrijpen van wat er nu eigenlijk stáát, laat staan dat je überhaupt aan het eigenlijke rekenen toe komt. Rekenen moet tegenwoordig voor een mbo-scholier worden afgetoetst op havo-niveau, want dát is wat het hbo vraagt.

Hallo overheid en onderwijs-inspectie, waar zijn wij helemaal mee bezig? Mag een leerling niet gewoon mbo meer doen, daar een vak leren en dan gewoon klaar en een baan zoeken? Nee, we moeten scoren, scoren en nog eens scoren, want anders heeft de economie niets aan ons. Allemaal meedoen in het keurslijf van de rat-race, die geen afvallers en uitvallers mag kennen, en die geen ruimte biedt aan andersdenkenden, dromers, zwakkeren of creatieve geesten. Onderwijs is niet alleen maar rekenen, taal en toetsen. Onderwijs is vooral mens leren zijn, fouten durven maken, zwak mogen zijn, kwetsbaar maar gelukkig leren zijn. Ik heb geen zin om machines op te leiden. Dan had ik wel een ander vak gekozen. Waar je geen rekenen voor nodig hebt.

O ja, ik roep alle mbo-leerlingen op om eens gezamenlijk een Facebook-pagina te starten waarin je pleit voor een normale manier van toetsen, en waarbij we niet worden afgerekend op onze mate van volgzame robot-in-een-keurslijf-zijn.

In de aanbieding: 3 werklozen. Wie maakt me los?

Aaargh-crisis-voorbij-550x350Het leven gaat met pieken en met dalen en nog een hele hoop varianten daar tussen in. Meestal hobbelen we over die varianten, op zoek naar de pieken, en op onze hoede voor de dalen, die soms maar steeds dieper lijken te worden, zó diep, dat je de piek niet meer kunt zien. Mijn leven gaat heel redelijk; er is altijd meer te wensen, maar dan heb je tenminste iets om naar uit te kijken. Ik hoef niet naar de voedselbank, ik heb geregeld één dag in de week extra vrij, en ik heb soms de neiging om het werk als een gedwongen maar toch ook aardig zinvolle onderbreking van de vakantie te zien. Even van de camping of het vakantieadres af om wat nuttigs te doen, wat ook nog eens geld oplevert. Werk maakt in die zin gelukkig. Maar dan moet je het dus wél hebben, anders wordt alles toch een heel stuk lastiger.

Ons huidige kabinet heeft het niet zo op werklozen: ze zijn niet rendabel, leveren de maatschappij niks op, zeuren om geld en werk en zijn hinderlijk aanwezig, net als bijvoorbeeld mensen die het ongeluk en de botte pech hebben gehad om ziek, langdurig ziek of gewoon zwak te zijn te zijn. Wat moet je er mee. Met werklozen kun je niet scoren op staatsbanketten, en terwijl je in je dure Griekse vakantievilla zit, verscholen achter een hoog en veilig hek, wil je niet niet aan dat soort duistere wolken herinnerd worden. En wanneer je na het Haagse, na een week stevig debatteren op een terrasje zit, dan is het toch wat storend als je van daaruit zicht hebt op iemand die zit te bedelen voor zijn geld.

Dat hele werklozencircus is mij mijn hele leven eigenlijk bespaard gebleven. Altijd gewerkt, met ups en downs, een paar keer een burnout gehad ( “Ook zo’n aanstellersziekte!” ), maar nooit echt zonder werk.

En nu, ineens, zit ik er midden in. Niet zelf, maar drie leden uit mijn gezin, en dat knaagt, want zo zag je je leven niet uitgestippeld. Het is iets wat je niet graag aan de grote klok hangt, laat staan op het internet gooit. Nog veel erger dan dat het bij mij knaagt, is het voor voor degenen die er rechtstreeks door getroffen worden; 2 dochters en mijn vrouw. Twee nemen het lankmoedig zoals het komt, beraden zich op hun  toekomst. De derde lijkt de wanhoop nabij. En dat is niet om aan te zien. En  -nooit gedacht dat ik zoiets iets nog eens zou moeten doen, zo diep treurig is het eigenlijk – en nu gooi ik ze dus in de aanbieding. Ze weten nu nog niet dat ik dit doe, misschien moet ik dit blog weer verwijderen. Solliciteren lijkt niet te helpen, en je moet toch wat. Ik heb een flink netwerk, wie weet,  wie weet, graait er iemand in mijn aanbiedingenbak, en geeft een stukje toekomst terug. Hier zijn ze dus, ik stel ze even aan u voor:

  1. Werkloze 1: een dochter: In de twintig. Heeft gestudeerd op de Hogere Hotelschool in de managementsrichting. Op Schiphol gewerkt in een topklasse-hotel. Daarna een functie op een uitzendbureau en tenslotte beland bij een grote bank, waar zij tot grote blijdschap van zichzelf, management en haar klanten werd gekozen tot landelijke topper. Door de grootste bankbobo zélf op het podium gehaald omdat te vieren. Dan zou je zeggen: dat kan niet meer stuk, maar ja, het afgelopen jaar haalde haar kantoor de targets niet, en dan ben je dus gelijk geen topper meer. Ophoepelen, zonder pardon. Ze is niet bij de pakken neer gaan zitten, is begonnen met een Weddingplanner, om de eerste klappen op te vangen. Maar dat is vooralsnog een onzekere toekomst. Wie gaat er trouwen, kijk dan hier! En wie heeft er een baan bij voorkeur ergens in midden-Nederland, neem dan even contact met mij op. Of allebei natuurlijk, trouwen én een baan.
  2. Werkloze 2: mijn vrouw. Bijna 60. Schei maar uit Wauwel, wie zit daar op te wachten? Een collega van mij, 63, raakte onlangs ook werkeloos. Moest vervolgens in training, verzorgd door een jongmens van begin 20, om ook te werken aan sollicitatievaardigheden en “een persoonlijk ontwikkelingsplan”….Ziet u het voor u? . Maar goed, mijn gade heeft dus altijd blijmoedig in het basisonderwijs gewerkt, met een onderbreking van een jaar of tien, want zij is van het “voor de kinderen zet je je werk een tijdje opzij”, niet wetend dat twee van die drie kinderen nu op straat zouden staan. Ik probeer het dus toch: jarenlang heeft zijn naast haar werk voor de klas een succesvol poppentheater ( “Mengelmoes”) gerund, waar kinderen direct bij de voorstelling betrokken werden als mede-acteurs. Zij zoekt nu tegen misschien wel beter weten in iets in het onderwijs,bijvoorbeeld als begeleider of invalkracht, of iets in het uitvaartwezen, de zorg, iets waar zijn mensen tot dienst kan zijn. Liefst in midden-Nederland. Info? Benadert u mij maar.
  3. Werkloze 3: nóg een dochter. Achter in de twintig. Heeft klinische psychologie gestudeerd aan de Universiteit Utrecht, laatste baan was begeleiding van mensen met niet-aangeboren hersenafwijkingen, zwaar maar dankbaar werk. Is nu al bijna een jaar werkloos. Grote toekomstplannen. Heeft het nodige van de wereld gezien, volgt Spaanse les, danst fantastisch goed salsa. Kan zich heel goed in anderen verplaatsen en meevoelen. Maar geen werk, en dat hakt er in. Tot overmaat van ramp nu ook geen vaste woonruimte. Zoekt een baan én een huisje of appartement, liefst in de omgeving van Utrecht. Zo snel mogelijk. Help haar dus. Info? Klik hier! 

Zo….dit was een van de meest vernederende blogjes die ik ooit geschreven heb. U bent dit niet van mij gewend, u kent mijn schrijfsels als absurdistisch, prikkelend, cynisch. Maar dit is ronduit bedelen, helaas, het zij zo. Deel dit stukje, twitter er over, zet het op u Facebook, laat het uw baas lezen, en als u zelf baas bent, denk er over na. Zet mij maar te kijk. Misschien levert het wat op.

The Silence of the Laptops

Schrijver dezes
Schrijver dezes

Op het afnemen van toetsen en tests per computer rust op ons hoog aangeprezen instituut geen merkbare zegen. Deze regel is een beetje een verbastering van een commentaar van Simon Carmiggelt bij de film “Alleman”, van Bert Haanstra, uit de tijd dat de wereldbevolking nog niet leed onder de gevolgen van ict. Cholera en builenpest volstonden als plaag.

De tijden zijn veranderd, de wereld is verhard, en er zijn veel pestilentiën bij gekomen; het gebruik van computers en aanverwante zaken binnen het onderwijs is er eentje van. Nou ja, bij vlagen dan. Ik schreef daar drie jaar geleden (!) al eens eerder over in dit stukje.

Inmiddels verpozen we niet meer in Onderwijs 2.0, maar proeven we al aan 3.0, en inmiddels ben ik enige tientallen congressen op dit gebied verder. Ook wijzer? Mwah… een beetje. De ontwikkelingen staan niet stil, je wordt als school gebombardeerd met spectaculaire voorbeelden van hoe het allemaal nóg mooier, gelikter en minder middeleeuws kan. Maurice de Hond heeft tussen zijn bedrijven door eens naar zijn op de iPad spelende peuter gekeken en daar een heel onderwijssysteem bij bedacht. Alle leerlingen en studenten hebben er naast eten en drinken een primaire levensbehoefte bijgekregen die bestaat uit het dwangmatig vasthouden en bestuderen van hun mobieltje; neem je dat af, dan staat dat ongeveer gelijk aan het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, compleet met naar de school stormende schuimbekkende ouders, een overspannen directie, stukken op Geen Stijl en gerechtelijke dwangbevelen.

