Wauwel in Zuid-Afrika

Het is winter, en in de late namiddag zit ik in de laatste stralen van de ondergaande zon op de veranda onder en paar enorme koortsbomen. Ik ben in Zuid-Afrika, in de Ezulwini Game Lodge. Om ons heen is wildernis, boven ons roepen exotische vogels en een paar honderd meter verderop grazen zebra’s en plukken giraffes als voorwereldlijke mastodonten blaadjes van de acacia’s op de savanne.Een andere wereld, eentje waaraan je later, zittend op de veranda van het verzorgingstehuis, gekluisterd aan je stoel of luier, met weemoed zult terug denken. De laatste stralen van de zon die door de takken en bladeren door je gesloten oogleden schijnen, zijn als laatste flakkerende herinneringen aan de tijden van weleer, een zoete nasmaak van toen.
In Zuid-Afrika kun je wel oud worden, een land waar ik eerst niets mee had en waarbij ik de reis in een opwelling geboekt had omdat Indonesië al volgeboekt was. Velen zijn mij voorgegaan, en gebleven, door de eeuwen heen. In Pretoria bezochten wij het Voortrekkersmonument, en daar voel je dan toch iets van gêne wanneer je kijkt naar de slachtpartijen die de blanke kolonist daar onder de inheemse bevolking heeft aangericht, vereeuwigd langs de muren van het verder vrij lelijke gebouw. “Moet nie op die bankie staan nie”, wordt ons geadviseerd middels opschriften op de muur. “Dogtertjes het graag met vliesgesigpoppies gespeel”, zo lezen we bij een vitrine met kinderpopjes. Boerendochtertjes, die na een grote trek vol ontberingen besloten daar een gezin groot te brengen, en het genomen land niet meer af te geven: niet aan de Engelsen, niet aan de Nederlanders of Duitsers, en al helemaal niet meer aan de ‘Zwartmensen’, zoals de inheemse bevolking door de blanke zuid-Afrikanen die ik sprak, wordt genoemd.

Je komt in een andere wereld: anders al door het tegenovergestelde seizoen. Hartje winter, veel kale bomen in een bruin en dor landschap, en toch overdag redelijk zomerse temperaturen in de aanloop naar een vroeg invallende koude nacht. Je hebt een paar dagen nodig om daaraan te wennen, ik merkte dat vorig jaar zomer ook in Australië. Een ruimtereiziger gestrand op een andere planeet, die sterk lijkt op de eigen, maar toch met een ondefinieerbaar andere atmosfeer.  De vliegreis bracht ons al over allerlei brandhaarden. Beneden ons de kust van Libië, met brandhaarden als Misrata en Tripoli, en lager, na eindeloze kilometers of barre zongeblakerde zand- en rotsvlaktes in de invallende duisternis de oerwouden van Congo en Rwanda, en plaatsen met namen die herinnerden aan de afschuwelijke slachtpartijen tussen Hutu’s en Tutsi’s. In de duisternis vlamde een enorme bosbrand , een oranje kilometerslange hel van vlammen in inktzwarte omgeving. En dan Johannesburg, na ruim 10 uur vliegen.  Wanneer je niet in de luxe verkeert om businessclass te rijzen, is vliegen eigenlijk een vorm van middeleeuws transport, zeker wanneer je een lengte van 1,94 ergens zo voordelig mogelijk in moet proppen. En toch blijft het fascinerend, en zou ik de rest van mijn werkzame leven vliegend en reizend en daarover schrijvend kunnen besteden.
Johannesburg was koud; het had enkele dagen daarvoor in de heuvels nog gesneeuwd, zo vertelde een kruier mij tijdens het wachten op onze bus. Daar troffen we ook de andere groepsleden; het is altijd afwachten wat voor soort mensen dat zijn. Nu waren we niet in Marbella, dus dat levert vanzelf geen hooggeblondeerd, van tattoo’s en kitscherig goud voorziene kettingrokende en zuipende types op. Een grote touringcar voor een groep van 17 personen, inclusief reisleidster en chauffeur Louis. Die spraken een soort vernederlandst Zuid-Afrikaans, wat het ergste deed vermoeden, maar wat heel snel wende.

