
Dit is wordt geen stukje zoals u van mij gewend bent. Afgelopen week is Simon Wiesenthal in zijn slaap overleden. Je hoorde al enige jaren niet zo veel meer van hem. Toen ik het las, dacht ik: Hij is eindelijk dood. Dat klinkt cru, en is dan ook niet zo bedoeld als het op het eerste gezicht lijkt.
Een aantal jaren geleden heb ik enkele concentratiekampen bezocht, waaronder Majdanek ( KZ Lublin ), Auschwitz en Mauthausen, waar Wiesenthal lange tijd verbleef. Dit waren alle drie zogenaamde ‘Vernichtungslager’, uitsluitend gericht op uitroeiing. Daarvoor was ik wel in Westerbork geweest, vergezeld van gezin en/of vrienden, maar nu was ik geheel alleen naar Polen en Oostenrijk afgereisd, speciaal voor dit doel. Het gezin wilde, misschien begrijpelijkerwijs, niet mee. Mijn eerste bezoek gold Majdanek, daarna Auschwitz en een jaar later Mauthausen.
Majdanek ligt bij Lublin, niet ver van de Russische grens. Het was een ongelooflijk hete dag, windstil, en op straat was het vrijwel uitgestorven. Op een gegeven moment liep ik, komend vanaf de stad, een hoek om en daar lag plotseling het kamp in al zijn uitgestrektheid voor mij. Ondanks de verschroeiende hitte, werd ik overvallen door een koude rilling en gierden de zenuwen door mijn keel. Nu, terwijl ik dit schrijf, krijg ik het weer te kwaad.
De aanblik van het kamp was duivels, hier straalde werkelijk het kwaad van af, het werkte verlammend. Zo voelde dus het KWAAD. Zo zag het er uit. Dit alles was tot in detail gericht op totale vernietiging van menselijk leven en waardigheid. In Majdanek zijn naar schatting 360.000 mensen, voornamelijk Joden, vermoord.
Er waren vrijwel geen bezoekers, en ik heb uren over het reusachtige terrein, wat nog vrijwel geheel in originele staat verkeert, rondgedwaald. Ik bleef het koud hebben. In de verlaten barakken hoorde je het geschreeuw en gekerm van de gevangenen, in de gaskamer hoorde je het laatste gekras van nagels langs de onverbiddelijke muren….

Ik heb daar gestaan in een barak, tot de nok toe gevuld met schoenen in alle soorten en maten. Voor mij is dat later een inspiratie geweest om er dit schilderij van te maken. Op de één of andere manier voelde ik mij verbonden met alle doden, en kreeg ik een soort onverklaarbaar schuldgevoel dat ik daar na al die jaren zo maar in en uit kon lopen, levend en wel. Ik denk ook, dat al die doden op de één of andere manier nog steeds met elkaar verbonden zijn, en dat zij wachten op diegenen die het overleefd hebben, tot dat die zich bij hen voegen, ook al is dat zestig jaar later. Daarom schreef ik “Hij is eindelijk dood”. Zulke gebeurtenissen vergeet je niet in je leven. De vriend van mijn moeder was in de oorlog een hoge bons in het verzet. Eigenlijk is hij nog steeds in die oorlog, het bepaalt nog steeds zijn leven.
Simon Wiesenthal is nu verenigd met zijn lotgenoten uit al die kampen, en heeft eindelijk de rust gevonden. Een bijzonder groot mens is eindelijk dood……

