Het vreselijke is gebeurd. Was ik eerst als een kind zo blij met mijn nieuwe internet-provider ( Tiscali ), kom ik gistermiddag thuis en tref ik daar een dochter aan die op de rand van hysterie balanceert. Het internet ligt eruit. Techneut als ik ben rommel ik wat aan draadjes en knopjes, wat meestal helpt, maar dit keer blijft het lampje van mijn modem hardnekkig op zwart staan. Aangezien mijn telefoon tegenwoordig ook op internet loopt, moest ik mij dus tot een dure helpdesk wenden die te kennen gaf dat dit probleem wel eens een dag veertien zou kunnen duren. Deze onheilstijding sloeg bij de rest van het gezin in als een bom. Totale ontreddering. Drie dochters die niet op MSN kunnen, een vader die verweesd aan tafel voor zich uit zit te staren, een vrouw die ongewoon opgewekt en blij is, want zo’n gezellig goed gesprek op de bank is een leuk vooruitzicht. De plannen voor de rest van de avond werden besproken. Laten we een vredesnaam dan maar naar bed gaan met een boek of zo, stelde ik voor, want ik had geen zin om amechtig naar alwééér een afbeelding van ‘America’s next Top Model’ te moeten kijken. Onwennig staarden mijn dochters en ik voor zich uit, aardappelen koud, boontjes slap. De maaltijd verliep in sombere stemming, en zacht sloffend verdween iedereen met gebogen rug naar de respectievelijke kamers. Nou moet ik straks naar huis. Het eerste wat ik doen zal, is met kloppend hart de deur van de kelderkast open maken, om vermoedelijk te constateren dat de lampjes nog steeds uit zijn, want in dat soort pessimistische vooruitzichten krijg ik altijd gelijk. Ik ga nog liever naar de tandarts, laat al mijn tanden trekken zonder verdoving, dan wéér een avond zonder vertrouwd knipperende modem-lampjes. Hoewel, vanavond heb ik nog een personeels-etentje, bedenk ik nu. Dat scheelt weer. En morgen zie ik wel weer verder.