Rijden  in een luxe oase op wielen, langs een enorme krottenwijk, langs “Mandela-huussies”, langs een wereld waar het gist en pruttelt onder het deksel dat nu nog enigszins op zijn plaats wordt gehouden door de frêle vader des vaderlands, die enkele dagen daarvoor nog zijn verjaardag had gevierd. Op die verjaardag doet elke Zuidafrikaan gedurende 67 minuten iets zinnigs voor het land: van plantsoenen schoffelen, een afgebladderd verkeersbord schilderen tot sponsoracties voor een schooltje in een township.
Schooltjes zie je overal in het gele landschap. althans, je ziet schoolkinderen, als door een ringetje te halen in een keurig schooluniform, die kilometers langs snelwegen, provinciale wegen, landwegen en zandpaden lopen, in alle vroegte op weg naar school of schoolbus. ergens in the middle of nowhere. Langs die wegen ook veel kraampjes,  met koopwaar varierend van een paar pakjes sigaretten of een stapeltje bananen, tot kleurig gerangschikte trossen en bergen fruit. Ook kraampjes midden in de stad, in stille buitenwijken, de nood om geld binnen te halen lijkt hoog.
Langs die weg een ongeluk, waar tientallen auto’s zijn gestopt en waarvan de inzittenden nu in allerijl hun auto’s tot aan de berstuurdersstoelen volproppen met een lading afgevallen mango’s. “Koop nooit langs die weg,” roept de chauffeur in het Zuidafrikaans, “alles wat ie daar koop is gestool”. Het legt de enorme kloof en het enorme dilemma van Zuid-Afrika bloot. Blank tegen zwart, nog steeds, en meer. Hij was jarenlang treindienstleider, leidde ook jongeren op tot machinist. Met de komst van het ANC kon hij kiezen: overplaatsen naar een uithoek, of je biezen pakken. Dat overkwam ook onze reisleidster, die een goede baan had bij de televisie, die documentaires maakte en met groten der aarde in contact stond: ophoepelen. Dat overkomt ook de twee Duitse eigenaren van een schitterend in de bush gelegen lodge waar we overnachtten: binnenkort zullen jullie hier waarschijnlijk moeten vertrekken, wij nemen het over.
Je ziet het aan de straatnaamborden. Er gaat een andere onrustige wind waaien.

Wilhelmina is uit, Florence Ribeiro is in. Op zich niks mis mee en begrijpelijk ook, maar ik denk dat de prioriteiten beter bij andere, werkelijke problemen hadden kunnen liggen.
Die lodges, dat is het andere Zuid-Afrika. De wereld van Richard Attenborough, de wereld van het Kruger Wildpark, waar je meent de Big Five gespot te hebben, totdat je in alle vroegte ontdekt dat de meest gevaarlijke, number six, namelijk de voorzitter van je college van bestuur, op een meter achter je staat. It’s a small world. Mijn eerste – boosaardige – gedachte was natuurlijk: “Die is op betaalde studiereis om het onderwijssysteem in de wildparken van Zuidafrika te bestuderen”. Het zegt iets over mijn verdorven karakter. Dat is natuurlijk onzin, en het is frappant -en leuk! – hoe je elke keer weer bekenden ontmoet, in welke uithoek van de wereld je je ook bevindt. Tijdens een overhaaste evacuatie voor een reusachtige bosbrand in Zuid-Frankrijk, kwam ik in een met noodbedjes en hulpgoederen afgeladen sporthal een leerling tegen, op een afgelegen Noors eilandje een studiegenoot, en buren uit de straat op een klein bootje in de Egeïsche zee.

Terug naar de buffels, de giraffes en de leeuwen. Eten en gegeten worden, en je best doen om die hinderlijke gedachte dat je ergens in safaripark de Beekse Bergen rond rijdt, te onderdrukken.  De eindeloze savanne, de enorme kuddes trekkende buffels, de leeuwen en jakhalzen die in een hinderlaag liggen, de gieren cirkelend in de lucht; het is niet te bevatten, het kan haast niet echt zijn. De stekende kou ’s ochtends vroeg, waar je dik ingepakt met een deken over je knieën in de ochtendschemer op een jeep het park binnen rijdt, en de trillende lucht op het heetst van de dag boven een door leeuwen gewonde buffel, die geveld is  en blatend op z’n einde wacht.
’s Nachts, onder de overweldigende sterrenhemel op de veranda van de lodge, hoor je ze in de verte brullen, de leeuwen, ergens in het stikkedonker, in de nacht waar verscheurende dieren rondsluipen en elkaar naar het leven staan. Rondom om jou heen, en nee, dit is geen Beekse Bergen meer.

We komen aan de grens met Swaziland, waar 70% van de bevolking onder de armoedegrens leeft, waar Koning Mswati III met zijn vele vrouwen – hij mag er elk jaar weer een nieuwe bij kiezen – in weelde leeft, en waar in het schamele wc-gebouwtje bij de douane een enorme doos gratis condooms voor de bezoekers klaar staat. Swaziland kent het hoogste aantal hiv-besmettingen ter wereld, maar dat is iets waar je geen toeristen mee trekt. De gemiddelde levensverwachting is hier nog geen 48 jaar. En daar zit je dan, in de volgende luxueuze lodge, en je wandelt met een razend dure camera om je nek over een stoffig landweggetje honderd meter verderop, en je probeert een gesprekje aan te knopen met wat kinderen uit de omliggende dorpjes, die wel met een Engelstalig schoolboek onder de arm naar huis lopen, maar die nauwelijks Engels spreken of verstaan. Naar huis, dat is een eenvoudig hutje, veelal nog van leem, ter grootte van een tuinschuurtje, met er om heen wat kippen en een geit. Een stapel hout zorgt voor de verwarming en de grondmist van houtrook die je overal in heel Zuid-Afrika ’s ochtends en ’s avonds ziet en vooral ruikt. De geur van houtrook en verbrand loof, dat is Zuid-Afrika.  Het is ook de luxe en het mondaine leven aan het strand van Durban: disco, Hilton Hotel, clubben en chillen in een lounge-tent aan de Indische Oceaan, waar we een eindje verderop staan te kijken naar een groepje vissers die zich in het zweet zwoegen om een net met wat armetierige vissen aan land te zeulen, waarbij ze ondertussen afgeblafd worden door hun baas die werkelijk geen hand uit de mouwen steekt. Die baas is een Indiër, een van de velen die het in Durban goed voor elkaar heeft en die door de oorspronkelijke bewoners met een scheef ogen worden aangekeken. Nóg een ingrediënt in die borrelende en bijna overkokende pan.