Het afnemen van toetsen op een schoollaptop is dan een beetje .. tja.. old style, maar veilig, meent men.  Ik moest invallen, begeleid door ettelijke volgeschreven vellen met instructies; we leven in een tijd van excellente leerlingen en excellente leraren, dus vóór alles dient het niveau van wat je in huis haalt bepaald te worden. Een en ander vond plaats in een high-tech lokaal met groot touchscreen, in zomerse temperaturen die nóg zomerser werden omdat al die laptops een hoop warmte produceren, en omdat het zonnescherm niet meer omlaag kan als je ook de ramen open wilt doen. Er is geen lichtschakelaar meer, dus af en toe moet ik spastische bewegingen maken om licht te laten schijnen. Een schoollaptop moet redelijk hufterproof zijn en dient ook een aantal jaren mee te gaan, toch zeker wel een jaar of vier. Ze worden bewaard in een laptopkast met voeding en zo.
Op mijn begeleidend schrijven stond ook dat de docent moest controleren of hij de laptopkast wel kon openen middels een sleutel die op een bepaalde plek in het pand bewaard wordt. Nu was het mij al vaak overkomen dat iemand vergeten was die sleutel terug te leggen, dus – zorgvuldig als ik ben – had ik dat tijdig gecheckt.
In het lokaal bleek door een ijverig persoon echter een andere activiteit gepland, en ook de leerlingen arriveerden niet allemaal op de tijd die van hen verwacht werd. Zo’n toets wordt van te voren klaargezet, en begint automatisch op het ingestelde tijdstip, waarna de teller afloopt. Ik wil bij deze plechtig voorstellen de tijdsduur voor computertoetsen voortaan op tenminste één jaar te zetten.

Het waren nieuwe leerlingen , dus schuchter, braaf en alles vergevend; dat is dan weer een voordeel. Nadat ik hun diverse stickers met diverse inlognamen en diverse volslagen ingewikkelde wachtwoorden had overhandigd, en nadat ik bosjes leerlingen weer naar de ict-afdeling had gestuurd omdat op sommige stickers geen wachtwoorden bleken te staan en omdat de meeste laptops geheel leeg bleken te zijn omdat ze in de computerkast niet op de voeding waren aangesloten en omdat bij diverse leerlingen het wachtwoord wél op het papiertje stond maar niet door het systeem werd herkend en omdat er veel te weinig stekkerdozen waren om alles op aan te sluiten omdat men besloten had dat dat niet nodig was omdat laptops op accu’s werken en omdat sommige leerlingen de Mozilla (!)-browser waar in de handleiding naar verwezen werd niet op hun computer konden vinden en omdat de browser de af te spelen audio-formaten niet herkende en omdat de systeembeheerders overbezet waren en omdat ik inmiddels een compleet spinnenweb van snoeren en stekkerdozen in het lokaal had aangelegd en leerlingen inclusief de docent daar als slangenmensen in verstrikkeld raakten en omdat andere collega’s die weer kwamen weghalen omdat ze in hún lokaal óók met een computertoets bezig waren waar ze tegen de zelfde problemen aanliepen als ik, ging voor de laatste leerling de toets pas na één uur van start…..

Inmiddels was ik in een toestand beland waarbij geüniformeerde personen mij vastgesjord in een dwangbuis wederrechtelijk naar de dichtstbijzijnde gesloten psychiatrische inrichting mochten vervoeren, om daar de rest van mijn leven vredig eendjes te voeren en te wachten op een lieftallige en vooral rondborstige zuster die mij mijn middagpap tussen het Hannibal Lecter-masker door zou proppen.

Dit stukje komt dus nu tot u vanuit mijn hel verlichte en zwaarbewaakte cel in het Pieter Baancentrum of waar ik ook zit opgesloten. Ik droom daar van scholen waar leerlingen hun eigen hardware meenemen, of dat nu een iPad, een Chromebook, een Smartwatch, een Google Glass of een oude Commodore 64 is ( ik heb compleet geestverruimende ervaring met alle genoemde apparaten ), áls ze maar een niveautest op ouderwets papier of desnoods een griffel en een lei mogen maken. Ik droom ook van onderwijs- en ict-adviseurs, die in hun argeloze onschuld mij in mijn cel durven te benaderen, met uitgestoken hand door de tralies. Ik droom verder nog van de volgende zomervakantie, vanaf heden nog 42 weken 😉

Voor een bezoekregeling met mij of voor vragen over dit stukje, of voor mijn onderwijs- en ict-adviezen ( want het kan écht veel mooier, beter en vooral: voordeliger ), dient u contact op te nemen met mijn geestelijk begeleidster, mevrouw Clarice Starling. Verder mag ik hier ook twitteren, dus dan blijft u op de hoogte. Mét een korrel zout graag.

Schnitzel

Op mijn vakanties in Oostenrijk ligt blijkbaar een soort van doem. Na een aantal jaren genoten te hebben van haast verlammende hitte in het Midden Oosten en het Verre Oosten, was het weer eens tijd voor een Europees avontuur.
Met vrienden werd afgesproken twee weken in de bergen te verpozen. De keus viel op het plaatsje Damüls, iets wat door de dames werd uitgezocht, daarbij geheel voorbijgaand aan het feit dat dit op een hoogte van ruim 1600 meter lag. Men wilde daar veel wandelen en genieten van de zon, begeleid door jodelende lieden in Lederhosen en geklingel van koeienbellen.
De heenreis verliep voorspoedig, zonovergoten, en zelfs bij een tussenstop in het Zwarte Woud, waar het eeuwig schijnt te regenen, bleef het droog.
Zodra we echter de Bodensee bereikten, viel het hemelwater met bakken uit de lucht, en dat werd er bij het bereiken van steeds grotere hoogten en steillere hellingen niet beter op. Tot grote blijdschap van schrijver dezes doemde het chalet eindelijk op uit de grauwe regensluiers, want ik bleek toch niet zo’n held meer te zijn in het sturen van mijn nogal zware auto langs allerlei haarspeldbochten en ravijnen. Met het voornemen om uitsluitend nog in de auto te stappen om over twee weken opgelucht huiswaarts te dalen, installeerden we ons in een ruimte met de bekende gruwelijk zittende wandbanken, starend in de wolken waar je vaag een stilstaande skilift kon onderscheiden en starend naar de beeldbuis waar de webcam de ene na de andere stilstaande in regennevelen gehulde skilift vertoonde, met opgewekte Tiroler hoempa-muziek ter bemoediging.
We zaten op 1643 meter, maar dat had ook bovenop de top van de Mount Everest kunnen zijn.

Voor de boodschapjes moet men hier een paar honderd meter langs een dodenweg afdalen, in de hoop dat er geen tegenligger – die Oostenrijkers gaan allemaal in razende vaart de berg op en af- aankomt. De lokale Spar is dus een soort levensader: eentje die vrijwel niets verkoopt, en dan ook nog tegen woekerprijzen.
’s Nachts lig ik wakker, worstelend met zo’n typisch enorm Alpen-kussen wat zich aan alle kanten om je hoofd probeert te sluiten, luisterend naar het geluid van gorgelend water en gekweld door visioenen van voertuigen en personen die dwars door vangrails en gammele hekjes heen schieten om vervolgens in de peilloze diepten te verdwijnen.
Nu zit ik dan wat ongemakkelijk op zo’n bank dit blogje te typen, waarbij ik af en toe ter inspiratie een blik werp op de bergkoeien die soms door een gat in de wolken zichtbaar zijn. Het moet hier na elke nacht toch bezaaid liggen met runderen die in het stikkedonker van de berg gedonderd zijn, bel of geen bel om de nek. Vermoedelijk worden die heel vroeg in de ochtend, wanneer de toeristen nog niet in arren moede gehuld in plakkende regencapes puffend en hijgend tegen de hoogte op klauteren, stiekum weggehaald, om te worden verwerkt tot duizenden schnitzels, het hoofdvoedsel van de doorsnee-Oostenrijker. Ik bedenk nu trouwens dat daar meest varkens in zitten, maar ja, een koe wil ook wel eens wat anders.
Op YouTube – waar zou de verwende westerling in de regen zijn zonder wifi- ga ik straks maar weer eens wat filmpjes bekijken van ongelukken met skiliften. En zometeen even de Wetter-Vorhersagen van Damüls op wwww.bergfex.at bekijken. Ik las daar van de week dat dit ongeveer de plaats is waar de allermeeste regen van heel Oostenrijk valt. Bedankt hoor, dames, voor het uitzoeken van deze plek.

En vanavond maar weer eens in het goeddeels verlaten bergrestaurant een schnitzel eten, want ik durf eigenlijk nooit meer omlaag. Het ga u allen goed, daar in het zonovergoten lage landje bij de zee.

image