Laatst zat ik, na een bezoekje aan een hectische beurs vol nieuwe onderwijs-gadgets en hebbedingetjes, in de trein terug naar huis in dorpje B. op de Veluwe, daar waar rust en reinheid heerst, en waar de eenvoudige burger met bedachtzame pas door de verstilde straten schrijdt, vooral op zondag.
Zo had ik dus een plekje gevonden in de stiltecoupé, een jammerlijk mislukte uitvinding van onze Nederlandse Spoorwegen. Na een gang door overvolle en lawaaiierige compartimenten kwam ik dus in wat de NS als een oase van rust en hard werkende lieden had gehoopt.
De enkele stilte-minnende reiziger zit daar met verbeten trek om de mond nadrukkelijk stil te wezen, maar ja, als je wat van de herrie zou zeggen , haal je je mogelijk de woede van andere stilte-fanaten op de hals en trouwens, vòòr je het weet wordt er voor jou ook een Stille Tocht georganiseerd omdat herrieschoppers tegenwoordig een uiterst kort lontje hebben. Zo eindig je dan mogelijk toch nog in stijl. Alles over je heen laten komen dus maar, en in stilte je ergernis verbijten.
Schuin voor mij zat een man, die ik rond dat tijdstip wel vaker in de trein naar huis ben tegen gekomen. Als er iemand in de stiltecoupé past, was hij het wel. Al tijdens de bouw van de allereerste stoomtreinen moet hij daar al gezeten hebben, zó onopvallend, kleurloos, verstofd en voltooid verleden tijd.
Een open hangende grijsachtig beige, flodderige regenjas aan, daaronder natuurlijk een geruit colbertje van onbestemde snit en kleur, grauw overhemd, grijze terlenka broek, stro-kleurig grijzig haar, een benig, loodkleurig gezicht, een nietszeggende bril met vergrotende glazen, het zou zó maar een docent kunnen wezen.
Dit kon echter geen leerkracht zijn. Dit moest een klerk wezen, zo’n beroep uit “Karakter” van Bordewijk, of uit het werk van Dickens. Zo iemand die in een schimmig bruin betimmerd kantoortje achter glazen wanden de hele dag over stapeld mappen en folianten gebogen zit, onder het gelige licht van een bureaulamp, die groteske schaduwen op de wanden van het kamertje werpt. En inderdaad, vanuit een bruine verschoten leren schooltas werden stapels rapporten tevoorschijn getoverd, waarin met een potlood aantekeningen werden gemaakt.
Als zo’n man thuis komt, prikt hij in stilte met zijn net zo kleurloze vrouw aardappeltjes uit een schaal die precies in het midden van de tafel onder de lamp staat, en roert hij in een grijzige massa doorgekookte Brusselse lof op zijn bord. Elke dag weer, en het is altijd herfst en altijd bewolkt.
Achter mij werd een gesprek gevoerd, goed verstaanbaar boven de herrie van de andere gesprekken en de veel te hard afgestelde koptelefoontjes uit. Een schoolmeisje belde met haar vader:
“He pap, ik zit nu in de trein naar huis, maar ik moet straks gelijk na het eten weg, wil jij even snel sigaretten voor me maken? Ik heb niks meer!” Ze zal een jaar of zestien geweest zijn.
“Nou doe maar flink wat, in elk geval minstens tien, de rest maak ik als ik uit ga zelf wel, dan heb ik voor vanavond genoeg.” Waarmee gelijk werd aangetoond dat men overal in de horeca stevig door paft.
Minstens tien, en de rest vanavond. Wat moest dat voor vader zijn? Ik stelde me daar zo’n dikke vent in een wit hemd voor, onderuit gezakt op de bank, paar bierblikjes naast hem op het salontafeltje, en dan zo’n appraatje waarmee je met behulp van tabak en papiertjes sigaretten draait. Vermoedelijk een hele stapel, die er dan in een avond doorheen gerookt wordt. TV de hele dag aan, van stilte heeft men in dergelijke huishoudens nog nooit gehoord, laat staan van stiltecoupé’s. Arm kind. Nu al kansloos en veroordeeld tot net zo’n man als haar vader, en nèt zo’n kind als zijzelf, en nèt zo’n treurig leven zonder stilte.
De trein kwam aan in dorpje B. Etenstijd, op de straten geurde het naar jus en aardappeltjes en sudderlapjes. Stilte alom.

In stilte je ergenis verbijten en alsnog gesloopt thuiskomen van de spanning, dan maar het risico op een stille tocht.
M.vr. gr.
Christel