De laatste dagen brengen we door in een resort in de Drakensbergen, een soort vreselijk Centerparcs, waar verveelde rijke Indiërs met hun volgeladen SUV’s komen aanrijden om een weekendje met rondhangen en naar ghettoblasters luisteren door te brengen.  Alsof we alvast weer worden voorbereid op het leven in onze westerse wereld. Een soort decompressiekamer waar je na een lange duik in een fascinerende onderwaterwereld weer moet acclimatiseren.
Nog even Zuid-Afrika dan: met een afgesplitst reisgezelschap van vier personen richting Johannesburg, richting vliegveld, honderd kilometer over een weg die al twee jaar voor de helft opengebroken ligt, waar al twee jaar niets meer mee gebeurt. Onze chauffeur blijkt het grootste deel van zijn leven diplomaat te zijn geweest, ambassadeur in Paraguay, consul in de VS en Italië. Nu rijdt hij, een bijna uit zijn voegen barstende zestiger, ruim na zijn pensioen, toeristen rond. Hoe het vroeger toch wel alles beter was, wèl vol bewondering voor Nelson Mandela maar bezorgd over de toekomst.
We zijn te vroeg voor het vliegveld. Of we nog naar Soweto willen. De reisorganisatie wil ons daar liever niet hebben, hoewel zowel reisleidster als chauffeur al jaren roepen dat het daar een stuk veiliger is geworden, net als Johannesburg zelf, waar we ook al angstvallig vandaan werden gehouden.  Ik voorzie angstige toeristen, opgesloten in een busje, belaagd door woedende hordes met kapmessen, een voortijdig einde van Wauwel met een brandende autoband om de nek, maar ik ben altijd al een enorme bangbroek geweest en gelukkig heb ik dan een vrouw die in roekeloosheid precies het tegenovergestelde van mij is.
En zo rijden we in de ondergaande zon langs wat het grootste ziekenhuis van heel Afrika heet te zijn, in het hart van Soweto: in weekends en op salaris-uitbetaaldag vertoont de afdeling spoedeisende hulp overeenkomst met een slagveld in oorlogstijd, zo horen wij. Schot- en steekwonden aan de lopende band. Toch kun je als toerist tegenwoordig heel goed Soweto bezoeken, als je maar bepaalde plekken vermijdt. Je kunt zelfs georganiseerde trips per fiets doen. Een eindeloze stad gebouwd van eenvoudige huisjes, die allemaal als kleine vestingen ogen met hun muren en hekken van prikkeldraad en glasscherven; wie in Zuid-Afrika een huis bezit, omringt zich met een soort mini-Berlijnse muur, of je nou arm bent of rijk. Het eenvoudige huisje van Nelson Mandela in het armoedige straatje van toen is nu een soort relikwie onder een glazen stolp, een museum temidden van terrasjes met prijzige comsumpties en souvenirwinkeltjes. We komen bij de Regina Mundi kerk, een sjofel bouwwerk dat diende als veilige haven en bolwerk van actievoerders tegen de apartheid na het bloedbad in 1976, waarbij de politie tussen de 36 en 500 betogers doodschoot. Dat verschil in getallen geeft de enorme kloof aan, die ook nu nog steeds door de bevolking loopt.  Bij de ingang is een soort bewaking, de deur wordt van het slot gedaan. Er heerst een groot rumoer, en wordt gezongen door een groot koor en daarvoor een roepende, springende en dansende menigte kerkgangers, allen op hun paasbest.
En dan ervaar ik daar die zelfde sensatie als in de beroemde scène uit The Blues Brothers, waarin Jake door een goddelijk licht gegrepen wordt en in een serie spectaculaire salto’s naar voren danst. Mijn camera met kostbare vakantiefoto’s om mijn nek voorkomt dat ik de reis alsnog met rug- en ander ongewis letsel moet afhaken.

Dit is het dus: de ziel van Zuid-Afrika. Je hoorde het in het volkslied, waarvan de hartverscheurend prachtige melodie door merg en been ging  toen we door een zingende en dansende groep personeelsleden in een lodge bij een wildpark begroet werden. Een lied van hoop en wanhoop. Je ziet het in Soweto, je ziet het in de Regina Mundi-kerk. Hoe gaat dit eindigen?
Voor mij eindigde de reis met een laatste blik uit het vliegtuig op de vele verdwijnende lichtjes  van Johannesburg met zijn uitgestrekte townships, in het duister van de nacht. Hoger en hoger, kleiner en kleiner. Ik wil terug.

 [youtube]http://www.youtube.com/watch?v=_mKku1_RRqs[/youtube]

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *