Leraar, elke dag ( heel ) anders

In afwachting van een functioneringsgesprekHet levenspad van de gemiddelde docent kent pieken en dalen, en is vol gevaren.  Van alle kanten wordt de arme beambte bedreigd, aangevallen, beschimpt door lieden als Ton Elias en andere onwelwillende politici, op het matje geroepen door een stoet van management- en bestuursleden, ter verantwoording geroepen door boze ouders en leerlingen en in zijn schrieperige salarisje nog meer gekort door ongeveer de gehele resterende wereld. Daarnaast wordt het slachtoffer gekweld door een tot aan de hemel reikende berg administratieve rompslomp, moet hij of zij geregeld op bij-, na- en herscholingscursus en is tot diep in de nachtleijke uren bezig met correctie en lesvoorbereiding. Op verjaardagspartijtjes zit de betrokkene stil en schuwig in een hoekje, knabbelend op wat nootjes, meewarig aangekeken en befluisterd door de overige feestvierders, die allemaal wèl in het leven geslaagd zijn en niet tot de risée der maatschappij horen. Eén keer per jaar  mag de leraar een aantal uurtjes op de tv genieten van aandacht, en de dag na Dierendag is het de Dag van de Leraar, maar zowel dier als leraar wordt geacht zich niet te ver buiten de mand te begeven en als volgzaam hondje te baas te gehoorzamen.

Vóórdat nu allerlei enthousiaste types die ook allemaal verstand van onderwijs pretenderen te hebben maar het niet actief bedrijven woedend wegzappen vanwege veel te cynisch en zo want het is toch zo fijn om onderwijsadviseur of zo te zijn, wil ik ook even opmerken dat er ook heel leuke kanten aan dit vak zitten, namelijk het lesgeven zelf. Dat gebeurt namelijk zo ook nog af en toe. ’t Is toch een beetje een soort van roeping, van ontwikkelingshulp samme maar zeggen, en wanneer je maar geregeld ’s avonds met zwavelstokjes langs de deuren gaat kun je je salaris nog een beetje aanvullen zodat je af en toe trillend en bevend kunt bijkomen in een weekendje Landal.

Zie het als een uitdaging, dat doet het altijd goed. Nou, die uitdagingen die zijn er hoor! Het boeiende instituut waar ik werk heeft besloten nog boeiender te worden, en dat kan in de vorm van nieuw- en verbouw. Als school wil je natuurlijk met je tijd meegaan en daar hoort een eigentijdse en inspirerende leeromgeving bij met leerpleinen, campussen, doe-afdelingen en wat dies meer zij. Niks mis mee, want het gaat uiteindelijk om de inhoud, de kwaliteit van de lessen, en die is op mijn school ronduit goed, dat durf zelfs ik hier wel te stellen. Het oude pand stond ook een beetje op instorten en je wilt niet ’s avonds met allerlei narigheid in Hart van Nederland gepresenteerd worden. Sinds het begin van dit cursusjaar zijn dus horden goed geschoolde ( want MBO ) bouwvakkers met veel enthousiasme overal in het boren, zagen, spitten  en beuken en de plannen zien er veelbelovend uit. Over een jaar moet alles klaar zijn, en de door de werkzaamheden weggevallen ruimte is elders in het dorp teruggevonden in de vorm van een deels leegstaand schoolgebouw, wachtend op uiteindelijk sloop, maar nu nog voor onderwijsdoeleinden bruikbaar.

Nu bestaan er op de wereld geen flexibeler lieden dan docenten en  hun leerlingen. Een groot deel van hen is dus verhuisd naar de noodlocatie, die echter wel heel erg de nadruk op ‘nood’ legt. Dat vraagt enig improvisatievermogen. Ook mij is de eer te beurt gevallen te resideren in de noodopvang, in een tot kantoor omgebouwd lokaaltje met nog 19 andere collega’s, inclusief alle verhuisdozen met toetsen die van de inspectie tot het einde der tijden bewaard moeten worden. We hebben twee telefoons, twee ramen die een beetje openkunnen maar dan zit de rest op de tocht, en als docent 1 een beetje over zijn ‘bureau’ gaat hangen met het hoofd tegen de muur, is er nét genoeg ruimte voor docent 2 om het pand in overspannen toestand te verlaten. Dat laatste is niet geheel zonder gevaar: het bouwsel is uitsluitend te bereiken of te ontvluchten na een gevaarlijke tocht over een soort rotspad, en dat heeft al menig naaldhak het leven gekost. Met klimijzers zie ik nog wel wat mogelijkheden, maar voor de komende winter verwacht ik toch en sterke schooluitval van lieden die nooit meer boven water komen omdat zij ergens onderweg in een ravijn zijn gevallen of door kolkend ijswater zijn meegesleurd.

De leerlingen zitten wat lijdzaam in de gangen, hurkend en schurkend tussen proppen papier, snoepverpakkingen en rondslingerende jassen en tassen, want er zijn helaas geen kapstokken of kluisjes- daar is geen ruimte voor. In de ochtendpauze van een kwartier stop ik dan wat eerder met mijn les van 45 minuten om mij haastig van gebouw A naar gebouw B te begeven, waar ik nog 1 minuut heb om even te plassen en een kop koffie ( wanneer het wat uitloopt moet dat mogelijk op het toilet ) te nuttigen. Geregeld spoed ik mij dan gedrurende de middagpauze weer terug naar gebouw A voor de rest van de lessen, om de dag te besluiten met een dodenrit weer naar gebouw B omdat iemand bedacht heeft dat daar vergaderd moet worden over bijvoorbeeld het observeren van je collega volgens het STARRT-principe. Dat laatste is trouwens prima. Naast de nodige zelfspot en kritiek dient een leraar ook eens open te staan voor opmerkinfen en tips van een ander. Alleen vervelend dat dat nu weer in de vorm van een ellen lang formulier moet.

Tegen de avond rest dan nog de rit naar huis met een tas vol beoordelingsformulieren van negen kantjes elk van de kwalificerende toets “Gesprekken voeren” op 2F niveau, inspectieproof, en die nog aangevuld gaat worden met vier andere kwalificerende toetsen, die allemaal in twintig weken geoefend, afgenomen, nagekeken, geherkanst en weer nagekeken moeten zijn, want o wee, de inspectie. Soms heb ik nog wat tijd om rudimentair wat aan de spelling te doen, of iets met de woordenschat, die elk jaar beperkter lijkt te worden. Snap de vraag maar eens wanneer je de woorden die er in staan al niet meer begrijpt…

Ik lijk wel gek. Welnee, ik ben bij mijn volle verstand, en wanneer je eenmaal voor de klas staat vergeet je alle treurnis om je heen. Voor de zoveelste keer maar weer het Kofschip, het Sexy Fokschaap, het verschil tussen liggen en leggen, kennen en kunnen, hen en hun. Ze leren er wat van, en dat is na al die jaren telkens weer een opsteker. Elke dag leraar is – wanneer je niet te veel stil staat bij alles wat er op je afkomt – heel aardig uit te houden. En zowaar: e;ke dag anders dan je van te voren verwacht!  Nog een jaartje, en dan kan ik tot mijn 68e  uitkijken over het hypermoderne leerplein, vanuit mijn hypermoderne kantoor bij een hypermodern klaslokaal….ook weer anders!

Eén antwoord op “Leraar, elke dag ( heel ) anders”

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *